Beversluis, Martinus (1894-1966)

 
English | Nederlands

BEVERSLUIS, Martinus (1894-1966)

Beversluis, Martinus, (pseudoniemen o.a. Huib Wouters, Silvius Berckhout en M.B. Versluis), dichter (Barendrecht 28-3-1894 - Middelburg 18-2-1966). Zoon van Martinus Beversluis, Nederlands hervormd predikant, en Elisabeth Catharina van der Hucht. Gehuwd op 10-9-1919 met Nellie Schuitemaker. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (28-1-1937) gehuwd op 27-2-1937 met Johanna Verstraate (pseudoniem Dignate Robbertsz), schrijfster. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Beversluis, Martinus

In het ouderlijk huis van Martien Beversluis vormde het geloof geen hinderpaal voor afwijkende opvattingen. Zijn vader, een predikant die de ethische en evangelische richting was toegedaan, werd gegrepen door het spiritisme. Later omschreef Beversluis het milieu van zijn jeugd als 'metafysisch experimenterend' (Haagse Post , 30-5-1964). In 1907 werd zijn vader beroepen in het Friese Veenwouden, een jaar later in Zuidwolde bij Groningen. In het blad van het Groningse gymnasium, dat Beversluis wegens het vervullen van de dienstplicht vroegtijdig moest verlaten, verschenen zijn eerste verzen. Na de middelbare school alsnog te hebben voltooid, ging hij aan de slag bij plaatselijke dagbladen, eerst in Groningen en vervolgens in Deventer.

In 1919 trouwde Beversluis met Nellie Schuitemaker, en dank zij de financiële steun van haar broer kreeg hij de kans zijn ambitie op de literatuur in plaats van de journalistiek te richten. Een jaar later debuteerde hij met Zwerversweelde , een bundel vol natuurlyriek in de trant van C.S. Adama van Scheltema en Frans Bastiaanse, die niet slecht werd onthaald. Van 1922 tot 1925 studeerde hij aan de Utrechtse universiteit Nederlandse taal- en letterkunde bij prof. C.G.N. de Vooys, zonder deze studie te voltooien. 'Ik heb liever ruggegraat dan een doctorale graad' zou een geliefde bewering van hem worden. In deze periode leverde Beversluis journalistieke en poëtische bijdragen aan vele bladen en begonnen zijn werkzaamheden bij de Algemeene Nederlandsche Radio Omroep.

Tijdens een buitenlandse reis in 1921 onder de indruk geraakt van de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog, werd Beversluis, mede door de invloed van G.J. Zwertbroek, de omroepsecretaris van de Vereeniging van Arbeiders-Radioamateurs (VARA), lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, en tevens, in 1928, literair adviseur bij de socialistische omroep. Jarenlang zou hij de politieke slingerbewegingen van Zwertbroek, een explosief man en populistisch orator, volgen. In 1928 schreef Beversluis voor de VARA pacifistische verzen, die twee jaar later in druk verschenen onder de titel Aanklacht . Deze bundel haalde tien drukken en een oplage van dertigduizend exemplaren.

In zijn gedichten, die van grote technische virtuositeit maar weinig oorspronkelijkheid getuigen, had Beversluis zich onder invloed van de tijd tot een meer allegorische en symbolische vorm gewend; het verwijt van te weinig diepgang bij een teveel aan stemming zal hierin hebben meegespeeld. Beversluis' poëzie zou echter gekenmerkt blijven door de retorische vorm, waarvan de bezieling niet zelden werd betwijfeld. Onder het pseudoniem Huib Wouters schreef hij ook luchtiger werk ten dienste van de socialistische zaak, zoals het 'VARA-lied' en het 'lied voor de Liga tegen Oorlog en Fascisme'.

Bij de plaatsbepaling tussen individueel burgerschap en lidmaatschap van de gemeenschap, een acuut probleem in de jaren dertig, koos Beversluis voor het laatste, al bleek hij ideologisch gezien wankelmoedig. Een maatschappelijk theoreticus was hij niet; altijd klonk bij hem het religieuze sentiment door dat - zeker na de Tweede Wereldoorlog - het centrale element in zijn poëzie zou worden. Beversluis had bij dit alles een duidelijke visie op de rol van de dichter: deze moest een strijdbare, profetische stem van het volk zijn. In dit verband merkte hij eens op: 'ik heb de gelukkige gave meer te kunnen zeggen, dan ik denk' (Rispens, 379).

