Carmiggelt, Simon Johannes (1913-1987)

 
English | Nederlands

CARMIGGELT, Simon Johannes (1913-1987)

Carmiggelt, Simon Johannes, (pseudoniem o.a. Kronkel, Karel Bralleput), schrijver en journalist ('s-Gravenhage 7-10-1913 - Amsterdam 30-11-1987). Zoon van Herman Carmiggelt, vertegenwoordiger, en Adriana Bik, winkelierster. Gehuwd op 6-9-1939 met Hubertina Wilhelmina Joanna de Goey. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Carmiggelt, Simon Johannes

Na de lagere school bezocht Simon Carmiggelt drie jaar de Gemeentelijke Handelsdagschool op het Stadhoudersplein in Den Haag. Alleen als redacteur van De Schakelaar , 'orgaan van Haagsche Instellingen voor voorbereidend hooger- en middelbaar onderwijs', had hij daar succes. Zelf wilde hij dan ook de journalistiek in. Enige maanden volontairen bij Het Vaderland en een paar jaar schrijven voor een Haags persbureau vormden de aanloop tot zijn aanstelling in 1932 als jongste verslaggever bij Vooruit , de Haagse editie van het sociaal-democratische dagblad Het Volk . In 1936 werd hij er toneelcriticus en columnist. Zijn eerste rubriek heette 'Kleinigheden'. Vlak voor het uitbreken van de oorlog verscheen bij de Arbeiderspers zijn eerste bundel, een selectie 'Kleinigheden', onder de titel Vijftig dwaasheden .

Tijdens de Duitse bezetting was Carmiggelt van stonde af aan principieel. Hij nam ontslag bij de krant, hoewel dat hem en zijn gezin in financiële problemen bracht. Door middel van 'allerlei wonderlijke schrijf- en andere avonturen' wist hij aan de kost te komen. Hij werd onder andere perschef bij het Residentie Tooneel, totdat de Kultuurkamer werd ingesteld; hij verzorgde een soort uitgaansagenda, getiteld 'Deze week in Den Haag'. In opdracht schreef hij in 1941 Johan Justus Jacob , een enigszins magisch-realistische detective die als zodanig mislukt is, maar wel de charme van Carmiggelts proza heeft. In 1944 naar Amsterdam verhuisd, werkte hij intensief mee aan het illegale blad Het Parool . Hij belastte zich vooral met de produktie, soms zelfs met het zetten en drukken, een activiteit die hij later met zijn vriend Reinold Kuipers nog beoefende als een van 'De Zondagsdrukkers', die met losse loden letters en een handpers enkele bibliofiele uitgaven bezorgden.

Na de bevrijding werd Carmiggelt chef kunstredactie van het nu in het openbaar verschijnende dagblad Het Parool , maar slechts voor kort, want de rompslomp verbonden aan deze taak lag hem niet. Met het schrijven van film- en toneelrecensies stopte hij in 1952. Vooral in de theaterwereld kon men de ironische toon ervan niet waarderen, en hijzelf vond het schrijven moeilijker worden naarmate hij de spelers persoonlijk beter kende. Ten slotte deed hij 'alleen' nog zijn dagelijks cursiefje onder de schuilnaam 'Kronkel', de naam van een 'onserieuze worm' uit een kinderfeuilleton, voor het eerst door hem gebruikt op 24 oktober 1946, voor het laatst op 8 oktober 1983. Het is deze rubriek waardoor Carmiggelt grote bekendheid, waardering en populariteit kreeg. Van het begin af aan verscheen er elk jaar een bundel met de beste stukjes, zorgvuldig geselecteerd door drie bevriende lezers en de schrijver zelf, aanvankelijk gekozen rond een bepaald thema: bijvoorbeeld Poespas uit 1952, Kroeglopen en Dag Opa , beide uit 1962.

In de jaren 1946/1947 schreef Carmiggelt wekelijks een gedicht onder het pseudoniem Karel Bralleput voor 'De kleine krant', bijlage onder redactie van Anton Koolhaas, van De Groene Amsterdammer . Het jammerhout uit 1948 bevat een selectie hieruit. Daarna verschenen nog de bundels Al mijn gal uit 1954 en Fabriekswater uit 1956, waarin onder meer het ontroerende gedicht 'In de trein' over zijn broer Jan, die tijdens de Duitse bezetting in een concentratiekamp omkwam. Ook achter Dominee Hanebraaier, Coba Mug en Henk Zultvouwer gaat Carmiggelt schuil.

