Derkinderen, Antonius Johannes (1859-1925)

 
English | Nederlands

DERKINDEREN, Antonius Johannes (1859-1925)

Derkinderen, Antonius Johannes, (ook bekend onder de naam Der Kinderen), beeldend kunstenaar ('s-Hertogenbosch 20-12-1859 - Amsterdam 2-11-1925). Zoon van Antonius Henricus Derkinderen, goud- en zilversmid, en Hendrica de Rooij. Gehuwd op 27-9-1894 met Johanna Henriette Besier, kunstenares. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Derkinderen, Antonius Johannes

Toon Derkinderen groeide op in een Rooms-katholiek milieu te 's-Hertogenbosch en doorliep daar van 1874 tot 1878 met goed gevolg de Rijkskweekschool voor Onderwijzers. Hij behaalde tevens de akten voor hulponderwijzer tekenen en wiskunde. Vervolgens studeerde hij tot 1880 aan de Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten in zijn geboorteplaats en daarna tot en met 1883 aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, met een kleine onderbreking in 1882/1883, toen hij lessen volgde aan de Brusselse Kunstacademie.

Derkinderens carrière nam een aanvang met de opdracht in 1884 voor een schildering van de middeleeuwse Amsterdamse processie ter gelegenheid van het Heilig Sacrament van Mirakel. Het doek was bestemd voor de Begijnhofkerk in Amsterdam, en de opdrachtgever was de rector van de kerk, B.H. Klönne. In plaats van een in details uitgewerkte historische voorstelling te leveren, zoals de ontwerpschets aangaf, kenmerkte Derkinderens voltooide olieverfschilderij zich door een schimmige geabstraheerde afbeelding, uitgevoerd in halftinten. Het kunstwerk werd door Klönne geweigerd. Meer succes had Derkinderen bij de volgende opdracht: de versiering van een wand in het stadhuis van 's- Hertogenbosch in 1891: de 'eerste Bossche wand' genoemd. De kunstcriticus Jan Veth schreef hierover een jaar later in Derkinderens wandschildering in het Bossche stadhuis en lanceerde de term 'gemeenschapskunst' (p. 12). Sindsdien was Derkinderens reputatie als monumentaal schilder en 'gemeenschapskunstenaar' gevestigd. Hierop volgde in 1893 de 'tweede Bossche wand', die echter minder gunstig werd ontvangen, juist doordat de kunstenaar het principe van stilering verder had doorgevoerd.

In 1893 verleende Derkinderen tevens als illustrator zijn medewerking aan de boekuitgave van Joost van den Vondels treurspel Gysbrecht van Aemstel , een onderneming waaraan ook de musici Alphons Diepenbrock en Bernard Zweers en de architect H.P. Berlage als decorontwerper een bijdrage leverden. Derkinderens samenwerking met de laatstgenoemde werd voortgezet bij de opdrachten voor muurschilderingen in het door Berlage ontworpen gebouw van de Algemeene Maatschappij van Levensverzekering en Lijfrente (1895-1900) en in de Beurs te Amsterdam (1898-1903). Voor dit laatste gebouw zou Derkinderen de versiering verzorgen van de vergaderzaal van de Kamer van Koophandel. Zijn ontwerpschetsen waren echter niet overeenkomstig de door de literator Albert Verwey samengestelde decoratieplannen. Dit leidde tot een meningsverschil met Berlage en Verwey, dat werd beslecht door middel van een rechtszaak. Berlage en Derkinderen zouden ten slotte akkoord gaan met een schikking. Door technische omstandigheden zijn de schilderingen, met uitzondering van het glasraam, niet uitgevoerd. Na dit mislukte project kreeg Derkinderen geen belangrijke opdracht meer voor een muurschildering.

Derkinderen interesseerde zich voor glas-in-loodkunst, omdat dit naar zijn overtuiging, meer nog dan de monumentale schilderkunst, het idee van gemeenschapskunst benaderde. Het glas-in-loodvenster als muuruitsparing is immers ondergeschikt aan de architectuur en bekrachtigt deze. Derkinderens eerste grote opdracht was het gebrande glas-in-loodvenster voor het gebouw van de Rijksuniversiteit van Utrecht (1893/1894). In 1903 richtte hij in het Noordhollandse Laren de werkplaats 'De Zonnebloem' op. Bij de opzet ging Derkinderen uit van het principe kunst en ambacht te verenigen en liet hij zich inspireren door de middeleeuwse bouwhut. Hier kon weliswaar het beursvenster zelf worden vervaardigd, maar gebrek aan verdere opdrachten dwong hem in 1906 de werkplaats te verkopen. Derkinderens laatste grote opdracht, de ramen voor het door K.P.C. de Bazel ontworpen gebouw van de Nederlandsche Handel-Maatschappij te Amsterdam (1919-1926), zou door zijn overlijden in 1925 onvoltooid blijven.

