Boekman, Emanuel (1889-1940)

 
English | Nederlands

BOEKMAN, Emanuel (1889-1940)

Boekman, Emanuel, politicus (Amsterdam 15-8-1889 - Amsterdam 15-5-1940). Zoon van Maurits Boekman, diamantslijper, later boekhandelaar, en Heintje Peereboom. Gehuwd op 6-6-1918 met Jansje Nerden. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. afbeelding van Boekman, Emanuel

Manus Boekman werd geboren in een joods milieu in de Amsterdamse arbeiderswijk 'De Pijp', als oudste van de acht kinderen van een marktkoopman in tweedehands boeken. Na de lagere school werd hij leerling-letterzetter bij de firma Binger. Door zelfstudie in de avonduren leerde Boekman zichzelf zo goed Engels, dat hij spoedig werd belast met het verrichten van vertaalwerk. Hij deed examen voor telegrafist en was vervolgens, van 1909 tot 1911, als hulptelegrafist werkzaam op het hoofdpostkantoor in Amsterdam.

Reeds van jongsaf had Boekman politieke belangstelling. Hij trad toe tot de Typografen Jongelingen Vereeniging en werd in 1907 - achttien jaar oud - voorzitter van de afdeling Amsterdam van deze vakbond. Ook speelde hij spoedig een actieve rol in de Algemeene Nederlandsche Typografenbond, waarin tot vóór de Eerste Wereldoorlog een sterk anarchistische sfeer heerste. Onder invloed hiervan was Boekman aanvankelijk een volgeling van F. Domela Nieuwenhuis. Zo publiceerde hij in 1910 het artikel 'Volksontwikkeling' (in De Vrije Socialist , 5-2-1910), een scherpe aanval op de sociaal-democratische cultuurpolitiek.

In zijn vrije tijd studeerde Boekman voor de middelbare aktes staathuishoudkunde en staatsinrichting, waarvoor hij in 1911 en 1913 met succes de examens aflegde. Inmiddels was hij in 1911 benoemd tot chef de bureau bij de Haveninspectie. In deze functie hield hij zich in het bijzonder bezig met de invoering van de Stuwadoorswet. Vijf jaar later trad hij als chef van de afdeling Wiskunde en Statistiek in dienst bij de Rijksverzekeringsbank. Tot 1931 zou Boekman hier een succesrijke ambtelijke carrière doorlopen, intussen een groot aantal artikelen over zeer uiteenlopende onderwerpen publicerend in wetenschappelijke tijdschriften en week- en dagbladen. Zo verscheen van hem een studie over het werken in de havens, schreef hij talrijke artikelen op statistisch en economisch gebied en publiceerde hij over criminaliteit, werkloosheid en alcoholmisbruik.

In politiek opzicht schoof Boekman in deze jaren steeds meer op van het anarchisme naar de sociaal-democratie. Toch duurde het nog tot 1913 voordat hij toetrad tot de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), en in de eerste jaren van zijn partijlidmaatschap schaarde hij zich nog duidelijk in de rijen van de oppositie. Boekman vervulde een aantal functies in de Amsterdamse partijorganisatie, en in 1920 werd hij benoemd tot secretaris van de Commissie voor het Politiek Systeem, die het SDAP-congres moest rapporteren over de ideeën van parlementair leider P.J. Troelstra inzake een socialistische staatsinrichting.

In 1921 werd Boekman gekozen tot lid van de Amsterdamse gemeenteraad voor de SDAP. Hij stond weliswaar niet op een verkiesbare plaats, maar door het electorale succes en omdat enige hoger op de lijst geplaatste kandidaten bedankten, kreeg Boekman toch een zetel. Reeds in 1924 koos de fractie hem tot haar voorzitter, een bewijs dat hij zich in de gemeenteraad in korte tijd een dominante positie had weten te veroveren. Afgezien van de algemene politieke beschouwingen hield hij zich in de raad vooral bezig met onderwijs- en kunstzaken. Daarbij vond hij met name in C.P.M. Romme, de fractievoorzitter van de Roomsch-Katholieke Staatspartij en een krachtig verdediger van het bijzonder onderwijs, een geduchte tegenspeler; met hem voerde hij dan ook menig fel debat.