De opkomst van het fascisme verontrustte Beversluis. In 1933 was hij betrokken bij het Comité van Nederlandsche Kunstenaars en Intellectueelen, dat onder leiding van de literator Frans Coenen wilde bijdragen aan de totstandkoming van een bruinboek tegen de Hitlerterreur. Voor de gevluchte Duitser Heinz Kohn, die in Nederland de uitgeverij 'Boekenvrienden Solidariteit' dreef, was de familie Beversluis-Schuitemaker een grote steun. Beversluis vertaalde onder meer werk van Bertolt Brecht, Kurt Tucholsky, Walter Mehring, Ernst Toller en Erich Kästner. Van de laatstgenoemde droeg hij voor de radio poëzie voor op de dag van de boekverbrandingen in Duitsland.

In het spoor van Zwertbroek ging Beversluis in communistische richting. Tot diens behoefte aan spanning en aandacht, verbonden met een licht ontvlambare, maar onvaste en van idee naar idee overspringende exaltatie, voelde Beversluis zich aangetrokken, al zag hij voor zichzelf eerder een rol als profetisch dichter dan als politiek organisator. Toen de VARA, naar aanleiding van de ontwikkelingen in Duitsland, in toenemende mate tot zelfcensuur overging om een dreigend uitzendverbod te voorkomen, ontstond er een hoog oplopend conflict tussen de omroep en Zwertbroek, dat in februari 1934 tot diens ontslag zou leiden. Dat Beversluis in december van dat jaar, na schorsing, eveneens bij de VARA verdween, kwam niet als een verrassing. Volgens hem was de sociaal-democratie te partijpolitiek en te weinig ideëel geworden. De strijdbare heilsverwachting van het communisme paste beter bij zijn behoefte aan bevlogenheid en een groots dichterschap.

Spoedig na het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog in 1936 - die hem inspireerde tot de in dat zelfde jaar verschenen Ballade voor Spanje - veranderde de richting waarin hij aansluiting zocht radicaal. Hij keerde zich af van de internationale klassenstrijd en koos voor een traditioneel nationalisme van christelijke en orangistische aard. Beversluis stelde de tegenstelling tussen verdoemden en gegrepenen in de plaats van die tussen bourgeoisie en proletariërs. Ter gelegenheid van de geboorte van prinses Beatrix in januari 1938 schreef hij een hymne, en hij was betrokken bij de poging een 'Nationaal Centrum' op te richten voor eenheid rond Oranje.

Het huwelijk van Beversluis was toen reeds gestrand. In 1937 hertrouwde hij met Jo Verstraate, de Veerse schrijfster die onder het pseudoniem Dignate Robbertsz populaire streekromans schreef. Van Blaricum vertrok hij naar Zeeland, waar hij zich uiteindelijk in oktober 1939 in een huis in de duinen bij Vrouwenpolder vestigde. De Zeeuwen en de weidse schoonheid van het landschap zou hij sindsdien in vele toonaarden bezingen.

In juli 1938 werd Beversluis redactielid van de zieltogende Nieuwe Gids , het eens geruchtmakende tijdschrift, dat inmiddels in handen was gekomen van de rijke fascist Alfred Haighton. Tot in 1943, het jaar waarin het blad door de Duitsers werd opgeheven, zou hij redactielid blijven. Gedreven door zijn nieuwe nationalisme had Beversluis zich - wederom samen met Zwertbroek - in april 1940 onmiddellijk aangesloten bij het Nationaal Front van Arnold Meijer. In De Weg , het weekblad van het Front, beleed hij de Groot-Nederlandse gedachte. Na de Duitse inval trok hij zich schielijk uit Meijers gelederen terug om, na eerst de ontwikkelingen te hebben afgewacht, in januari 1941 lid te worden van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB).

In Zeeland had Beversluis een slechte verhouding met Jan Dekker, de districtsleider van de NSB, met wie hij - in de rol van 'hoofdopsteller' - het propagandablad De Zeeuwsche Stroom maakte. Daarentegen wist Willi Münzer, Beauftragte des Reichskommissars, hem uitstekend te bespelen om zijn rol als dichter van het volk, nu op nationaal-socialistische wijze, te vervullen, een beroep dat ook Anton Mussert al op hem had gedaan. In 1941 werd hij lector bij het Departement van Voorlichting en Kunsten, dat hem in deze jaren ook enige malen een subsidie uitkeerde. Beversluis werkte voor de Nederlandsche Omroep en bleef actief als vertaler van Duitse boeken, al ging het nu om geschriften met een nationaal-socialistische strekking. Eigen werk publiceerde hij onder meer in de antisemitische Misthoorn en de Zeeländer Wachtposten , het blad van Münzer dat het contact tussen bezetter en bevolking moest bevorderen. De 'grotere arbeid ..., nationalistisch doch op een breed niveau', waarvan Beversluis droomde, was waarschijnlijk Het zaad , een 'sonnettenkrans' die in oktober 1943 met begeleiding van een symfonieorkest voor de radio werd gedeclameerd.

