Bokhorst, Matthijs (1900-1982)

 
English | Nederlands

BOKHORST, Matthijs (1900-1982)

Bokhorst, Matthijs, cultuurhistoricus (Rotterdam 28-8-1900 - Kaapstad (Zuid-Afrika) 8-7-1982). Zoon van Pieter Frederik Bokhorst, leraar, en Johanna Cornelia de Kok. Gehuwd op 27-8-1928 met Johanna Christina Frederika Hoeneveld. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na echtscheiding (14-11-1941) gehuwd op 11-8-1945 met Petronella Wilhelmina Maria Groenhart. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. In 1937 verkreeg hij het Zuidafrikaanse staatsburgerschap. afbeelding van Bokhorst, Matthijs

Matthijs Bokhorst behaalde te Rotterdam in 1917 het HBS-diploma, en twee jaar later het diploma gymnasium-a. Na in 1918/1919 als vrijwilliger bij de Landstorm te hebben gediend, liet hij zich inschrijven voor de letterenstudie aan de Leidse universiteit. In 1923 werd het kandidaatsexamen Nederlandse letteren afgelegd, op 9 juli 1925 gevolgd door het doctoraal examen geschiedenis. Bokhorst was toen reeds werkzaam als leraar geschiedenis: eerst, vanaf 1924, aan de tweede gemeentelijke HBS voor meisjes te Rotterdam en daarna, sinds 1927, aan het Gymnasium Erasmianum aldaar. Op 14 maart 1930 promoveerde hij bij J. Huizinga op Nederlands-Zwitserse betrekkingen voor en na 1700. Hoewel dit proefschrift werd aangekondigd als een eerste deel - voor de periode 1685-1697 - bleven vervolgdelen uit.

In het jaar van zijn promotie vertrok Bokhorst naar Zuid-Afrika, waar hij een jaar tevoren was benoemd tot hoogleraar in de Nederlandse cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Pretoria. Het betrof hier een nieuwe leerstoel, die was ingesteld met financiële steun van de Nederlandse regering, de Nederlandsch - Zuidafrikaansche Vereeniging en andere instanties. Men was daartoe overgegaan om de band met het Nederlandse culturele erfgoed hechter aan te halen in de jonge Zuidafrikaanse staat, waar juist in deze jaren het afrikanerdom bezig was een eigen identiteit te creëren. Bokhorst bleek een goed cultureel 'ambassadeur' van zijn land: via lezingen en tentoonstellingen wist hij de belangstelling gaande te houden. Daarbij kon hij steunen op de groeiende collecties van het in 1932 tot stand gekomen Nederlandse Kultuurhistoriese Instituut in Pretoria. In 1939 was hij betrokken bij de oprichting en de redactie van het tijdschrift Historiese Studies.

Dat Bokhorst zich in zijn nieuwe omgeving thuisvoelde, kwam tot uiting in zijn naturalisatie tot Zuidafrikaans staatsburger in 1937. Dat hij niettemin sterk verbonden bleef met het moederland, zou enkele jaren later blijken. Bij de Duitse inval in mei 1940 stelde Bokhorst zich met toestemming van generaal J.C. Smuts ter beschikking van de Nederlandse regering. Aanvankelijk werkte hij als persattaché bij het gezantschap in Pretoria, om vervolgens in 1941 als sous-chef van de Nederlandsche Voorlichtingsdienst naar Londen te vertrekken. Radiopraatjes werden via Radio Oranje uitgezonden naar bezet gebied. Van 1943 tot 1944 was Bokhorst als persoonlijk adviseur toegevoegd aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, en had hij zitting in verschillende commissies, waaronder een internationale, die de oprichting van UNESCO voorbereidde.

In 1944 kwam Bokhorst als liaisonofficier - met de rang van reservemajoor - met het 1e Canadese leger naar Nederland, waar hij in het pas bevrijde westelijk deel van Zeeuws-Vlaanderen militair commissaris werd. In deze hoedanigheid zag hij onder andere toe op het ontslag van NSB-burgemeesters. Een zelfde functie vervulde de in augustus 1945 tot luitenant-kolonel gepromoveerde Bokhorst later in Alkmaar. Begin 1946 verliet hij de dienst om bij terugkeer in Zuid-Afrika zijn ambt weer op te nemen.

In 1951 legde Bokhorst het hoogleraarsambt echter neer om te werken als kunstcriticus in Kaapstad en als hoofdredacteur van het emigrantenblad, de Nederlandse Post . De sfeer in Zuid-Afrika was inmiddels veranderd; de deelneming aan de Tweede Wereldoorlog had er tot scherpe tegenstellingen geleid, en in de binnenlandse politiek zorgde de partij van D.F. Malan voor een zekere verstarring. Bokhorst trok zich terug op het terrein van kunst en kunstgeschiedenis. Zo was hij van 1951 tot 1958 president van de Zuidafrikaanse Kunstvereniging, en werd hij betrokken bij verscheidene inzendingen naar de Venetiaanse Biennale. In 1956 volgde Bokhorsts benoeming tot directeur van het Michaelis Kunstmuseum te Kaapstad, waarvan de collectie voornamelijk Hollandse meesters bevatte. In 1962 werd hij directeur van het Zuidafrikaanse Nationale Kunstmuseum in Kaapstad. Behalve aan westerse kunst besteedde hij ook aandacht aan de kunst van zwart Zuid-Afrika.

Voor al deze activiteiten werden Bokhorst herhaaldelijk onderscheidingen toegekend in Nederland en in Zuid-Afrika, waaronder een bijzondere erepenning van de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns. Als enthousiast docent wist Bokhorst aan de universiteit en daarbuiten de belangstelling te prikkelen voor wat hij te bieden had; hij deed dat overigens meer als stimulator dan als academische wetenschapsbeoefenaar. Zijn verdiensten liggen vooral op het terrein van het culturele leven, waarop hij in Zuid-Afrika een centrale en belangrijke rol vervulde

A: Persoonlijke papieren betreffende M. Bokhorst in de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

L: [J.Werkman,] De mannen van overste Wastenecker (Den Helder, 1947) 250-251; G.P.J. Trümpelmann, in Jaarboek [van] die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns 1970 (Pretoria, 1970) 85-86; E.J. Roukens de Lange, in Nederlandse Post 36 (1982) 2 (aug.) 1-2; P.J. v[an] W[inter], in Zuid-Afrika 59 (1982) 7-8 (juli/aug.) 101-102; C. Pama, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1983-1984 (Leiden, 1985) 100-104; J.H.J. van den Heuvel en D.M. Ligtermoet, Burgemeesters tussen wanorde en wederopbouw (Middelburg, 1987).

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Collectie ANEFO; Bokhorst in januari 1942].

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013