Zwart, Jan (1877-1937)

 
English | Nederlands

ZWART, Jan (1877-1937)

Zwart, Jan, toonkunstenaar (Zaandam 20-8-1877 - Zaandam 13-7-1937). Zoon van Stoffel Zwart, koopman, en Christina Bot. Gehuwd op 15-4-1909 met Catharina Zwart. Uit dit huwelijk werden 6 zoons en 7 dochters geboren. afbeelding van Zwart, Jan

Reeds op jeugdige leeftijd legde Jan Zwart zijn belangstelling voor het kerkorgel aan de dag. Als veertienjarige jongen krijgt hij orgelles van G.B. van Krieken, de organist van de Zuiderkerk te Rotterdam, die zeer bevriend was met de in die tijd beroemde Parijse organist en componist F.A. Guilmant. Vier jaar later stapt Zwart over naar de organist van de Grote of St. Laurenskerk te Rotterdam, H. de Vries, onder wiens leiding de eerste - eenvoudige - composities tot stand komen. Nadat hij een aantal jaren organist in enkele kleinere kerkgebouwen geweest is, solliciteert Jan Zwart in 1898 naar de vacante positie van organist bij de Hersteld Evangelisch Lutherse Gemeente te Amsterdam; tot zijn medekandidaten behoren o.a. C. de Wolf en A.W. Rijp, die later als organisten in resp. Arnhem (St. Eusebiuskerk) en Amsterdam (Nieuwe Kerk) nog van zich zullen doen horen. Zwart krijgt uiteindelijk, na een vergelijkend examen, de aanstelling en zal tot zijn dood werkzaam zijn in het gebouw van de Gemeente aan de Kloveniersburgwal te Amsterdam, eerst uitsluitend als organist, later ook van 1907 af, als cantor-organist.

Naast het begeleiden van de gemeentezang heeft Jan Zwart zich op vele terreinen op muzikaal gebied verdienstelijk gemaakt. In zijn 'Kloof' introduceerde hij, met het koor van de Hersteld Evangelisch Lutherse Gemeente, o.a. de Matthäus-Passion van Heinrich Schütz, terwijl hij in latere jaren het 'cantus firmus'-zingen geïntroduceerd heeft, waarbij kerkkoor én gemeente beide een functioneel aandeel in de gemeentezang hebben.

Landelijke bekendheid verwerft Zwart vooral na 1914, het jaar waarin hij zijn wekelijkse orgelconcerten in de 'Kloof' gaat verzorgen. Aanvankelijk beperken zich deze bespelingen tot de zomermaanden, maar nadat het Strümphler-orgel in 1923 met een zogenaamd Fernwerk is uitgebreid - waardoor het instrument bij uitstek geschikt wordt voor het uitvoeren van de toenmaals eigentijdse Duitse en Franse orgelliteratuur - wordt dit aantal steeds meer uitgebreid. Ook in andere plaatsen (Alkmaar, Deventer) start Zwart concertseries, die door een groeiend aantal toehoorders worden bezocht. Naast de meer 'gangbare' composities speelt Zwart bij voorkeur werken van Nederlandse componisten. Zo heeft hij zich erg ingespannen voor erkenning van 'oude' meesters zoals J.Pz. Sweelinck, H.Jz. Speuy en A. van Noordt, maar ook van zijn eigen tijdgenoten H.F. Andriessen, C. Kee, De Vries en De Wolf. Daarvoor, maar ook voor een veelvuldiger gebruik van zoveel monumentale en historische orgels dan alleen in de zondagse kerkdienst, heeft Zwart baanbrekend werk verricht.

Wanneer de toenmalige Algemeene Nederlandsche Radio Omroep (ANRO) in 1925 het voornemen heeft een orgelconcert uit te zenden, is het welhaast vanzelfsprekend dat Jan Zwart daarvoor uitgenodigd zal worden. Tot 1929 is hij nog incidenteel via de radio te beluisteren; in dat jaar wordt hem door de Nederlandsche Christelijke Radio Vereeniging (NCRV) een contract aangeboden, volgens welk hij wekelijks een direct uit te zenden orgelbespeling van anderhalf uur dient te verzorgen. Tot enkele maanden voor zijn overlijden heeft Jan Zwart praktisch elke maandagmiddag een dergelijk concert gegeven, slechts in september 1932 een ogenblik bedreigd, toen de NCRV Zwart op een in zijn ogen inferieur instrument de concerten wilde laten voortzetten. Na de opzegging van het contract door Zwart en talloze protesten van verontwaardigde NCRV-leden werd het besluit teruggedraaid en kon Zwart op het orgel in de Kloveniersburgwalkerk zijn concerten blijven geven.

Hoe geliefd Zwart bij het protestantse volksdeel was, bleek hij de viering van zijn veertigjarig jubileum als organist in oktober 1933. Grootse huldigingen en talloze jubileumbijeenkomsten en -concerten vielen hem in die maand ten deel. Zijn overlijden in 1937 kwam midden in een nog werkzaam leven.

Jan Zwart heeft de kerkmuziek in het algemeen, en de orgelmuziek in het bijzonder, voor een breed publiek toegankelijk gemaakt. Zijn eigen composities - bewerkingen en voorspelen van de melodieën van de psalmen, gezangen en enkele geestelijke liederen - waren vooral onderwijstechnisch bedoeld, ook voor beginners in de orgelmuziek, en bleven in klankidioom traditioneel van aard. Naast de orgelmuziek heeft Zwart zich tevens voor het instrument orgel ingezet. Talloze artikelen, onder meer in het door hemzelf uitgegeven Het Orgelistenblad, en de door hem georganiseerde 'orgeldagen' (voor het eerst in augustus 1931 te 's-Hertogenbosch) bewijzen dat hij een groot publiek voor de orgelkunst in de breedste zin van het woord heeft trachten te interesseren. Ten slotte heeft hij zich in woord en geschrift ingespannen voor de muziek van oude Nederlandse meesters als Sweelinck, Van Noordt en Speuy. Onder zijn vele begaafde leerlingen trof men er aan die Zwarts klankidioom nagenoeg volledig zouden blijven hanteren en anderen die Zwarts werk als uitgangspunt voor eigen ontwikkeling kozen.

A: Stukken bevinden zich in het bezit van familieleden. Samenstelling collectie-Jan Zwart in voorbereiding door F.W. Zwart in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage.

P: Bibliografie in E.O. Westenberg, Jan Zwart, 1877-1937. Orgelist bij de gratie Gods (Amsterdam, 1969).

L: Jan Zwart: 1877 (20 -8) - (13-7) 1937. Een profeet op de orgelbank. Samengest. door A.J. Kret en Feike Asma ([S.l.], 1957); Jan Zwart 1877-1937. Onder red. van Frits W. Zwart [Waddinxveen, 1987].

I: Jan Zwart: 1877 (20 -8) - (13-7) 1937. Een profeet op de orgelbank. Samengest. door A.J. Kret en Feike Asma ([S.l.], 1957) Afbeelding tegenover pagina 2.

W. Slagter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013