Dieren, Bernard Héléne Joseph van (1887-1936)

 
English | Nederlands

DIEREN, Bernard Hélène Joseph van (1887-1936)

Dieren, Bernard Hélène Joseph van, componist en muziekcriticus (Rotterdam 27-12-1887 - Londen (Groot-Brittannië) 24-4-1936). Zoon van Bernard Joseph van Dieren, wijnhandelaar en levensverzekeringsagent, en Julie Françoise Adelle Labbé, modiste. Gehuwd op 28-12-1909 met Frederika Johannetta Carola Kindler. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Dieren, Bernard Hélène Joseph van

Bernard van Dieren groeide op als de jongste en enige zoon in een middenstandsgezin, dat vijf kinderen telde. Hoewel hij thuis reeds vroeg met muziek in aanraking kwam - hij kreeg vioolles - zou hij er zich pas rond zijn negentiende serieus mee gaan bezighouden. Intellectueel bijzonder begaafd, maar zwak van gezondheid, verliep zijn schooltijd allesbehalve voorspoedig. In 1904 overleed zijn vader; de gewelddadige dood van zijn jongste zuster, Mies, drie jaar later, was voor hem een traumatische ervaring. Toen Van Dieren in 1908 de HBS verliet - van het eindexamen moest hij zich wegens ziekte terugtrekken -, ging hij voor zichzelf werken om weldra, zonder verdere opleiding, voor de muziek te kiezen.

In 1909 verschenen te Rotterdam de eerste proeven van Van Dierens kunnen: een Canzonetta voor viool en piano, en twee maal Drei Lieder , waarvan enkele reeds een liefde voor het harmonisch experiment verraadden. Van groot belang voor zijn muzikale ontwikkeling moet het contact met de Rotterdamse familie Kindler zijn geweest. De jongste zoon uit dit gezin, Hans, maakte na zijn debuut in 1907 snel carrière als cellist in Berlijn. Zijn zuster Frida was eerder als pianiste doorgedrongen tot F.B. Busoni's 'Meisterklasse' van 1900 in Weimar. Via haar leerde Van Dieren, waarschijnlijk in 1908, de beroemde pianist en componist kennen. Het was het begin van een vriendschap voor het leven. Niet lang daarna, in oktober 1909, volgde hij Frida, als muziekcorrespondent van onder meer het Rotterdamsch Nieuwsblad , naar Londen, waar zij kort daarna in het huwelijk traden.

De werken die gedurende de eerste jaren in Londen ontstonden, geven een geleidelijke oplossing van de tonaliteit te zien, een ontwikkeling die zich op het continent voltrok in het werk van onder anderen Busoni en A. Schönberg. Met de laatste maakte Van Dieren, die geregeld in Berlijn verkeerde, kennis in 1912. Ten opzichte van zijn veel oudere collega's in de muzikale avant-garde van die tijd wist hij niettemin met grote voortvarendheid een eigen atonale stijl te ontwikkelen. In feite was het Van Dieren die deze voor de muziek van de 20e eeuw zo cruciale vernieuwingen in Groot-Brittannië introduceerde.

Uit 1909 stamt een 'Song' aus Shelley's 'The Cenci' met ver doorgevoerde chromatiek. In de Zes schetsen voor piano uit 1910/1911 werd vervolgens in het hoog ontwikkeld pianistiek idioom van het muzikaal milieu waarin Van Dieren verkeerde het atonaal domein verkend. Vertoonden de delen van dit werk onderling nog thematische verwantschap, de in mei 1912 voltooide Toccata is een atonaal, athematisch en ametrisch essay, genoteerd zonder maataanduidingen en -strepen. Uit hetzelfde jaar dateert Van Dierens virtuoze eerste strijkkwartet, dat is opgedragen aan N. Paganini, uit wiens Caprices hij citeert. Tot de grotere werken uit deze tijd behoren het tussen 1909 en 1911 ontstane Belsazar naar H. Heine voor groot orkest en dertig bassen, de Symphonic Epilogue to P.B. Shelley's 'The Cenci' uit 1910 en de in 1914 voltooide symfonie, bijgenaamd de Chinese , voor vijf solostemmen, koor en orkest, waarvoor hij teksten gebruikte uit de in 1907 verschenen anthologie Die chinesische Flöte van H. Bethge.

