Boer, Jan Hendrik de (1899-1971)

 
English | Nederlands

BOER, Jan Hendrik de (1899-1971)

Boer, Jan Hendrik de, scheikundige (Ruinen (D.) 19-3-1899 - 's-Gravenhage 26-4-1971). Zoon van Jan de Boer, hoofd van een school, en Jantina Beredina Somer. Gehuwd op 2-11-1923 met Grietje Hilbrands. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Na echtscheiding (25-2-1946) gehuwd op 14-3-1946 met Evangeline Annie Malcolm Swanson. afbeelding van Boer, Jan Hendrik de

De Boer ging, na de HBS in Assen te hebben bezocht, in 1917 aan de Groningse universiteit scheikunde studeren. Tijdens zijn studie was hij sinds 1919 assistent voor anorganische en fysische chemie en vanaf 1921 voor organische chemie. In 1920 aanvaardde hij een leraarschap aan de HBS-afdeling van het particuliere Instituut 'Hommes' te Hoogezand. Op 17 maart 1922 legde De Boer het doctoraal examen af, en ruim een jaar later, op 25 april 1923, promoveerde hij in Groningen bij prof. H.J. Backer op een proefschrift over Alpha-sulfo-boterzuur . Twee maanden later trad hij als chemicus in dienst van het Natuurkundig Laboratorium van de NV Philips' Gloeilampenfabrieken te Eindhoven.

Op het Natuurkundig Laboratorium van Philips hield De Boer zich, in nauwe samenwerking met de eveneens daar werkzame chemicus A.E. van Arkel, bezig met de fundamentele problemen van een zich snel uitbreidende elektrotechnische industrie. Dit leidde tot een serie artikelen over de toepassing van de theorie van Kossel op het verschijnsel van de chemische binding, die vanaf 1924 verschenen in het Chemisch Weekblad . Deze artikelen werden zes jaar later gebundeld in het boek Chemische binding als electrostatisch verschijnsel - met een supplement in 1937 -, dat in het Duits, Frans en Engels werd vertaald.

In 1924 ontdekten De Boer en Van Arkel een proces voor de scheiding van de chemische elementen hafnium en zirconium door gefractioneerde kristallisatie, dat zij beschreven in het Zeitschrift für anorganische und physikalische Chemie (141 (1924) 289-296). In het daaropvolgende jaar wisten zij deze elementen in de vorm van buigzame, geheel zuivere en gekristalliseerde metalen te verkrijgen door de thermische ontleding van de vluchtige jodiden aan een hete draad (ibidem 148 (1925) 345-350). Dit belangrijke metallurgische proces, waarvan het idee afkomstig was van De Boer, werd door hem met zijn medewerker J.D. Fast in 1926 en 1930 verder technisch uitgewerkt.

In de jaren dertig verrichtten De Boer en zijn medewerkers in het Natuurkundig Laboratorium van Philips onderzoek op velerlei terrein. Zo bestudeerde hij samen met M.C. Teves de foto-emissie van lagen bestaande uit geadsorbeerde alkaliatomen op een of andere onderlaag, onderzocht hij met W.Ch. van Geel het inwendige foto-effect en de gelijkrichting met halfgeleiders en deed hij samen met C.J. Dippel, J.F.H. Custers en C.F. Veenemans onderzoek naar adsorptieverschijnselen op onder meer zoutlagen en metalen.

Toen Van Arkel in 1934 een benoeming als hoogleraar in de anorganische scheikunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden aanvaardde, werd De Boer in Eindhoven het middelpunt van het fysisch-chemisch onderzoek bij Philips. Met E.J.W. Verwey deed hij in 1936 onderzoek naar oxydische verbindingen van spinelstructuur XY+2 O+4 (X en Y metaalionen). Een jaar later publiceerde De Boer zijn theorie van de kleurcentra in alkalihaliden in het Recueil des travaux chimiques des Pays-Bas (56 (1937) 301-309). De Boer was een van de eerste scheikundigen die het belang inzagen van de elektrische dubbellaag en van de Van der Waalskrachten voor colloïdale systemen. Dit leidde onder meer in 1939 tot een - samen met Verwey en H.C. Hamaker ontwikkelde - nieuwe methode voor de elektroforetische bedekking van metalen uit watervrije suspensies. In de periode vóór 1939 komt uit De Boers publikaties en octrooiaanvragen een origineel onderzoeker naar voren, die steeds in termen van interatomaire en intermoleculaire wisselwerkingen dacht en bij wie theoretisch onderzoek steeds samenging met praktische toepassing.

