Boer, Coenraad Lodewijk (1891-1984)

 
English | Nederlands

BOER, Coenraad Lodewijk (1891-1984)

Boer, Coenraad Lodewijk (door naamstoevoeging bij KB van 23-4-1930 no. 61 gewijzigd in Walther Boer), legerofficier en dirigent ('s-Gravenhage 2-9-1891 - Lochem 15-3-1984). Zoon van Richard Constant Boer, hoogleraar Oudnoors, en Helena Johanna Walther. Gehuwd op 9-10-1915 met Micheline Louise Caroline Bröcker. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (9-10-1922) gehuwd op 28-10-1926 met Wilhelmina Christina Jacoba Groeneijk. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Boer, Coenraad Lodewijk

Louis Boer groeide op in een gezin waarin men veel tijd besteedde aan muziekbeoefening. Na het Barlaeus Gymnasium te hebben doorlopen studeerde hij aan het Amsterdamse Conservatorium muziek bij Daniël de Lange, Julius Röntgen en Bernard Zweers. Van Isaac Mossel kreeg hij onderricht in het bespelen van de violoncel. In 1910 deed hij met goed gevolg eindexamen en in 1912 behaalde hij als cellovirtuoos de Prix d'Excellence. Onmiddellijk hierna vertrok hij naar Nice, waar hij als solocellist werk vond in het orkest van het Casino Municipal. In 1913 verbond hij zich in dezelfde hoedanigheid aan een symfonie- en operaorkest in het Russische Riga.

Boer, wiens moeder uit een oud officiersgeslacht stamde, was inmiddels in november 1910 vrijwillig een militaire loopbaan begonnen als aspirant-vaandrig bij het 7e Regiment Infanterie. Tijdens de mobilisatie was hij van 1914 tot 1919 als reserve-luitenant gelegerd in Zeeland. Af en toe werd hem de gelegenheid geboden als cellist op te treden bij het Amsterdamse Concertgebouworkest, het Residentieorkest en de Arnhemsche Orkestvereeniging. Bij het laatste orkest was hij na de mobilisatie werkzaam als cellosolist en tweede dirigent, terwijl hij in 1920 directeur was van de Concertvereeniging Haarlem's Muziekkorps, dat hij van een harmonie- tot een symfonieorkest maakte.

Op 15 september 1920 werd Boer directeur van de Koninklijke Militaire Kapel. Deze functie aanvaardde hij niet zonder enige aarzeling, omdat hij zich als cellist aanvankelijk meer tot de symfonische muziek voelde aangetrokken. Toen uit bezuinigingsoverwegingen het aantal militaire muziekkorpsen in 1923 werd ingekrompen, kon de kapel worden samengesteld uit de bekwaamste muzikanten uit de opgeheven korpsen. Hierdoor en dank zij de deskundige en veeleisende directie van de - in 1921 tot eerste luitenant en in 1930 tot kapitein bij het regiment grenadiers bevorderde - Boer kwam de kapel op een muzikaal zeer hoog peil te staan. Naast optredens bij militaire evenementen in binnen- en buitenland gaf het muziekkorps in Den Haag en Rotterdam wekelijks concerten voor de burgerij, wat hem grote populariteit bezorgde, totdat in de jaren dertig de publieke belangstelling afnam.

Voor deze concerten heeft Boer - die in 1930 zijn naam liet uitbreiden met de familienaam van zijn moeder tot Walther Boer - een groot aantal uitstekende bewerkingen voor harmoniebezetting geschreven. Ook werden verscheidene grammofoonplaten gemaakt en trad men vaak op voor de radio. In de vooroorlogse periode heeft Walther Boer ook gastdirecties vervuld bij symfonieorkesten, waarbij zijn voorliefde voor oratoria- en opera-uitvoeringen tot uiting kwam. Voorts was hij dirigent van het Leidse studentenmuziekgezelschap 'Sempre Crescendo', van de Haagsche Onderwijzers-Zangvereeniging en van Die Haghe Sangers. Van 1919 tot 1945 had Walther Boer bovendien een betrekking als leraar violoncel aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Naast al deze werkzaamheden zag Walther Boer ook nog kans de studie musicologie te vervolgen die hij in 1930 aan de Rijksuniversiteit te Utrecht bij prof. A.A. Smijers was begonnen. In 1938 promoveerde hij als de eerste in Nederland in de muziekwetenschappen. Zijn proefschrift, waarmee hij op 1 juli 1938 een graad in de letteren en wijsbegeerte verwierf, had als onderwerp Chansonvormen op het einde van de XVde eeuw.Een studie naar aanleiding van Petrucci's 'Harmonice Musices Odhecaton '.

