Buning, Johan Willem Frederik (1891-1958)

 
English | Nederlands

BUNING, Johan Willem Frederik (1891-1958)

Buning, Johan Willem Frederik, (door naamstoevoeging bij KB van 20-6-1891 nr. 43 gewijzigd in Werumeus Buning), dichter en journalist (Velp (Gld.) 4-5-1891 - Amsterdam 16-11-1958). Zoon van Jan Jacobus Buning (door naamstoevoeging bij KB van 20-6-1891 nr. 43 gewijzigd in Werumeus Buning), bankmedewerker, en Rika Catharina Christina Avelingh. Gehuwd op 20-7-1920 met Gerritdina Johanna Ensink. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Buning, Johan Willem Frederik

Hoewel in het voorgeslacht van Joop Buning verschillende predikanten voorkomen, groeide hij op in een niet uitgesproken godsdienstig, in levenswijze vrij liberaal notabelenmilieu uit de streek rond Arnhem. In 1895 verhuisde het gezin naar Katwijk aan Zee. Daar ging Joop in 1897 naar de Openbare Burgerschool van G.L. Walther. Toen hij als twintigjarige uiteindelijk, na vele scholen te hebben bezocht, in Zutphen het einddiploma HBS behaalde, waren zijn cijfers voor de exacte vakken van dien aard dat een carrière als zeeofficier, een ander familieberoep, verkeken was.

Buning ging daarop in Amsterdam in de kost om het notarisvak te leren. Notaris Theodore Borret begeleidde hem. In de brieven die deze wijze man aan vader Buning schreef, wordt Joop gekenschetst als een wilszwakke, wat onverschillige, weinig ambitieuze jongen, die zich slecht kon concentreren op zijn studie en te royaal leefde. Dit laatste was een familietrek, die hem, levensgenieter als hij was, ook later parten zou spelen. Het notariaat werd niets, maar in december 1915 kreeg de jonge Buning een betrekking als medewerker op de kunstredactie van De Telegraaf , waaraan hij tot november 1944 verbonden zou blijven.

In 1916 werd in De Gids voor het eerst een gedicht van Buning, 'Atlas' getiteld, geplaatst. In hetzelfde tijdschrift, waarvan op dat ogenblik onder anderen Adriaan Roland Holst redacteur was, verschenen, in de volgende jaren elf van de eenentwintig gedichten die in 1921 te zamen zijn eerste - en beste - bundel, In Memoriam , zouden vormen, gewijd aan een geliefde, die in 1914 was gestorven. Roland Holst, die Buning in 1913 had leren kennen, inspireerde 'Jobs' - zoals hij in Amsterdam werd genoemd - tot het schrijven van gedichten. Aanvankelijk was er sprake van vriendschap tussen de twee dichters, en al liepen hun poëtische wegen spoedig uiteen, het contact werd nooit helemaal verbroken. Zelf was Buning van 1934 tot en met 1952 redacteur van De Gids . Daarnaast publiceerde hij geregeld in Groot-Nederland en incidenteel in andere bladen en tijdschriften.

Na zijn huwelijk en de geboorte van zijn zoon, in respectievelijk 1920 en 1921, volgden tien jaren waarin Buning veel - volgens velen te veel - publiceerde. In de crisistijd, in 1930, onderbrak hij zijn journalistieke carrière om als gedelegeerd commissaris van de Koninklijke Vereeniging 'Het Nederlandsch Tooneel' te proberen het beroepstoneel in Amsterdam uit het slop te halen. Na twee jaar heeft hij deze taak, waarin hij veel energie had gestoken, moeten beëindigen. Zijn inspanningen werden beloond met een hem door zijn vrienden aangeboden reis, tijdens welke zijn dichtwerk Maria Lécina. Een lied in honderd verzen met een zangwijs ontstond, dat eind 1932 werd gepubliceerd. Inmiddels had hij Miep van 't Hoff-Kools leren kennen, een ontmoeting die zou leiden tot een - overigens nooit juridisch geëffectueerde - scheiding van zijn vrouw.

Tijdens de Duitse bezetting nam Buning een weinig principiële houding aan. Er zijn geen aanwijzingen dat dit voortkwam uit sympathie voor de bezettende macht, eerder uit opportunisme en gebrek aan politiek inzicht. Daarnaast was het de angst in minder luxueuze omstandigheden te komen verkeren die hem zijn positie bij De Telegraaf , die toen in toenemende mate een bedenkelijke koers ging varen, niet deed opgeven en hem ertoe verleidde zich aan te melden voor de Kultuurkamer. Op deze wijze kon hij blijven publiceren en geld verdienen. Anderzijds nam Buning, naar eigen zeggen, deel aan de Duitsers onwelgevallige activiteiten. Zeker is in ieder geval dat hij een inleiding voor het in 1943 illegaal verschenen Geuzenliedboek heeft geschreven.