Gedurende de mobilisatie van 1939/1940 stond De Boer aan het hoofd van het Centraal Laboratorium voor Defensievraagstukken in Leiden. Op 14 mei 1940 week hij uit naar Groot-Brittannië, waar hij in het Imperial College of Technology voor het Ministry of Supply zijn Leidse onderzoek voortzette, eerst in de rang van kapitein, later van majoor. Hij was lid van de Buitengewone Raad van Advies van de Nederlandsche regering in Londen en werd in 1944 als luitenant-kolonel - later kolonel - door de Nederlandse regering betrokken bij de organisatie van het Militair Gezag.

Na de bevrijding hervatte De Boer zijn onderzoek, sinds 1946 in een leidende functie bij de Unilever Research Organization in Groot-Brittannië, van 1950 tot 1962 als wetenschappelijk adviseur op het Centraal Laboratorium van de Staatsmijnen. Bovendien was hij van 1946 tot en met 1969 buitengewoon hoogleraar aan de Technische Hogeschool te Delft met de (ruime) leeropdracht 'bijzondere onderwerpen der scheikundige technologie'. In zijn functies in het bedrijfsleven hield De Boer zich wederom op originele wijze bezig met problemen van de chemische procesindustrie. Vooral het vraagstuk van de heterogene katalyse vormde voor hem en zijn medewerkers een hoofdthema van het onderzoek. Er werd daarbij niet alleen gezocht naar wetmatigheden in de elektronenemissie van monoatomair bedekte oppervlakken, maar ook naar de structuur van katalysatoren en katalysatordraagmaterialen. Reeds in 1935 had De Boer het boek Electron emission and adsorption phenomena gepubliceerd, waarover G.C.A. Schuit later zou opmerken: 'Tevergeefs zal men in de subject-index naar het woord katalyse zoeken: dit begrip wordt er niet in genoemd. Nu, meer dan dertig jaar later, zou men niettemin kunnen poneren dat dit boek het begin was van wat later wel eens de "Dutch school of Catalysis" is genoemd' (Schuit, 19). Het was dan ook aan De Boer te danken dat in ons land het fundamentele onderzoek over katalyse na 1946 op gang kwam. In 1953 zou hij hierover het boek The dynamical character of adsorption publiceren.

Naast het strikt wetenschappelijke werk was De Boer ook bij meer algemene activiteiten op zijn vakgebied betrokken. Zo maakte hij sinds 1950 deel uit van de Reactorcommissie van de Stichting Fundamenteel Onderzoek der Materie, die zich bezighield met de bouw van een kernreactor in het Noorse Kjeller (Noorwegen). In 1955 werd hij voorzitter van de wetenschappelijke adviesraad van het Reactor Centrum Nederland en in 1963 van de Centrale Raad voor de Kernenergie in Den Haag. Ook in de ruimere wetenschappelijke wereld ontving De Boer waardering. In 1940 werd hij gekozen tot lid van de afdeling natuurkunde van de Nederlandsche Akademie van Wetenschappen. Reeds eerder, van 1934 tot 1936, was hij lid van het Algemeen Bestuur van de Koninklijke Nederlandsche Chemische Vereeniging, terwijl hij tussen 1953 en 1955 daarvan het voorzitterschap bekleedde. In 1958 werd hem het erelidmaatschap aangeboden

P: Bibliografie in het onder L genoemde Physical and chemical aspects of adsorbents and catalysts .

L: E.J.W. Verwey, 'J.H. de Boer en de anorganische en fysische chemie', in Chemisch Weekblad , 27-6-1969; J.D. Fast, 'J.H. de Boer's jodideproces. Een methode om metalen te bereiden en te regenereren', ibidem ; G.C.A. Schuit, 'J.H. de Boer en de heterogene katalyse', ibidem ; Physical and chemical aspects of adsorbents and catalysts. Dedicated to J.H. de Boer... . Onder red. van B.G. Linsen (Londen [etc.], 1970); E.J.W. Verwey, in Jaarboek [der] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1971 (Amsterdam, 1972) 88-93; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog IX ('s-Gravenhage, 1979) 397, 1388.

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1971 (Amsterdam 1972) afbeelding tegenover pagina 88.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013