In heel Nederland hield Carmiggelt, een tijdlang samen met Annie M.G. Schmidt, voordrachtsavonden, een rijke bron voor nieuwe 'Kronkels'. Talloze malen is Carmiggelt ook opgetreden in radio- en televisieprogramma's, om te beginnen in 1948 in het VARA-radioprogramma Artistieke staalkaart , vanaf 1965 tot zijn dood toe met het bekende S. Carmiggelt leest voor op de late avond. In het cabaretprogramma Artiestencafé speelde hij zelf een rol. Ook voor de Nederlandse film heeft Carmiggelt zijn verdiensten. De teksten van Bert Haanstra's documentaires Alleman uit 1963 en De stem van het water uit 1966 zijn van hem. Verscheidene series 'Kronkels' zijn verfilmd door Haanstra en, als Momenten , door Otto Jongerius. In 1978 maakte Daniël Singelenberg een film over Simon Carmiggelt, getiteld Een beetje gek . Wim Sonneveld, Wim Kan en andere cabaretiers heeft hij ideeën en teksten geleverd, aan acteurs als Ko van Dijk, Kees Brusse en nog weer anderen voordrachtsmateriaal, hun talenten waardig.

Zo is Carmiggelt in de loop der jaren de volksschrijver bij uitstek geworden, bekend ook van de televisie, een vertrouwde verschijning in Amsterdam; een man wie tijdens zijn leven al de twijfelachtige, normaliter aan popsterren voorbehouden eer van fanclubs en aan hem gewijde genootschappen te beurt viel. Hij heeft het geamuseerd over zich heen laten komen. De echte verklaring voor zijn populariteit ligt in zijn werk. Zijn thema's zijn voor alleman herkenbaar, ze hebben betrekking op ieders leven: de verbluffende logica van een kind, de gevoelens en uitingen van de ongecompliceerde mens, het echtpaar op leeftijd, de tragiek van de ouderdom. Bovendien hangt Carmiggelt niet de geleerde, de betweter, de moralist of de zogeheten humorist uit, die vanuit zijn ivoren toren de gewone mens als mikpunt voor goedkope grappen gebruikt. Wat Carmiggelt ongelooflijk scherp op straat, in een café, of op bezoek waarnam, werd onder gewone woorden gebracht, zonder ingewikkelde zinswendingen, maar beeldend en in volstrekt authentieke bewoordingen, vergezeld van trefzekere vergelijkingen, geestig onder meer door de combinatie van uitdrukkingen uit verschillende sferen en leefwerelden. Hoewel de schrijver zijn verhalen natuurlijk stileert en fictie een rol speelt, is de 'werkelijkheidssuggestie ... uitzonderlijk groot' (Kees Fens, De eigenzinnigheid van de literatuur. Opstellen en kritieken (Amsterdam, 1964) 117). Ironie is Carmiggelts wapen, niet de ironie die slechts voor ingewijden te begrijpen is, maar de milde ironie van de levenservaring, waar vrijwel ieder mens gevoelig voor is. Nooit ontaardt deze bij hem in bitterheid of verwondend sarcasme, wel is zij doortrokken van een fundamentele melancholie.

Het is opmerkelijk hoezeer Carmiggelt zichzelf gebleven is in de loop van bijna 37 jaar 'Kronkels'. 'Bij het herlezen van in mijn jeugd geschreven bundels dacht ik soms: "Met die vrolijke jongen zou ik wel eens willen kennis maken". Maar in de latere boeken zag ik hem langzaam maar zeker veranderen in de richting van de man die de pen voert aan het slot. Om die man valt nog maar zelden te schateren, al heeft hij, geloof ik, het oog én het oor voor het absurde in de meest tragische situaties nooit helemaal verloren', schreef hij (Mag 't een ietsje meer zijn? , flaptekst). Maar in de 'vrolijke jongen' is de oudere Carmiggelt al helemaal aanwezig. Ze houden op dezelfde manier van mensen en hebben hetzelfde karakter. Wel legt de jonge Carmiggelt wat meer nadruk op de komieke kanten en zoekt hij spitsvondige beeldspraken. Op den duur schrijft hij soberder, kaler, daarmee, naar eigen zeggen, een breder scala onderwerpen beschrijfbaar makend.

Carmiggelt is sociaal-democratisch grootgebracht en dat zijn hele leven gebleven. Zijn radio- en tv-optredens waren, op één uitzondering na, voor de VARA. De Tweede Wereldoorlog heeft hem diep geraakt. Vrijheid op alle gebieden, voor individu en volk, vrijheid om 'hardop neen' te kunnen zeggen was hem bovenal lief: hij haatte dictatuur van rechts en van links. Hoe mild en zachtmoedig hij ook was, politieke onderdrukking, bijvoorbeeld ten gevolge van de Hongaarse opstand in 1956, wekte zijn woede en verzet. Later in zijn leven, in 1976, bedankt hij voor de Partij van de Arbeid, maar wezenlijk is zijn levensbeschouwing niet veranderd.

