Boon, Hendrik Nicolaas (1911-1991)

 
English | Nederlands

BOON, Hendrik Nicolaas (1911-1991)

Boon, Hendrik Nicolaas, diplomaat (Rotterdam 23-8-1911 - 's-Gravenhage 1-5-1991). Zoon van Jan Boon, makelaar in koffie en thee, en Elisabeth Johanna Mees. Gehuwd op 4-6-1936 met Charlotte Talitha Mees (1913-2008). Uit dit huwelijk werden 4 dochters geboren. afbeelding van Boon, Hendrik Nicolaas

Hoewel Han Boon zich in het diplomatieke milieu, waar hij later zou uitblinken, vaak liet voorstaan op zijn afkomst uit een Rotterdams koopmansgeslacht, heeft hij slechts zijn eerste zeven levensjaren in zijn geboortestad gewoond. Hij voelde er zich trouwens - zoals hij later zou toegeven - ook niet thuis. In 1918 besloten zijn ouders zich in Bosch en Duin, in het landelijke Sticht, te vestigen. Daar ging hij op school: na de lagere school het Christelijk Lyceum te Zeist.

Al vroeg toonde Boon belangstelling voor de archeologie. Nog in zijn schooljaren reisde hij door het toentertijd nog weinig door toeristen bezochte Griekenland. Als tweedejaars student aan de Rijksuniversiteit te Leiden, waar hij, na het behalen van het diploma gymnasium--A, in 1929 archeologie en oude geschiedenis was gaan studeren, nam hij deel aan een driemaandse studiereis van het Deutsches evangelisches Institut des Heiligen Landes te Jeruzalem. Hier echter kwam hij tot de conclusie dat de studie van oosterse talen 'waarvan een redelijke kennis toch tot de noodzakelijke intellectuele bagage van een aankomend archeoloog behoort' (Uitgevaren , 53), niets voor hem was. Boon besloot dus door te gaan in de moderne geschiedenis, waarin hij op 19 juni 1934 cum laude zijn doctoraal haalde. Twee jaar later, op 3 april 1936, volgde zijn promotie bij prof. J. Huizinga op het onderwerp Rêve et réalité dans l'oeuvre économique et sociale de Napoléon III . Hiervoor had hij, onder leiding van prof. H. Hauser, onderzoek verricht aan de Parijse Sorbonne. Eerder had Boon al college gelopen aan het Institut Universitaire de Hautes études Internationales te Genève en aan de Universiteit van Londen. Zijn liefde bleef evenwel zijn leven lang uitgaan naar de archeologie, die hij zijn 'inspiratiebron' op zijn vele, latere reizen zou noemen.

Intussen had Boon ook in het studentenleven niet stilgezeten. Zo was hij secretaris-redacteur van het Leidsch Universiteitsblad , secretaris van het Nederlandsch Bureau voor Buitenlandsche Studentenbetrekkingen en praeses van de studentenfaculteit Letteren en Wijsbegeerte en had hij het plan voor de lustrummaskerade van 1935, 'Het landjuweel te Leiden', bedacht. Ook maakte hij in 1933/1934 als assessor I deel uit van het Collegium van het Leidsche Studenten Corps.

Nog vóór zijn promotie had Boon zich, onder andere door praktijkervaring op een Londens scheepvaartkantoor op te doen, voorbereid op het attaché-examen voor de diplomatieke dienst. Hij legde dit in februari 1936 af. De voorzitter van de examencommissie noemde hem 'zeer goed'. Het secretaris-examen volgde drie jaar later. Boons eerste werkzaamheden als diplomaat waren op het kabinet van de minister van Buitenlandse Zaken. Hij werd er onder meer belast met het toezicht op de ongeveer honderd aanhangers van generaal Franco die bij het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog asiel hadden gezocht in het Nederlandse gezantschap te Madrid en later naar Nederland waren overgebracht. Dit leidde ertoe dat hij in 1939 als secretaris toegevoegd werd aan de tijdelijk zaakgelastigde bij de inmiddels erkende regering-Franco, met als standplaats het Franse Saint-Jean-de Luz. In hetzelfde jaar nog werd Boon als jongste diplomatiek ambtenaar geplaatst op het gezantschap te Brussel. Zijn verblijf aldaar was echter niet van lange duur, want in mei 1940 moest het gezantschapspersoneel, bij het naderen van de Duitse troepen, België verlaten. Na een avontuurlijke tocht door een Frankrijk in oorlog bereikte Boon met zijn gezin ten slotte Spanje. Hier ontving hij bericht van zijn plaatsing op het gezantschap te Washington, waar hij zich in augustus 1940 vervoegde.