In mei 1940, na de capitulatie van het Nederlandse leger, werd de Koninklijke Militaire Kapel ontbonden, en daarmee raakte Walther Boer zijn directeursfunctie kwijt. Vanaf november van dat jaar, nadat de Duitse bezetter de joodse directeur van het Haagse conservatorium tot ontslag had gedwongen, trad hij een jaar lang als waarnemend directeur op. In mei 1942 belandde Walther Boer, samen met de andere beroepsofficieren van het Nederlandse leger, in Duitse krijgsgevangenschap. Hij werd geïnterneerd in het kamp Stanislau in Polen. Na aankomst daar vormde hij een mannenkoor, dat vaderlandse liederen zong. Op deze wijze hielp hij het moreel in het kamp hoog te houden. Dank zij de daarna door tussenkomst van het Roode Kruis ontvangen muziekinstrumenten, kon hij een strijkkwartet, enige bandjes en een orkest samenstellen, waarmee hij resultaten behaalde die ieders respect afdwongen.

Vanaf de bevrijding tot 15 september 1945 trad Walther Boer nogmaals op als directeur van de herenigde Koninklijke Militaire Kapel. Verder vervolgde hij zijn muzikale loopbaan als rijksinspecteur voor het muziekonderwijs en was hij bovendien sinds 1946 inspecteur der militaire muziek. Walther Boer had zitting in de Eereraad voor Muziek, die de politieke antecedenten van Nederlandse musici tijdens de Duitse bezetting moest beoordelen. Voorts trad hij dikwijls op als examinator bij muziekexamens - onder andere als rijksgecommitteerde bij conservatoriumexamens - en maakte hij als musicoloog deel uit van verscheidene muziekcommissies.

Na de Tweede Wereldoorlog doorliep Walther Boer, die bekend stond om zijn uiterst formeel en traditiegehecht optreden, verschillende militaire rangen. In 1963, bij het neerleggen van zijn inspecteurstaak, werd hij wegens zijn verdiensten bevorderd tot brigade-generaal titulair. Na zijn pensionering was hij vanaf 1 september 1954 dirigent bij het Radio Philharmonisch Orkest en bij het Omroeporkest van de Nederlandse Radio Unie. Bij dit laatste orkest bleef hij, na zijn vertrek in 1963, nog enige jaren als gastdirigent optreden. Hij overleed op 92-jarige leeftijd in Lochem, waar hij zich in zijn landhuis 'Rustig Plekje' had teruggetrokken.

A: Het particulier archief Walther Boer berust bij de familie.

P: De Koninklijke Militaire Kapel (1876-1926) en Het Muziekkorps van de Grenadiers en Jagers (1829-1876) ('s-Gravenhage, 1926); 'De Koninklijke Militaire Kapel', in De Hollandsche Revue 34 (1929) 689-693; Het Anthonius-Motet van Anthonius Busnois (Amsterdam, 1940); Neêrland's Muziekleven . I: Nederlandsche componisten van de XVe en XVIe eeuw ('s-Gravenhage [1944]); 'Wat is amusementsmuziek?', in Mens en melodie 5 (1950) 56-58.

L: H.G. Cannegieter, 'C.L. Walther Boer', in Morks-Magazijn 34 (1932) 337-346; Wouter Paap, 'Muziekonderwijs in Nederland', in Mens en melodie 5 (1950) 56; 'Dr. C.L. Walther Boer - musicus en organisator - 70 jaar', in Nieuwe Rotterdamse Courant , 1-9-1961; R. van Yperen, De Nederlandse militaire muziek (Bussum, 1966); Lambrecht den Haan, Turf in je ransel. 100 jaar Koninklijke Militaire Kapel (Bussum, 1976); John Kasander, 150 jaar Koninklijk Conservatorium. Grepen uit de geschiedenis (['s-Gravenhage] 1976); 'Dr. C.L. Walther Boer, onze eerste promovendus in musicologie overleden', in Mens en melodie 39 (1984) 202; Lambrecht den Haan sr., 'Dr. C.L. Walther Boer, een uniek Hagenaar', in Jaarboek Geschiedkundige Vereniging Die Haghe 1988 ('s-Gravenhage, s.a.) 113-125.

I: Jaarboek Geschiedkundige Vereniging Die Haghe 1988 ('s-Gravenhage, s.a.) 112.

A.W.J. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013