De pogingen die Van Dieren in het werk stelde zijn muziek ook buiten zijn kring aan de man te brengen, bleven echter vruchteloos, wat hem noopte tot een strengere vormgeving door de ontwikkeling van contrapuntische technieken. Bovendien verslechterde zijn gezondheidstoestand zich gaandeweg. In 1912 bleek dat hij leed aan een ongeneeslijke nierkwaal, die hem op den duur geregeld aan bed kluisterde. De hevigste pijnen, waarmee de aanvallen gepaard gingen, werden met morfine bestreden. In totaal heeft hij tien operaties moeten ondergaan. De financiële positie van het gezin, die toch al grotendeels rustte op de inkomsten van Frida, raakte hierdoor steeds meer afhankelijk van de steun van vrienden.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarin Van Dieren enige tijd diende bij de Britse Inlichtendienst als codespecialist, kwamen zijn muzikale contacten met het continent tijdelijk stil te liggen. De nadere confrontatie met de Britse muziekwereld verliep via de beeldhouwer J. Epstein, met wie Van Dieren in 1915 bevriend raakte. Epstein heeft, getroffen door de aanblik van de lijdende componist, zijn sculptuur The risen Christ onder meer naar hem gemodelleerd. Van Dieren droeg op zijn beurt in 1916 een zetting van drie Shakespeare-sonnetten op aan Epstein: de Diaphony voor kamerorkest en bariton, waarin hij zijn ideaal verwezenlijkte van een nieuwe, melodische polyfonie, die het jaar daarop ook in het tweede strijkkwartet werd toegepast.

In 1916 bracht Epstein Van Dieren in contact met C. Gray en Ph. Heseltine (pseudoniem Peter Warlock), een ontmoeting die van beslissende betekenis zou zijn. De twee jonge musici, non-conformistisch en welgesteld, raakten zozeer onder de indruk van de persoon en muziek van Van Dieren, dat zij zich als leerlingen onder zijn hoede stelden. Als ware pleitbezorgers voor zijn werk organiseerden en financierden zij weldra een Van Dieren-concert, dat plaatsvond op 20 februari 1917 in de Wigmore Hall te Londen. Onder leiding van de componist, die door Heseltine aan het publiek werd gepresenteerd als de eerste werkelijke contrapuntist sinds Bach en werd vergeleken met Schönberg, gingen hier de Diaphony en de Ouverture to an imaginary comedy voor kamerorkest uit 1916 in première. Het concert leidde in de publiciteit tot een controverse, die Van Dieren nog lang zou achtervolgen.

Na de oorlog vertrok Van Dieren voor enkele jaren naar Den Haag, waar ook zijn familieleden nu woonden. Hier schreef hij in 1919 zijn derde strijkkwartet en een jaar later de monografie Epstein (Londen, 1920). De Berlijnse contacten werden weer aangehaald, toen hij in 1922 zitting nam in het comité van het Internationale Komponistengilde . In toenemende mate werd zijn werk nu uitgevoerd en uitgegeven. Op voorspraak van Busoni en F. Delius verschenen in 1926 de Zes schetsen bij Universal Edition in Wenen. Oxford University Press zou enkele jaren later, dank zij de inspanningen van Heseltine, zijn belangrijkste uitgever worden. In 1925 was Van Dieren korte tijd werkzaam bij de vestiging van Philips in Londen.

Van Dierens muzikale stijl onderging in deze naoorlogse periode veranderingen. Na het Sonetto VII of Edmund Spenser's 'Amoretti' voor tenor en elf instrumenten uit 1921 kwam het accent, mede onder invloed van zijn ziekte, op de kleinere genres te liggen. Het ideaal van een sterk ontwikkelde instrumentale en polyfone techniek bleef echter leven, vooral in de zes strijkkwartetten, die hij in totaal schreef. Wel is het harmonisch repertoire vereenvoudigd en gesystematiseerd en zijn tonale elementen gereïntegreerd. In zijn talloze liederen overheerst een sereen elegische toon. De uit 1916 stammende opera buffa The tailor werd door hem in 1930 voltooid, maar de beoogde uitvoering vond geen doorgang. Een grote schok betekende voor Van Dieren aan het eind van hetzelfde jaar de zelfmoord van Heseltine, die hem tot executeur-testamentair en erfgenaam had benoemd. In 1935, een jaar voor zijn dood, kon hij nog de eerste uitvoering bijwonen van zijn Chinese symfony door het BBC Symphony Orchestra en de leiding op zich nemen van een aan het werk van F. Liszt gewijde reeks radiouitzendingen.