Toen de sociaal-democraat F.M. Wibaut op 1 september 1931 aftrad als wethouder, nam zijn partijgenoot Ed. Polak, tot dan toe belast met Onderwijs en Kunstzaken, diens plaats in op Financiën en kwam Boekman als nieuw lid in het college van Burgemeester en Wethouders, waar hij de door Polak afgestane portefeuilles ging beheren. De economische situatie van Nederland in de jaren dertig vormde voor Boekman een buitengewoon ongunstig uitgangspunt voor het voeren van een vooruitstrevend onderwijsbeleid. De bezuinigingen van het rijk hadden directe gevolgen voor de onderwijsuitkeringen aan de gemeenten: opheffing en concentratie van scholen, wijziging van de leerlingenschaal en verlaging van salarissen van de onderwijzers en leraren.

Zijn grote bekendheid zou Boekman echter verwerven op het gebied van de Kunstzaken. Hier voerde hij een actief beleid, gericht op het toegankelijk maken van theater, muziek en beeldende kunst voor de arbeidersklasse, waarbij in het bijzonder de vrijheid van de kunst - vooral waar het toneel betrof - door hem krachtig werd verdedigd. De debatten in de Amsterdamse gemeenteraad over kunstzaken genoten tijdens het wethouderschap van Boekman grote belangstelling, niet het minst door zijn herhaalde botsingen met het communistische raadslid D.J. Wijnkoop. Hoewel in de persoonlijke omgang vriendelijk en voorkomend en doorgaans tolerant tegenover politieke tegenstanders, bejegende de fel anticommunistische Boekman hem sarcastisch en vaak arrogant.

Door interne conflicten over de loonpolitiek traden de sociaal-democratische wethouders op 18 september 1933 uit het college van B. en W. Boekman zou zich in deze ambteloze periode intensief bezighouden met zijn studie in de sociale geografie aan de Universiteit van Amsterdam, die hij - na het afleggen van het colloquium doctum - kort vóór zijn wethouderschap was begonnen. Gedurende dit intermezzo schreef hij zijn doctoraalscriptie Demografie van de joden in Nederland , die in 1936 als boek zou verschijnen. Deze scriptie vormde de culminatie van een aantal voorstudies die Boekman in de voorafgaande jaren had gepubliceerd in de vorm van statistisch-historische artikelen over joodse onderwerpen, zoals het gemengde huwelijk, de verdwijning van het getto en de welstand van de joden in Amsterdam. In oktober 1937 behaalde hij het doctoraal examen.

In deze jaren raakte Boekman ook nauw betrokken bij de discussies in de SDAP om, in verband met de gewijzigde economische en politieke omstandigheden, veranderingen aan te brengen in het programma en de tactiek. In 1927 was hij lid geworden van het partijbestuur en in 1931 hoofdredacteur van de De Sociaal-Democraat , een blad bedoeld als discussieorgaan tussen de linkse en rechtse stroming in de partij. In deze periodiek schreef Boekman - die zich in de loop der jaren steeds meer in een gematigde politieke richting had ontwikkeld - over zijn ideeën de SDAP te verbreden tot een algemene volkspartij die afstand moest nemen van de eis tot ontwapening, de monarchie als staatsvorm behoorde te aanvaarden en bereid moest zijn tot samenwerking in een regering van vrijzinnige en confessionele partijen. In 1935 stelde de SDAP een commissie in ter herziening van het beginselprogram, waarvan ook Boekman deel uitmaakte. In haar rapport - dat in 1937 zou leiden tot een nieuw beginselprogram - vond hij voor een groot gedeelte zijn gedachten terug.

Op 3 september 1935 trad wederom een college aan met sociaal-democratische wethouders, en Boekman beheerde hierin opnieuw de portefeuilles van Onderwijs en Kunstzaken. Ondanks een optimistische start kreeg de SDAP met grote moeilijkheden te kampen op het gebied van de werkgelegenheid en de woningbouw.