Het 'open huis' op zaterdag bij de Carmiggelts was beroemd. Schrijvers en toneelspelers frequenteerden het. Contact met mensen van alle maten en soorten zocht hij graag. Hij was een vertrouwenwekkende figuur, aan wie mensen gemakkelijk confidenties deden. In 1972 zwoer hij radicaal de alcohol af omwille van zijn gezondheid, al had stevig drinken volgens hem het voordeel dat je de sfeer van grijsheid beter kunt aanvoelen en beschrijven. Wie de trage, depressief ogende schrijver na 1972 zijn werk heeft zien voordragen voor de tv kan zich niet indenken dat die sfeer nog beter getekend zou kunnen worden.

Vanaf het einde van de jaren zeventig tot aan zijn dood heeft Carmiggelt een liefdesrelatie gehad met de schrijfster Renate Rubinstein. Zij heeft daarover, na zijn dood, Mijn beter ik. Herinneringen aan Simon Carmiggelt gescheven. Dit zeer persoonlijke boek, met onder meer notities uit haar dagboeken en uitvoerige citaten uit zijn brieven aan haar, verscheen in 1991, kort na haar dood.

Carmiggelt bewonderde oprecht veel auteurs, in het bijzonder Tsjechov, maar twee mensen zijn ook een voorbeeld voor hem geweest: in zijn jonge jaren Herman Heijermans, later Willem Elsschot. Doorgaans overtreffen de 'Kronkels' Heijermans' 'Falklandjes', maar Elsschots gedichten winnen het van die van Carmiggelt. Diens verzen zijn zuiver, oprecht en soms ontroerend en van Elsschotse structuur, maar ze missen de 'verpletterende kracht en de niets ontziende waarachtigheid' die Carmiggelt zelf aan Elsschots gedicht 'Het huwelijk' toeschreef.

De 'stukjes' vonden steeds meer erkenning als echte literatuur. In 1961 werd hem de Constantijn Huygensprijs toegekend, in 1967 de vijfjaarlijkse prijs van de Amsterdamse Boekverkopers Vereniging. De P.C. Hooftprijs ontving hij in 1974. Na zijn, vrij plotselinge, dood in november 1987 nam de toneelspeler Ton van Duinhoven het initiatief tot het oprichten van een borstbeeld van Carmiggelt. Het staat in het Weteringplantsoen, vlak bij zijn huis.

A: Collectie-S. Carmiggelt in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: S. Carmiggelt. Bibliografie. Samengest. door Ruud Broens. I: Boeken (4e, herz. en vermeerderde dr.; Amsterdam, 1991), II: Kranten, weekbladen en tijdschriften (3 bdn.; Amsterdam, 1990). Mag 't een ietsje meer zijn? Een eigen keuze uit alle bundels (Amsterdam, 1983); Ontmoetingen met Willem Elsschot (Amsterdam, 1985); Zelfportret in stukjes [keuze: (zoon) Frank Carmiggelt] (Amsterdam, 1989).

L: Behalve S. Carmiggelt. Bibliografie. Samengest. door Ruud Broens. III: Naamsvermeldingen in boeken (2e, uitgebr. dr.; Amsterdam, 1993) en herdenkingsartikelen bij zijn overlijden o.a.: Kijk, S. Carmiggelt: de schrijver in beeld (Amsterdam, 1973); L. Verhuyck en Th. Jochems, Simon Carmiggelt (Brugge [etc.], 1975); Tony van Verre ontmoet Simon Carmiggelt [samengest. door Tony van Verre] (Bussum [1978]). Uitg. met grammofoonplaat (33 1/3 t.); C. de Ruiter, Over het proza van S. Carmiggelt (Amsterdam, 1979); Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 (Utrecht [etc.], 1982); 'Carmiggelt': themanummer van Vrij Nederland. Boekenbijlage, 11-6-1988; interview door Frits Abrahams met (zoon) Frank Carmiggelt, in NRC Handelsblad, 9-9-1989; Madelon de Keizer, Het Parool, 1940-1945. Verzetsblad in oorlogstijd (Amsterdam, 1991).

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 52207 [Carmiggelt in juni 1979].

Mw. P.E. van der Heijden-Rogier


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013