Bernard van Dieren huldigde de aristocraticiteit van het kunstenaarschap en verachtte bovendien het academisme. De gespannen verhouding die er in de moderne muziekgeschiedenis bestaat tussen dit waardenpatroon enerzijds en de maatschappelijke omstandigheden anderzijds, is het hoofdthema van zijn geestige en briljant geschreven bundel Down among the dead men - and other essays (Londen, 1935). Wegens zijn universele belangstelling, uiteenlopend van natuurwetenschappelijke onderwerpen tot taal, kookkunst en revolverschieten, werd hij nog tijdens zijn leven met Leonardo da Vinci vergeleken. Tijdgenoten als Gray en Epstein, de literatoren O. en S. Sitwell, de kunsthistoricus H.E. Read, en de componist K.S. Sorabji hebben een beeld geschetst van zijn voorname voorkomen, eruditie en artistiek-technisch talent. De plaats van de letteren in zijn leven en werk is prominent: van ongeveer veertig dichters heeft Van Dieren - vaak verschillende - verzen op muziek gezet in een breed scala van vocaal- instrumentale combinaties.

Hoewel de musicoloog W.H. Mellers Gray en Heseltine nog in hun hooggestemde oordeel was bijgevallen (Scrutiny 5 (1936/1937) 263-276), raakte Van Dieren met de dood van zijn protagonisten na de Tweede Wereldoorlog in de vergetelheid. Zijn nalatenschap, waaronder kalligrafische, soms eigenhandig ingebonden manuscripten, uitgevoerd noch uitgegeven, viel uiteen. Eind jaren zestig kwam in Groot-Brittannië het historisch onderzoek op gang. Bij de huidige stand is de plaats die het werk van Van Dieren in de muziek van zijn tijd inneemt nog onduidelijk. Aan het Nederlandse muziekleven is deze Rotterdamse componist vrijwel ongemerkt voorbijgegaan. Zijn invloed in Groot-Brittannië is zonder meer aanzienlijk geweest: in het bijzonder op zijn leerlingen Gray en Heseltine, die hem als 'the master' vereerden, en in mindere mate op A. Bliss en C. Lambert. Aangetoond kon worden dat in het contact met Busoni niet van eenzijdige beïnvloeding sprake is geweest. Van Dierens historische betekenis is wellicht gelegen in de bemiddelende rol die hij heeft gespeeld tussen de verschillende muzikale tradities in Europa

A: Collecties-B.H.J. van Dieren in de British Library te Londen, en de collectie van het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: Een korte beschouwing over de beteekenis der composities van Johannes Brahms, benevens een paar woorden naar aanleiding van een ingezonden stuk van den heer C.W. Ritter in het nummer van 15 Juli 1910 v/h Maandblad voor Muziek "Caecilia" [Londen, 1911]. Een geannoteerde catalogus van composities van Van Dieren is opgenomen in het onder L genoemde werk van Tomlinson, 42-60.

L: Geannoteerde bibliografie tot 1979 van publikaties over Van Dieren in: Fred Tomlinson, Warlock and Van Dieren. With a Van Dieren catalogue (Londen, 1978) 61-63. Verder verschenen o.a.: Ch. van den Borren, Geschiedenis van de muziek in de Nederlanden II (Amsterdam [etc.], 1951); Alastair Chisholm, Bernard van Dieren. An introduction. With a memoir by Sacheverell Sitwell (Londen, 1984); Stephen Banfield, Sensibility and English Song - Critical studies of the early twentieth century (2 dln.; Cambridge, 1985); Patrick Riley, The string quartets of Bernard van Dieren (Ann Arbor, 1985); Denis ApIvor, 'Bernard van Dieren: search and rescue one hundred years on', in The Music Review 47 (1986/1987) 253-266; idem, 'Bernard van Dieren', in Composer 35 (1987) 90 (Spring) 1-8; Hywel Davies, 'Bernard van Dieren (1887-1936)', in The Musical Times 128 (1987) 675-678; idem, 'Bernard van Dieren, Philip Heseltine and Cecil Gray: a significant affiliation', in Music & Letters 69 (1988) 30-48.

I: Alastair Chisholm, Bernard van Dieren. An introduction. With a memoir by Sacheverell Sitwell (Londen, 1984) 22.

H. de Velde


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013