Caron, Willem Johannes Hubertus (1901-1988)

 
English | Nederlands

CARON, Willem Johannes Hubertus (1901-1988)

Caron, Willem Johannes Hubertus, taalkundige (Epe (Gld.) 19-7-1901 - Driebergen 3-3-1988). Zoon van Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk Caron, (hoofd)conducteur bij de Nederlandsche Spoorwegen, en Johanna Willemina van de Wetering. Gehuwd op 12-4-1928 met Bernarda Richters. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 3 dochters geboren.

Van vaderszijde stamde Wim Caron uit een eenvoudige, Nederlands-hervormde hugenotenfamilie. Zijn moeder was streng gereformeerd, en haar godsdienstige opvattingen domineerden in het vier kinderen tellende gezin. Bedeeld met een goed verstand, maar een wat broze gezondheid werd hij na de lagere school in staat gesteld een onderwijzersopleiding te volgen. Reeds twee jaar vóór het behalen van de hoofdakte in augustus 1922 werd hij benoemd tot onderwijzer aan de Rotterdamse Da Costaschool.

Begin april 1928 verruilde Caron deze betrekking voor het onderwijzerschap aan de Groen van Prinstererschool, een school met de Bijbel in de Amsterdamse Veerstraat. Deze verhuizing lijkt samen te hangen met zijn voornemen een academische studie te beginnen: na een afgebroken MO-opleiding kreeg hij via het staatsexamen toegang tot de Vrije Universiteit, waar hij van 1929 tot 1936 Nederlands studeerde. Caron zegde daarop het lager onderwijs vaarwel en werd in maart 1937 leraar Nederlands en geschiedenis aan de Christelijke HBS aan de Moreelsestraat te Amsterdam en tevens, in september van dat jaar, aan het Gereformeerd Gymnasium aldaar. Van september 1944 tot aan zijn benoeming tot hoogleraar was hij docent en onderdirecteur van de Christelijke HBS aan het Oosterpark. Als leraar publiceerde hij samen met P. Vink, vooral ten behoeve van het taalonderwijs, in 1948 een bundel boekbesprekingen, Analyse en critiek , die talrijke malen werd herdrukt.

Daartoe op het spoor gezet door prof. J. Wille promoveerde Caron op 26 september 1947 cum laude op het proefschrift Klank en teken bij Erasmus en onze oudste grammatici . Deze dissertatie over de Nederlandse spraakkunstenaars uit de 16de tot de 18de eeuw - een in Nederland nogal verwaarloosd deelterrein van de taalkunde - vormde een belangrijke bijdrage tot de herwaardering van hun teksten. Caron benaderde deze niet met de wantrouwende vooringenomenheid die nogal eens te vinden is in de publikaties van C.G.N. de Vooys, K. Kooiman, W. Hellinga en vooral L.P.H. Eykman, maar ging uit van de juistheid van de informatie uit de vroegere spraakkunsten. Interpreterend vanuit dit standpunt kwam Caron in zijn dissertatie met betrekking tot vooral de fonetische beschrijvingen en opvattingen van de oude grammatici en de uitspraak van het oudere Nederlands tot verscheidene andere conclusies dan zijn voorgangers.

Deze dissertatie vormde de belangrijkste reden voor Carons benoeming, in 1952, aan de Vrije Universiteit tot hoogleraar in de Nederlandse en Oudgermaanse taalkunde en de algemene taalwetenschap; het laatste onderdeel van zijn leeropdracht kon hij overigens - tot zijn opluchting - in 1960 overdragen aan mevrouw B. Siertsema. De geschriften van de oude grammatici bleven Caron ook na zijn promotie bezighouden, waarbij hij zich gesteund wist door zijn collega proximus, G. Kuiper. Met hem en met Wille zette Caron de reeks Trivium op, waarin oude Nederlandse geschriften op het gebied van de grammatica, de dialectica en de retorica verschenen. Van de zeven boeken die deze reeks van 1953 tot 1972 zou gaan omvatten, bezorgde Caron er vijf. Zijn heruitgave van twee grammatica's van Christiaen van Heule uit 1625 en 1633 vormde het eerste deel van Trivium . Carons inleidingen op deze uitgaven en zijn annotaties getuigen van de goede greep die hij op de stof had.