De wrijvingen met Dekker, en misschien ook de geringe bevlogenheid van de NSB, leidden ertoe dat Beversluis in 1942 zijn lidmaatschap opgaf en zich aansloot bij de Nederlandsche SS. Dat zijn contact met de Duitse bezetter goed was, bleek hieruit dat hij in 1944 waarnemend burgemeester van Veere en later ook van Vrouwenpolder werd. Op Dolle Dinsdag bleef hij op zijn post en werd daarvoor door Reichskommissar Seyss-Inquart beloond met het Kruis van Verdienste der 2e klasse. Bij het oprukken van de geallieerde legers verliet hij op gezag van Münzer Zeeland en trok naar Drenthe.

Beversluis werd na de bevrijding in Friesland gearresteerd en geïnterneerd in kamp Vught, waar hij de afdeling Ontwikkeling en Ontspanning zou leiden. In april 1947 werd hij vrijgelaten, in een - blijvend - slechte gezondheid. Vanaf 1949 woonde hij weer in Vrouwenpolder. De Eereraad voor de Letteren legde hem een publikatieverbod van tien jaar op, dat in hoger beroep in 1948 werd teruggebracht naar drie jaar; als journalist kreeg hij een verbod van twintig jaar. De katholieke uitgeverij 'Urbi et Orbi' nam hem in dienst, en de Katholieke Radio Omroep zond hoorspelen uit die hij onder het pseudoniem Silvius Berckhout schreef.

Aan het einde van zijn leven meende Beversluis na de oorlog slecht te zijn behandeld, 'voortdurend van alle kanten gepest, gemeden en belasterd' (Haagse Post , 30-5-1964). Hij schreef Het zingende woord. Inleiding tot de dichtkunst en haar techniek en in onveranderde stijl nog een groot aantal dichtwerken die in het teken stonden van de strijd tegen 'de Boze' en vooral in christelijke kring waardering vonden. Op zijn oude brommer reed hij, opvallend 'artistiek' gekleed en met een wijde, witte haardos door het Zeeuwse land, zich nadrukkelijk vereenzelvigend met een ouderwets beeld van de dichter als bard. Als hij van de trap zou vallen, meende een vriend, zou hij dat nog op rijm doen.

Beversluis had meer ambitie dan talent, waardoor hij uiteindelijk op ideologische dwaalwegen belandde. Een groot technisch dichterlijk kunnen werd niet gevoed door een zuivere bezieling; de pose leek de waarachtigheid te domineren. Hij was gemakkelijk onder de indruk. Volgzaamheid en aansluiting bij verschillende personen, partijen, stijlen en levensbeschouwingen kenmerken zijn leven, en de gedachte aan opportunisme en een zwakke ruggegraat is daarbij niet altijd te vermijden

A: Archief-M. Beversluis en een verzameling kranteknipsels in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage. Documentatiedossier-M. Beversluis in het Rijks Instituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam.

P: Een onvolledige bibliografie tot 1944 is opgenomen in Het zaad. Een sonnettenkrans (Amsterdam, 1944) 41-44. Daarna verscheen nog o.a. De krans der uren (Nijkerk, 1955).

L: Behalve artikelen in De Standaard , 17-3-1937, en de Haagse Post , 30-5-1964: D.A.M. Binnendijk, 'Martien Beversluis', in idem, Commentaar (Maastricht, 1931) 106-109; Nieuwe geluiden. Een keuze uit de hedendaagsche poëzie . Bijeengebr. en ingel. door Dirk Coster (4e, herz. en bijgew. dr.; Arnhem, 1932) xxxvi-xxxvii; J.A. Rispens, Richtingen en figuren in de Nederlandsche letterkunde na 1880 (Kampen, 1938) vooral 302-306; André Oosthoek, 'Een ellendige kruiper', in Maatstaf 18 (1970) 64-69; L.W. de Bree, Zeeland 1940-1945 I (Middelburg, 1979); Martinus Nijhoff, Verzameld Werk . II: Kritisch en verhalend proza (Amsterdam, 1982) 158-160, 348-349, 506-510; Adriaan Venema, Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie . II: De harde kern (Amsterdam, 1989) vooral 177-210; Gijs van der Ham, Zeeland 1940-1945 II (Zwolle, 1990).

I: Genôch?: wirken fen Martien Beversluis út syn "Aanklacht". Forfryske troch J.M. Yestra (Arnhem 1931) 6.

Marc Kooijmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013