Het hoogtepunt van Derkinderens carrière was zijn benoeming in 1907 tot hoogleraar-directeur van de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Derkinderen kon zo zijn opvatting over het kunstonderwijs verwezenlijken. Het was zijn doel om, met de middeleeuwse bouwhut voor ogen, kunst en ambacht tot elkaar te brengen, en hij spande er zich voor in de monumentale schilder- en beeldhouwkunst een plaats te geven in het lesprogramma. Onder zijn directeurschap werden onder anderen de schilder R.N. Roland Holst en de beeldhouwer J. Bronner, beiden beoefenaars van monumentale kunst, als docenten aangetrokken.

Het was de grote verdienste van Derkinderen dat hij het onderwijs aan de Rijksacademie inhoudelijk verruimde en zeer nadrukkelijk de maatschappelijk en religieus dienende functie van de kunst propageerde en doceerde. Geïnspireerd door de 'Gesamtkunst' van de Duitse operacomponist Richard Wagner en de middeleeuwse kathedraalbouw streefde Derkinderen naar een samensmelting en eenwording van de verschillende kunsten onder suprematie van de bouwkunst. Onder invloed van ideeën van de Britse ontwerpers William Morris en Walter Crane was hij tot het besef gekomen dat door het 'l'art-pour-l'art' principe de kunst buiten het maatschappelijk leven was komen te staan en dat aan het ambachtelijke werd voorbij gezien. Hij beoogde een nieuwe integratie van kunst en samenleving, waarbij de kunst de samenleving 'dient' en tegelijkertijd eruit voort komt. In deze zin is gemeenschapskunst geen kunst die de individuele impressies en gevoelens weergeeft, maar kunst waarin aan algemene, 'groote, breede ideeën' gestalte wordt gegeven. Opmerkelijk is voorts Derkinderens gewoonte om vóór het tot stand komen van een ontwerp historisch onderzoek te verrichten, daarbij gebruik makend van literaire bronnen en historisch beeldmateriaal. Hierin gaat echter ook een probleem bij Derkinderens kunstenaarschap schuil: ondanks zijn behoefte tot vernieuwing bepaalt deze historische gerichtheid grotendeels de iconografie van zijn werk, waardoor dit een 19e-eeuws historiserend karakter heeft behouden. Derkinderens ontkenning van de eigentijdse samenleving heeft hem veel kritiek opgeleverd en was veelal de achtergrond van conflicten bij opdrachten.

Derkinderen heeft geen omvangrijk oeuvre nagelaten. Als scheppend kunstenaar en stimulerend docent is zijn belang in Nederland echter groot geweest, in het bijzonder voor de herleving van de monumentale kunsten in dienst van een gemeenschapsideologie: hij was hierin een van de pioniers en zou daar blijvend door eigen werk en aansporen van anderen trouw aan blijven. De invloed van Derkinderen reikte in dit opzicht tot ver in de jaren dertig en veertig. Dat deze betekenis reeds tijdens zijn leven werd erkend, blijkt uit het eredoctoraat dat de Rijksuniversiteit te Groningen hem in 1914 verleende

A: Collectie-A.J. Derkinderen bij Rijksdienst Beeldende Kunst te 's-Gravenhage.

P: 'Lijst van werken van A.J. der Kinderen' en 'Lijst van geschreven werken van A.J. der Kinderen' in de onder L genoemde publikatie van Hammacher, 119-129. Jeugdherinneringen: De jeugd van Antoon der Kinderen door hemzelf beschreven anno 1892 . Uitg. door J.H. der Kinderen-Besier (Bussum, 1927).

L: 'Lijst van schrifturen over A.J. der Kinderen', in A.M. Hammacher, De levenstijd van Antoon der Kinderen (Amsterdam, 1932) 131-133. Verder: Ernst Braches, Het boek als Nieuwe Kunst, 1892-1903. Een studie in Art Nouveau (Utrecht, 1973); Antoon Derkinderen, 1859-1925 . Onder eindred. van Maureen Trappeniers [Tentoonstellingscatalogus] ('s-Hertogenbosch, 1980); Madelon Broekhuis, 'Antoon Derkinderen en de Beurs van Berlage', in Jong Holland 4 (1988) nr. 2, 4-14; 'Antoon Derkinderen', in De schilders van Tachtig. Nederlandse schilderkunst 1880-1895 . Onder red. van R. Bionda en C.B. Blotkamp (Zwolle, 1991) 145-149.

I: Antoon Derkinderen, 1859-1925. Onder eindred. van Maureen Trappeniers ('s-Hertogenbosch, 1980) omslag tegenover titelblad [Portet door Jan Veth, 1915].

Madelon Broekhuis


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013