Ook bij andere gelegenheden vroeg Caron de aandacht voor de oude grammatici, die zijn universitaire loopbaan van het begin tot het einde omklemden en door wie hij zich in zijn publikaties tot wetenschappelijke eenzijdigheid liet verleiden. Carons inaugurele rede op 10 oktober 1952 over De reductievocaal in het verleden stelde de uitspraak van de zwakgeaccentueerde klinker in het Nederlands aan de orde en was op gegevens uit de oude grammatica's gestoeld. In zijn afscheidsrede op 27 november 1971 zou hij spreken over Vondels uitspraak , waarbij hij zijn informatie al evenzeer ontleende aan de geschriften van Samuel Ampzing, Petrus Montanus, Lambert ten Kate en hun tijdgenoten. Tussen deze officiële universitaire toespraken in onderwees hij in voordrachten en publikaties over problemen die de hem zo vertrouwde spraakkunstenaars uit de periode vóór 1800 hem aanreikten. Van Carons scherpzinnigheid getuigen zijn opstellen omtrent het Oudnederlandse penneprobeersel uit Oxford, en zijn muzikaliteit - hij was een verdienstelijk pianist en violist - kwam hem niet alleen goed van pas bij zijn fonetische studies maar ook bij opstellen over verband tussen muziek en taal.

Carons hoogleraarschap aan de Vrije Universiteit deed hem in aanmerking komen voor een aantal andere functies. Als lid van de Rijkscommissie van Bijstand van het Woordenboek der Nederlandsche taal, van 1965 tot 1974, en als lid van het bestuur van de Stichting voor Nederlandse Lexicologie, van 1969 tot 1974, verwierf hij uit waardering voor zijn verdiensten de Matthias de Vries-penning. Maar ook buiten zijn directe vakgebied ontliep hij het bestuurlijke werk niet. Zo was hij sinds 1947 secretaris en van 1956 tot 1971 voorzitter van de vereniging Het Bilderdijk-Museum en voorzitter van het Nationaal Comité Bilderdijk-Herdenking in 1956. Het onderwijs buiten de universiteit vroeg eveneens Carons bestuurlijke aandacht bij schoolbesturen van verscheidene onderwijsinstellingen en leiding van zomercursussen Nederlands voor Belgische leraren, terwijl ook het kerkelijk leven van hem tijd vroeg, onder meer als diaken van de Gereformeerde Kerk in Amsterdam-zuid.

Caron werd door de studenten ervaren als een nauwgezette, gestrenge en weinig flexibele leermeester met een afstandelijke vriendelijkheid, en door collega's als een gereserveerde, maar vriendelijke en kwetsbare man. Overigens versoepelde hij de regels van de strenge gereformeerde opvoeding die hij had gekregen: de zondag was voor hem een rustdag, waarop hij zich echter niet gebonden voelde door de strakke voorschriften rond de zondagsheiliging.

Kort voordat hij op 1 augustus 1971 met emeritaat zou gaan, vestigde Caron zich met zijn vrouw - die hem ten koste van haarzelf en van hun gezin in zijn werkzame jaren zo vaak de stilte van zijn studeerkamer had gegund - in Driebergen om te genieten van de rust en de natuur. Toch zou hij daar slechts weinig wetenschappelijke geschriften op zijn naam brengen. Weliswaar was de behoefte tot publiceren aanwezig, maar het lukte hem nauwelijks nog een bijdrage te schrijven: na zijn afscheidscollege verschenen van zijn hand nog slechts twee artikelen. Het overlijden van zijn vrouw in 1979 deed zijn wereld blijvend ineenstorten. Carons wetenschappelijke verdiensten lagen duidelijk in het door hem verzorgde onderwijs. Moeilijke en voor velen droge taalkundige, vooral taalhistorische onderwerpen wist de geboren onderwijzer helder te analyseren en uiteen te zetten, hoewel hij er meestal niet in slaagde deze stof voor iedereen boeiend te maken

P: 'Bibliografie van prof.dr. W.J.H. Caron', in Klank en teken. Verzamelde taalkundige studies (Groningen, 1972) 207-208. Verder: 'Al tee voor Willem Pée', in Album Willem Pée (Tongeren, 1973) 51-56 en 'Diftongeerde Jan Luyken?', in Spel van zinnen. Album A. van Loey . Samengest. door R. Jansen-Sieben (Brussel, 1975) 15-20. Caron leverde bijdragen aan de rubriek 'Godsdienstwetenschap' van de Christelijke encyclopedie (2e herz. dr.; 6 dln., Kampen, 1956-1961).

L: Necrologieën o.a. door J. Knol, in Jaarboek Vrije Universiteit Amsterdam 1988/1989 (Amsterdam, 1989) 92-95; door A. Weijnen, Taal en Tongval. Tijdschrift voor Dialectologie 40 (1988) 97-98.

G.R.W. Dibbets


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013