De laatste jaren van Boekmans wethouderschap werden sterk beïnvloed door de internationale situatie en de jodenvervolging in Duitsland. Al op jeugdige leeftijd had Boekman gebroken met de joodse godsdienst, en ofschoon hij geheel in de Nederlandse samenleving was geïntegreerd, bleef hij zich verbonden voelen met het joodse volk. 'Mijn vader leefde in twee werelden', zo typeerde zijn dochter hem later. In joodse organisaties, zoals het Joodsche Vluchtelingen Comité, of bij de bestrijding van het antisemitisme, bleef hij op de achtergrond. Pas kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog trad hij toe tot de socialistisch-zionistische organisatie Poale-Zion, niet zozeer uit ideologische overwegingen, maar als een reactie op de behandeling die de joden in nazi-Duitsland te beurt viel.

Een hoogtepunt in Boekmans leven was de promotie op 6 juni 1939 aan de Universiteit van Amsterdam bij prof. H.N. ter Veen op het proefschrift Overheid en kunst in Nederland . Naast een uitvoerig overzicht van de houding van de overheid tegenover de kunst in de 19e en 20e eeuw, zette Boekman hierin zijn denkbeelden uiteen ten aanzien van een toekomstig cultuurbeleid - onder andere het verspreiden van kunst onder het volk, het verstrekken van kunstopdrachten bij nieuwbouw - voor Rijk en gemeenten.

De laatste gemeenteraadsvergadering die Boekman bijwoonde, vond plaats op 1 mei 1940. Bij de inval van de Duitsers, negen dagen later, weigerde hij aanvankelijk, in navolging van zijn dochter en schoonzoon, het land te verlaten, omdat hij dat zag als desertie van een jood in een leidende maatschappelijke positie. Toen hij kort daarna alsnog een poging deed om via IJmuiden te ontkomen, was het te laat. Op de dag van de capitulatie maakten Boekman en zijn vrouw een einde aan hun leven.

Boekman heeft in de SDAP een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van de sociaal-democratie die uiteindelijk zou uitmonden in de oprichting van de Partij van de Arbeid in 1946. Inzake de verhouding tussen overheid en kunst moeten zijn wethouderschap voor kunstzaken en zijn dissertatie uit 1939 van grote betekenis worden geacht voor het naoorlogse kunstbeleid van de overheid. In 1963 werd de Boekmanstichting opgericht: een wetenschappelijk instituut voor onderzoek naar vraagstukken van kunstbeleid

A: Archief-E. Boekman in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

P: Marjolein van der Tweel, 'Bibliografie van dr. E. Boekman', in de onder L genoemde publikatie Het leven als leerschool , 169-176. Hierin zijn ook zestien artikelen en voordrachten van Boekman over kunst en cultuur uit de jaren 1926-1939 opgenomen (pp. 95-167).

L: Behalve herdenkingsartikelen o.a. door S. Mok, in Nieuw Israelietisch Weekblad , 16-8-1946; Piet Bakker, in Elseviers Weekblad , 26-10-1946; S. Mok, in De Nieuwe Stem 1 (1946) 311-316; J. Winkler, in Socialisme en Democratie 3 (1946) 109-113: W.H. Vliegen, 'E. Boekman', in Die onze kracht ontwaken deed. Geschiedenis der Sociaaldemocratische Arbeiderspartij in Nederland gedurende de eerste 25 jaren van haar bestaan . III: 1914-1919 (Amsterdam, 1921) 375-377; Abel Herzberg, 'Dr. Emanuel Boekman', in idem, De man in de spiegel. Opstellen, toespraken en kritieken, 1940-1979 (Amsterdam, 1980) 134-152; Tony Jansen en Jan Rogier, Kunstbeleid in Amsterdam 1920-1940. Dr. E. Boekman en de socialistische gemeentepolitiek (Nijmegen, 1983); lemma door Tony Jansen, in Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland . Onder red. van P.J. Meertens [e.a.], II (Amsterdam, 1987) 17-20; Het leven als leerschool. Portret van Emanuel Boekman . Onder red. van Hans van Dulken en Tony Jansen (Amsterdam, 1989); J. Bosmans, Romme. Biografie 1896-1946 (Utrecht, 1991); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie ('s-Gravenhage, 1993).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 165.

G.W.B. Borrie


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013