Cottaar, Johannes Hendricus Marie (1915-1984)

 
English | Nederlands

COTTAAR, Johannes Hendricus Marie (1915-1984)

Cottaar, Johannes Hendricus Marie, sportjournalist (Delft 6-3-1915 - Leiderdorp 21-7-1984). Zoon van Petrus Leonardus Gerardus Cottaar, kruidenier, en Wilhelmina Maria Johanna van Eijk. Gehuwd op 5-2-1941 met Coba Wilhelmina Meijer. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. afbeelding van Cottaar, Johannes Hendricus Marie

Jan Cottaar volgde een gymnasiumopleiding op het internaat van de paters Franciscanen te Venray. Na terugkeer in zijn geboortestad ging hij in mei 1935 als leerling-journalist bij de Nieuwe Delftsche Courant werken. Hier maakte Cottaar kennis met vele aspecten van het vak, van correctiewerk tot het schrijven van muziekrecensies. Twee jaar later verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij in dienst trad bij het katholieke dagblad De Tijd . In februari 1938 kreeg hij er de leiding van de sportredactie. Na de reorganisatie van de journalistieke beroepsgroep in 1940 vervulde Cottaar vanaf maart 1941 een bestuursfunctie bij de vakgroep Sport van het Verbond van Nederlandsche Journalisten, met het oogmerk initiatieven in nationaal-socialistische geest te voorkomen. Een jaar later werd dit bestuur dan ook weggestuurd wegens onvoldoende medewerking aan de bedoelingen van de Duitse bezetter.

Na de Tweede Wereldoorlog verschenen Cottaars eerste boeken op sportgebied. Typerend voor de periode van de wederopbouw was Het sportboek voor de jeugd uit 1947. Met deze publikatie wilde hij de Nederlandse jongeren met sport bekend maken, opdat zij de deugden van eerlijkheid, wilskracht, sportiviteit en kameraadschappelijkheid zouden leren en zo in staat worden gesteld 'heel het fundament van een nieuwe, jonge maatschappij op hun schouders te nemen'. Gedurende zijn gehele leven heeft Cottaar gewezen op het belang van lichaamscultuur voor de karaktervorming en de zin voor harmonie, overigens zonder zelf meer te doen dan vissen.

Vanaf maart 1946 gaf Cottaar zijn opvattingen in een wekelijks radiopraatje bij de Katholieke Radio Omroep (KRO). Vooral via dit medium zou hij grote bekendheid krijgen, in het bijzonder als commentator van wielerwedstrijden, zijn favoriete sport. Hij deed ervaring op in de Ronde van Nederland, die hij in totaal acht keer versloeg. Naam maakte Cottaar echter tussen van 1950 en 1959 met zijn radioreportages van de Tour de France. In 1952 kreeg hij voor het eerst de gelegenheid in een dagelijkse uitzending verslag te doen van de verreden etappe. Het jaar daarop begonnen de rechtstreekse reportages vanaf de aankomstlijn, later op de avond gevolgd door een nabeschouwing met de klassementen.

Wielrennen was vóór de komst van de televisie een dankbare sport voor de journalist, omdat deze het vaak onduidelijke en moeilijk waarneembare wedstrijdverloop naar eigen inzicht kon weergeven. De verslaggever maakte daarbij gebruik van een op de maat van het heldendom gesneden weergave van de karakters van de matadoren. Daarmee kon Cottaar uitstekend uit de voeten. Hij had een goed gevoel voor de dramatiek van de strijd tussen de reuzen van de weg, zonder hoogdravend of extatisch te worden. Cottaar wist, bij alle enthousiasme, ook heel goed te relativeren. Natuurlijk had hij het geluk dat de Nederlandse renners karakter- en succesvol waren en dat ploegleider Kees Pellenaars een kleurrijke figuur was.

De populariteit van de Tour was in Nederland enorm toegenomen nadat Wim van Est, de eerste Nederlandse gele-truidrager, in 1951 in het ravijn was gestort. Op die dag was in Nederland geen uitzending gepland, maar als vriendendienst mocht Cottaar hiervan verslag doen op de Belgische radio. Van de moeilijke omstandigheden waaronder hij moest werken, heeft Cottaar in het in 1960 verschenen 10 x Tour iets weergegeven. Op de lijnverbindingen, het vervoer, het onderdak en de informatie kon niet altijd staat worden gemaakt. Zelf ondervond hij dit aan den lijve toen in 1954 zijn volgwagen het begaf en hij dientengevolge, na een huiveringwekkende rit in de sportwagen van een wegpiraat van wie hij een lift had gekregen, te laat bij de finish arriveerde. Noodgedwongen fingeerde hij het verslag, maar liet daarin helaas Wout Wagtmans, die uitgevallen was, veilig over de streep komen.

