Bijvanck, Alexander Willem (1884-1970)

 
English | Nederlands

BIJVANCK, Alexander Willem (1884-1970)

Bijvanck, Alexander Willem, (bekend onder de naam Byvanck), archeoloog en historicus (Leiden 4-7-1884 - Leiden 16-8-1970). Zoon van Geertrudus Cornelis Willem Bijvanck (bekend onder de naam W.G.C. Byvanck), bibliothecaris en literator, en Clara Everharda Cramerus. Gehuwd op 14-1-1925 met Johanna Emilie Hintzen. Na echtscheiding (23-12-1947) gehuwd op 20-1-1948 met jkvr. Hortense Anne Louise Elisabeth Quarles van Ufford. Uit beide huwelijken werden geen kinderen geboren. afbeelding van Bijvanck, Alexander Willem

Alexander Byvancks vader was leraar, en vanaf 1894 bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. De zoon bezocht het Gymnasium Haganum, en begon in 1902 met de studie klassieke letteren in Leiden, die hij op 19 oktober 1907 afsloot met het doctoraal examen. Byvancks belangstelling ging vooral uit naar archeologie en kunstgeschiedenis. Alvorens hij op 26 september 1912 cum laude promoveerde bij prof. A.E.J. Holwerda op De Magnae Graeciae Historia Antiquissima had Bijvanck reeds grote reizen naar Griekenland en Italië gemaakt. Sinds 1909 was hij werkzaam bij het Museum Meermanno-Westreenianum. Voor dit Haagse museum schreef hij het in 1912 verschenen eerste deel van de Gids voor de bezoekers... . Een loopbaan als bibliothecaris leek in het verschiet te liggen; van 1913 tot 1922 was Byvanck conservator van de handschriften aan de Koninklijke Bibliotheek, het laatste jaar tevens onderbibliothecaris. Vrucht van deze aanstelling was een grote catalogus die samen met G.J. Hoogewerff tussen 1921 en 1925 in drie delen werd uitgegeven: Noord-Nederlandsche miniaturen in handschriften der 14e, 15e en 16e eeuwen . Andere publikaties op dit terrein zouden nog volgen.

Byvancks roeping lag toch niet in de bibliotheek. Sinds 1917 was hij privaatdocent in Leiden voor klassieke archeologie. In 1922 kwam de benoeming tot hoogleraar in de archeologie en oude geschiedenis te Leiden, een ambt dat aanvaard werd met een rede over Het Hellenisme en zijn strijd in de antieke wereld . De klassieke archeologie vormde voor Byvanck het hart van zijn leeropdracht, en daar is ook een reeks publikaties uit voortgevloeid. Zijn baanbrekende werk richtte zich echter op de archeologie van Nederland, vooral in de Romeinse periode. Als classicus werkte hij vrijwel uitsluitend vanuit de teksten; opgravingen waren niet voor hem. De grote uitgave der Excerpta Romana , in drie delen tussen 1931 en 1947 verschenen, bracht de 'bronnen der Romeinsche geschiedenis van Nederland'. Op grond hiervan verscheen in 1943 de samenvattende beschrijving in twee delen Nederland in den Romeinschen tijd .

Het terrein van Byvancks leeropdracht was veelomvattend, al kwam er verlichting door de benoemingen vanwege het Leidsch Universiteits Fonds van J.H. Thiel tot bijzonder hoogleraar in de oude geschiedenis in 1930 en van H.M.R. Leopold tot bijzonder hoogleraar in de Italische Archaeologie in 1938. Byvancks ruime belangstelling en grote werkkracht maakten het hem mogelijk tot op hoge leeftijd over uiteenlopende onderwerpen te publiceren. Ook na zijn emeritaat in 1954 verflauwde die stroom niet, getuige onder andere het vijfdelige overzicht De Kunst der Oudheid dat hij tussen 1946 en 1965 publiceerde.

Byvanck bleek bovendien een geschikt man voor bestuurlijke functies. In 1940 vervulde hij de functie van rector magnificus. Hij was voorzitter van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, voorzitter van de Nederlandse Vereniging het Huis voor Kunsten en Wetenschappen te Rome, tweemaal voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, voorzitter van de A-afdeling van de Raad van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek, terwijl hij voorts deel uitmaakte van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis en de Union Académique Internationale. In 1946 werd Byvanck lid van de Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen.

Byvanck was geen boeiende docent, maar hij had wel grote faam als stimulerend leider en organisator van excursies naar Griekenland en Italië. Zijn persoonlijkheid is geschetst als 'imponerend en autoritair' (Den Boer, Jaarboek , 247). Een afstandelijk man, die weinigen tot zijn privé-leven toeliet. Een hoogleraar van de oude stempel, die zijn sporen heeft verdiend als organisator en initiator

A: Collectie-A.W. Byvanck in de afdeling Westerse handschriften in Universiteits Bibliotheek te Leiden.

P: L. Byvanck-Quarles van Ufford, bibliografie tot en met 1953, in Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 5 (1954) 309-331 en eadem, bibliografie tot en met 1969 in Bulletin van de Vereeniging tot bevordering der kennis van de Antieke Beschaving 46 (1971) 9-22.

L: G.J. Hoogewerff, in Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 5 (1954) vii-ix; P. Glazema, in Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 5 (1954) 5; G. van Hoorn en D. Cohen, in Bulletin ... Antieke Beschaving 29 (1954) 1-3; W. den Boer, ibidem 39 (1964) [ii-iv]; A.N. Zadoks-Josephus Jitta, in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 85 (1970) 359; J.J. Poelhekke, in Mededelingen van het Nederlands Historisch Instituut te Rome 35 (1971) 12-16; W. den Boer, in Jaarboek [der] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1970 (Amsterdam, 1971) 246-255; J.H. Waszink [e.a.], in Bulletin... Antieke Beschaving 46 (1971) 2-8.

I: Varia historica. Aangeboden aan professor doctor A.W. Bijvanck... (Leiden 1954) afbeelding tegenover titelblad.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013