Na de oorlog kreeg Buning door de Eereraad voor de Letterkunde, onder voorzitterschap van de schrijver en advocaat F. Bordewijk, een publikatieverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Een verzoekschrift van dertig kunstenaars zorgde er echter voor dat het vonnis op 10 december 1946 in hoger beroep werd gehalveerd. Evenals vele anderen is Buning blijven publiceren, anoniem of in Vlaanderen. Vanaf januari 1947 tot aan zijn dood in 1958 was hij vervolgens medewerker, en enige tijd redactielid, van Elseviers Weekblad . Zijn 'oorlogsverleden' bleef hem echter achtervolgen. Uit zijn nalatenschap blijkt dat hij tijdens het publikatieverbod voortdurend bezig is geweest met een bundel, Zeven fabelen voor hedendaagsche kinderen - alsnog uitgegeven in 1947 -, waarin hij een wanhopige poging doet op satirische wijze de kunstenaarszuivering aan de kaak te stellen; het is echter niet meer dan het machteloze, rancuneuze gerijmel van een diep gekrenkte man. Na 1950 verslechterde Bunings gezondheidstoestand; zijn laatste jaren sleet de eens zo populaire dichter verbitterd en eenzaam in Amsterdam. Zijn laatste bundel, Winter-Aconiet , verscheen postuum in 1961, bezorgd door Claudine Witsen Elias.

Zelfs als men alle journalistieke arbeid terzijde stelt, moet men constateren dat het oeuvre van Buning omvangrijk is. Achttien gedichtenbundels, een aantal kookboeken, (reis)verhalen, boeken over dans en toneel zijn er van hem verschenen, naast talloze vertalingen, vooral uit het Spaans. In zijn gloriejaren, vóór de Tweede Wereldoorlog, was hij onovertroffen geliefd bij eenvoudige mensen. Zijn balladen, bijvoorbeeld, liggen goed in het gehoor; de steeds terugkerende slotregels blijven gemakkelijk in het geheugen hangen; zijn thema's zijn uit het leven gegrepen. De officiële letterenwereld verweet hem echter al snel na In Memoriam - dat overigens zeer gunstig werd ontvangen, onder meer door de dichter P.N . van Eyck - slordigheid, rijmelarij en het zoeken van de gemakkelijke volksgunst. En dit laatste werd in de jaren dertig al gauw verdacht. Simon Vestdijk vond voor hem het woord 'fatsoensrakker' uit (Groot-Nederland 37 (1939) II, 431-438), naar aanleiding van Bunings afwijzende recensie in De Telegraaf van 4 oktober 1939 van E. du Perrons Schandaal in Holland . Achteraf is overigens gebleken dat deze recensie niet door Buning is geschreven.

Kritische (her)lezing van Bunings werk leidt ertoe de officiële letterenwereld gelijk te geven: gemis aan zelfkritiek heeft hem ertoe verleid veel meer uit te geven dan gaaf is, maar weinig Nederlanders zullen de regels niet kennen: 'Er stonden drie kruisen op Golgotha, / maar de boer hij ploegde voort.' De poëzieliefhebber zal zich misschien ook nog herinneren de ontroerende strofe uit In Memoriam : 'Zoo teedere schade als de bloemen vreezen / Van zachten regen in de maand van Mei, / Zoo koel en teeder heeft uw sterven mij / Schade gedaan, die nimmer zal genezen'. En mocht het kuise epische gedicht in honderd verzen Maria Lécina, over de vluchtige ontmoeting van een zeeman met een Spaans hoertje, onbekend zijn, dan wekt wellicht Kees Stips beroemde parodie Dieuwertje Diekema uit 1944 reminiscenties.

A: Archief-J.W.F. Werumeus Buning in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Behalve Verzamelde Gedichten (Amsterdam, 1970): bibliografie in de onder L genoemde publikatie van P. Hijmans, Johan Willem Frederik Werumeus Buning en in het kaartsysteem Mededelingen van de Documentatiedienst van het Nederlands Letterkundig Museum en het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven .

L: Behalve necrologieën o.a. door Bertus Aafjes, Piet Bakker en H.A. Lunshof, in Elseviers Weekblad , 22-11-1958 (pp. 13-14) en door Anton van Duinkerken, in De Tijd , 22-11-1958: P.N. van Eyck, 'J.W.F. Werumeus Buning', in idem Verzameld werk IV (Amsterdam, 1961) 426-451; P. Hijmans, Johan Willem Frederik Werumeus Buning, 4 mei 1891 - 16 november 1958. Aantekeningen over werk en leven, met brieven en documenten (Groningen, 1969); Wim J. Simons, 'Buning maakte zich kwaad' en 'Vestdijk contra Werumeus Buning', in idem Hakken en spaanders. Kleine curiosa uit de Nederlandse en Vlaamse letteren (Amsterdam [1970]) 88-89, 167-170; Martien J.G. de Jong, 'J.W.F. Werumeus Buning: reputatie en repressie', in Jeugd en cultuur 17 (1972) 275-288; Hendrik de Vries, 'J.W.F. Werumeus Buning', in idem, Kritiek als credo. Kritieken, essays en polemieken over poëzie ('s-Gravenhage, 1980) 270-286; G.H. 's-Gravesande, 'J.W.F. Werumeus Buning', in idem, Al pratende met... ('s-Gravenhage, 1980) 74-82; P. Hijmans, 'Werumeus Buning als kok', in J.W.F. Werumeus Buning, 100 avonturen met een pollepel (8e dr.; Amsterdam [1980]); A. Venema, 'Twee biografieën', in Maatstaf 35 (1987) 5 (mei) 1-14; Martien J.G. de Jong, De dichter en zijn rechters. Een pleidooi voor eerlijkheid en begrip inzake Nederlandse schrijvers onder Duitse bezetting (Baarn, 1988).

I: P. Hijmans, Johan Willem Frederik Werumeus Buning, 4 mei 1891 - 16 november 1958. Aantekeningen over werk en leven, met brieven en documenten (Groningen, 1969) Afbeelding tegenover titelblad. [Buning in het voorjaar van 1941].

Mw. P.E. van der Heijden-Rogier


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013