Cottaar volgde de Tour ook schrijvend. In de eerste jaren waren de verbindingen met de redactie in Nederland moeilijk. Hij belde 's avonds een verslag door, maar stuurde tevens artikelen per post op, hoewel die bij aankomst, dagen later, soms wat inhoud betreft achterhaald waren. Op 1 september 1952 was hij, als opvolger van de door hem zeer bewonderde H.A. Meerum Terwogt, sportredacteur bij de Nieuwe Rotterdamse Courant geworden, wat hij tot 1970 zou blijven. Ook zijn krantecommentaren waren weliswaar nuchter, maar niet zonder bewogenheid, en hij had oog voor het sprekende detail. Cottaar was een vriendelijke en enthousiaste man, wiens interviews steeds beleefd van toon waren. Zijn tamelijk uitgesproken ideeën over hoe het wel en niet moest in de sport, zette hij niet om in een kritische opstelling.

Voor het nieuwe medium televisie begon Cottaar in 1958 met een maandelijks praatje bij de KRO, met de titel 'Van onze sportredacteur'. Aan het wekelijkse programma 'Sport in beeld' van de Nederlandse Televisie Stichting gaf hij vanaf april 1959 gezicht als de presentator met het karakteristieke stemgeluid, het ronde hoofd en daaronder het onafscheidelijke vlinderdasje.

In de jaren zestig publiceerde Cottaar veel. In 1962 verscheen zijn romantische De troostprijs is een gele trui , een wielerroman geïnspireerd op de Italiaanse vedetten Gino Bartali en Fausto Coppi. Tevens schreef hij een aantal heldere en beknopte geschied- en gedenkboeken, veelal met lijsten en cijfers verrijkt: Finish in Parijs... De geschiedenis van de Tour de France in feiten en cijfers uit 1965, Op gouden voet. Het relaas van 50 vierdaagsen uit 1966 en het in 1962 verschenen Gouden Boek Nederlandsch Olympisch Comité . Uit dit laatste werk bleek Cottaars voorliefde voor de pioniers van de sport, die de uitdaging waren aangegaan haar tegen de vooroordelen van de tijd in, zonder organisatorische of financiële basis, tot ontwikkeling te brengen. Een goede bestuurlijke onderbouwing van de sport achtte hij van groot belang. Zelf was hij onder meer voorzitter van de Nederlandse Sport Pers en vice-voorzitter van de Association Internationale de la Presse Sportive.

De Olympische Spelen spraken Cottaar bijzonder aan. Het ideaal waarbij het niet gaat om het winnen, maar om de juiste manier van strijden, onderschreef hij. Zijn aanstelling, in 1970, als directeur van het Nederlands Olympisch Comité lag in de lijn van zijn ideeën en ervaring als bestuurder. In 1974 moest hij deze functie door ziekte beëindigen. Enkele jaren voor zijn onverwachte overlijden, op 69-jarige leeftijd, publiceerde Cottaar nog een studie over de 'actuele hanteerbaarheid' van de Olympische principes van Pierre de Coubertin, getiteld Olympische Spelen nú (1980), en een jeugdroman, Gele trui tegen wil en dank (1981), over een wielrenner die liever zijn kopman helpt dan zelf te winnen. Daarmee bleef Cottaar trouw aan zichzelf, de 'opbouwer' met romantische inslag die aan de goede invloed van sport geloofde

A: Persoonlijke bescheiden betreffende Cottaar in familiebezit.

P: Behalve de in de tekst genoemde werken: De gestolen reportage [detective] (Rijswijk, 1949); Van Olympus tot Fujijama. Geschiedenis der Olympische Spelen van het oude en nieuwe tijdperk (Zaandam, 1964); Glorie van de sport (Koog aan de Zaan, 1967).

L: Behalve interviews in o.a. Nieuwe Rotterdamse Courant , 30-7-1970, Het Vrije Volk , 20-11-1971, Algemeen Dagblad , 7-7-1979 en NRC Handelsblad , 13-6-1981, en necrologieën op 24-7-1984 o.a. in Algemeen Dagblad , NRC Handelsblad , Het Parool en de Volkskrant : André Swijtink, In de pas. Sport en lichamelijke oefening tijdens de Tweede Wereldoorlog (Haarlem, 1992) 271-273.

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 64500 [Cottaar in maart 1966].

Marc Kooijmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013