In de Amerikaanse hoofdstad hield Boon zich voornamelijk bezig met codewerk en het uitgeven van paspoorten en visa. Later kwamen daar censuur en het analyseren van de binnenlandse politiek via krantenlectuur bij. Hij bleef in Washington totdat hij, in 1946, geplaatst werd als eerste secretaris op de ambassade te Tsjoengking, de zetel van de Nationalistische regering van Tsjiang Kai-sjek. Maar hij was daar nog nauwelijks ingewerkt of de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, C.G.W.H. baron van Boetzelaer van Oosterhout, onder wie hij in Washington gewerkt had, haalde hem in december 1946 naar Batavia om er op te treden als waarnemend politiek adviseur van luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook. In deze functie zat hij midden in het voorspel tot de eerste politiële actie tegen de Republiek Indonesia.

Een half jaar later, in juni 1947, keerde Boon terug naar de ambassade bij de Chinese Nationalisten, die intussen naar Nanking was verhuisd. Maar ook dit verblijf was niet van lange duur, want in december 1947 riep Van Boetzelaer hem naar Den Haag om daar op het departement de post van - eerst waarnemend - chef der Directie Politieke Zaken op zich te nemen. In deze functie droeg Boon in belangrijke mate bij aan de formulering en uitvoering van de buitenlandse politiek, waarvan in die jaren het beleid ten aanzien van Indonesië, met zijn internationale verwikkelingen, de meeste aandacht vroeg. Ook als - eveneens eerst waarnemend - secretaris-generaal, waartoe hij in juni 1949, nog slechts 37 jaar oud, werd benoemd, bleef hij bij de Indonesische kwestie betrokken.

Het meest memorabele werk dat Boon als secretaris-generaal - onder minister D.U. Stikker (1948-1952) - heeft verricht, is evenwel de reorganisatie van het departement, noodzakelijk geworden door de verandering die het buitenlandse beleid van Nederland - van neutrale, bijna passieve tot bondgenootschappelijke, actieve mogendheid - sinds 1940 had ondergaan. In plaats van een functionele kwam er onder zijn leiding een regionale indeling tot stand, die tot op vandaag in grote lijnen bestaat.

Dit werk had veel van Boons krachten gevergd. Daarom legde hij al na ruim drie jaar zijn functie neer om ambassadeur in Rome te worden, een post die hem, naast het diplomatieke werk, in staat stelde toe te geven aan zijn liefde voor de archeologie. Hier bleef hij zes jaar, van 1952 tot 1958, toen hij naar Caracas werd overgeplaatst. Zelf zag hij deze overplaatsing niet als een promotie, en inderdaad stond hij niet bekend als een bewonderaar van de Nieuw-Guineapolitiek van minister van Buitenlandse Zaken J.A.M.H. Luns.

Dat Boon niettemin door Luns als een van zijn beste diplomaten werd beschouwd, blijkt uit zijn benoeming, in 1961, tot permanent vertegenwoordiger bij de Noordatlantische Verdragsorganisatie (NAVO). Negen jaar lang vervulde hij deze belangrijke functie: eerst in Parijs; vanaf 1967, na Frankrijks uittreding uit de militaire organisatie van de NAVO, te Brussel. Als zodanig zat Boon in het middelpunt van het westerse veiligheidsbeleid. Sleutelwoorden voor dat beleid in die jaren zijn: de Cubaanse crisis van 1962; de Multilateral Force en latere, meer geslaagde pogingen de Europese bondgenoten inzicht te geven in de Amerikaanse nucleaire strategie; de inval van de strijdkrachten van het Warschaupact in Tsjechoslowakije in 1968; de daaraan voorafgaande en erop volgende pogingen tot ontspanning tussen Oost en West. Aan het denkwerk dat hiermee verbonden was, heeft de intellectueel Boon belangrijke bijgedragen geleverd. Na dit uitzonderlijk lange ambassadeurschap werd hij, op eigen verzoek, opnieuw in zijn geliefde Rome geplaatst, waar hij tot zijn pensionering in 1976 zou blijven.

Ook toen bleef deze rusteloze man vele activiteiten ontplooien. Het begin was niet gelukkig: vrijwel daags nadat Boon uit handen van minister M. van der Stoel de eretekenen behorende bij zijn benoeming tot grootofficier in de orde van Oranje-Nassau - een bijzonder hoge onderscheiding voor een scheidende ambassadeur - had ontvangen, verscheen zijn boek Afscheidsaudiëntie. Tien studies uit de diplomatieke praktijk , waarin hij scherpe kritiek op het beleid van het kabinet-Den Uyl (1973-1977), inclusief dat van Van der Stoel, uitte. Niet iedereen heeft dit elegant gevonden, en ook hij zelf erkende later dat zijn boek 'misschien iets te kort na mijn vertrek' (Uitgevaren , 196) was verschenen. Tekenen van onvrede over het Nederland dat Boon, na bijna een kwart eeuw verblijf buitenslands, teruggevonden had, zijn ook te vinden in het in 1978 verschenen Uitgevaren - thuisgevaren. Schetsen en silhouetten uit het leven buitengaats en binnenboord .

Van de vele organisaties waarvan Boon, na terugkeer in Nederland, het voorzitterschap op zich nam, worden hier slechts genoemd: het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken, de Rijkscommissie voor de Musea, de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland, het Nederlands Instituut voor het Nabije Oosten te Leiden en te Istanboel, de Praemium Erasmianum en de Raad van het Leids Universiteitsfonds. Ook in internationale lichamen nam hij zitting, zoals de Transatlantic Board van de Johns Hopkins International School te Bologna, de Academische raad van advies van het NATO Defense College te Rome, de Trilaterale Commissie, de Westeuropese adviesraad van 'Radio Free Europe' en 'Radio Liberty'.

Boon was een man overlopend van energie en ideeën, die zijn opvattingen - ook over collega's - niet altijd voor zich hield. Ook als historicus was hij enigszins een vreemde eend in de bijt van de Nederlandse diplomatie, waartoe vroeger bijna uitsluitend juristen toetraden. Van zijn produktiviteit geven, naar buiten toe, zijn boeken en zijn artikelen in onder meer de Internationale Spectator , De Gids , de Nieuwe Rotterdamse Courant (archeologische reisbrieven) en NRC Handelsblad blijk. Zolang Boon ambassadeur was, wist zijn staf zijn tomeloosheid veelal binnen de perken te houden en de daarbij onvermijdelijke slordigheden te corrigeren. Die correctie ontbeerde hij na zijn pensionering, zodat zijn latere geschriften nogal wat feitelijke onjuistheden bevatten en ook overigens niet altijd even diplomatiek waren. Ook miste hij wel eens het geduld zijn ongetwijfeld originele gedachten helemaal uit te werken. Maar zeker was Boon een man die inspirerend werkte op diegenen van zijn medewerkers die hij duldde. Als Nederlands naoorlogse diplomatie aanzien heeft gehad, is dat mede aan hem te danken geweest

A: Archief-H.N. Boon berust bij de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: De ontwikkeling van de internationale handelspolitiek sinds 1931 [gestencilde uitgave, o.a. aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage] (S.l., 1938); Bagatellen uit de diplomatieke dienst. Herinneringen van 35 jaar Buitenlandse Zaken (Rotterdam, 1972); 'Het oorlogsdagboek van dr. H.N. Boon: Brussel 9 mei 1940 - Lissabon 4 augustus 1940'. Uitgeg. door P.M. Benders en P.J.M. Vogels, in Nederlandse Historische Bronnen V (Hilversum, 1985) 279-319; Cees Wiebes en Bert Zeeman, Indonesische dagboeknotities van dr. H.N. Boon 1946-1949 (Houten, 1986).

L: Behalve necrologieën o.a. door B. S[teinmetz], in Het Parool , 3-5-1991, door C.A. van der Klaauw, in BZ. Personeelsblad voor de medewerkers van het ministerie van Buitenlandse Zaken 18 (1991) 4 (juni) 11-12: H.F.L.K. van Vredenburch, Den Haag antwoordt niet. Herinneringen (Leiden, 1985); Cees Wiebes en Bert Zeeman, 'Twee onafhankelijke diplomaten: dr. J.H. van Roijen en dr. H.N. Boon', in Internationale Spectator 46 (1992) 2 (febr.) 100-105; idem, Belgium, the Netherlands and Alliances, 1940-1949 (Leiden, 1993).

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: J.D. Noske; Collectie ANEFO; Boon in mei 1949].

J.L. Heldring


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013