Dijserinck, Esther Welmoet (1876-1956)

 
English | Nederlands

DIJSERINCK, Esther Welmoet (1876-1956)

Dijserinck, Esther Welmoet, (bekend onder de naam Welmoet Wijnaendts Francken-Dyserinck), feministe (Den Helder 7-2-1876 - 's-Gravenhage 11-11-1956). Dochter van Johannes Dijserinck (bekend onder de naam Dyserinck), doopsgezind predikant en letterkundige, en Alida Johanna Geertruida Welmoet Bok. Gehuwd op 16-12-1897 met Cornelis Johannes Francken (door naamstoevoeging bij KB van 30-11-1889 gewijzigd in Wijnaendts Francken), filosoof en publicist. Dit huwelijk, waaruit geen kinderen werden geboren, werd ontbonden op 10-11-1916. afbeelding van Dyserinck, Esther Welmoet

Welmoet Dyserinck bracht haar jeugd door in achtereenvolgens Den Helder, Vlissingen en Rotterdam. In de laatstgenoemde plaats bezocht zij, nadat haar vader daarvoor toestemming had gevraagd, als een van de eerste meisjes van 1888 tot 1892 het Erasmiaansch Gymnasium. Na het vierde jaar verliet ze deze school; zij richtte met een paar vriendinnen een zogeheten Toynbeeklasje op, waar aan meisjes tussen de zes en twaalf jaar, naast intellectuele kennis en kunde, ook nuttig handwerk werd geleerd. Enkele jaren later, op 3 december 1896, richtte ze de Toynbee-Vereeniging te Rotterdam op.

In het volgende jaar trouwde Welmoet met de filosoof C.J. Wijnaendts Francken. Met hem volgde zij van 1898 tot 1902 colleges aan de universiteiten van Jena, Zürich, Parijs en Berlijn. Over haar ervaringen op deze reizen schreef zij in Belang en recht , het blad van het Comité tot verbetering van den maatschappelijken en den rechtstoestand der vrouw in Nederland. In dit blad publiceerde ook haar moeder.

De invloed van de moeder, maar vooral van de vader op de (toekomstige) feministe is ongetwijfeld zeer groot geweest. Johannes Dyserinck had een grote bewondering voor geletterde vrouwen in de Nederlandse letterkunde, zoals Betje Wolff en Aagje Deken, en geleerde tijdgenotes, zoals Geertruida Bosboom-Toussaint, over wie hij regelmatig publiceerde. Ook voor de lichamelijke bevrijding van de vrouw hadden haar ouders aandacht, getuige het lidmaatschap van moeder en dochter van de Vereeniging voor Verbetering van Vrouwenkleeding, die pleitte voor een vrouwenmode zonder corsetten en andere bewegingsvrijheidbeperkende kleding. Ook in later jaren bleef Welmoet Wijnaendts Francken-Dyserinck grote waarde hechten aan de lichamelijke ontwikkeling van vrouwen en meisjes, zoals blijkt uit haar rol in het Nederlandsch Padvindsters Gilde, waarvan zij van 1922 tot 1936 vice-voorzitster was, en in de Wereldbond van Padvindsters, waar zij van 1928 tot 1930 deel uit maakte van het Wereldcomité.

Na terugkomst in Nederland in 1902 begon Welmoet op aandringen van Marianne C. Klerck-van Hogendorp, presidente van de Nationale Vrouwenraad, spreekbeurten te houden tegen de reglementering van de prostitutie en de handel in blanke slavinnen. In hetzelfde jaar werd zij gekozen tot voorzitster van de Vereeniging 'Onderlinge Vrouwenbescherming', die zich ten doel stelde de positie van de ongehuwde moeder en het buitenechtelijke kind te verbeteren door het verlenen van financiële ondersteuning en het bevorderen van wijzigingen in de wetgeving. Zij zou tot 1909 presidente van het bestuur van deze vereniging blijven. Aangezien verandering van de wetgeving een van de middelen was waardoor de positie van vrouwen kon worden verbeterd, was ze ook een voorstandster van vrouwenkiesrecht. Zij werd lid van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, en was in 1903/1904 voorzitster van de afdeling 's-Gravenhage. In 1907 keerde zij echter deze vereniging de rug toe, omdat haar pogingen het lidmaatschap ook voor mannen open te stellen faalden. Zo kon zij in dat zelfde jaar medeoprichtster worden van de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht, die wèl mannen als lid opnam en zich in zijn activiteiten niet tot de strijd voor vrouwenkiesrecht wilde beperken. Van 1908 tot 1910 was ze presidente van de Bond. Dat zij ondertussen als feministe een en ander ook in een ruimer maatschappelijk verband wilde plaatsen, bleek uit haar betrokkenheid bij andere sociale activiteiten: lidmaatschap van de Vereeniging tot bestrijding van woeker en werkzaamheden ten gunste van de beperking van de vivisectie en het Roode Kruis.

In al dit feministisch en sociaal georiënteerde werk trad een zekere pauze in toen Welmoet in 1910 met haar echtgenoot langdurige verre reizen ondernam, naar de Balkan, Afrika en West-Indië. Haar reisbrieven verschenen in het Algemeen Handelsblad en werden kort daarna gebundeld: in 1912 Uit het Zonneland. Afrikaansche reisbrieven en in 1913 Drie maanden in de West. Reisbrieven . Over het algemeen wordt aangenomen dat de gezamenlijke reizen van Wijnaendts Francken en zijn vrouw ondernomen werden als een laatste poging om, ondanks hun sterk uiteenlopende meningen over vrouwenemancipatie - hij was hiervan een uitgesproken tegenstander -, hun huwelijksband te redden. Dit lukte echter niet, en in 1916 werd de scheiding uitgesproken. Deze heeft overigens niet geleid tot een rigoreuze breuk tussen beiden: ook in later jaren vergezelde zij haar ex-echtgenoot op zijn reizen, en zij bleef haar hele leven zijn naam voeren.

Na deze echtscheiding werd Welmoet weer actief in de vrouwenbeweging. In 1919 werd zij bestuurslid van de Unie voor Vrouwenbelangen en pleitte voor moederschapszorg van overheidswege en gelijke rechten voor vrouwen in het huwelijk. Zij schreef - soms onder het pseudoniem Waf of Estella - in talrijke liberale dagbladen zoals het Algemeen Handelsblad en de Nieuwe Rotterdamsche Courant , maar ook in meer neutrale en progressief gerichte periodieken, zoals De Telegraaf of De Vrouw en haar Huis , en zij vertegenwoordigde de Nederlandse journalistes op internationale vrouwencongressen. Ook in ander opzicht bleek haar liberale gezindheid: in 1902 was zij bijvoorbeeld lid van het Hoofdbestuur van de Vrijzinnig-Democratische Bond geweest, in 1918 werd zij bestuurslid van de rechts-liberaal te achten Economische Bond en later van de Vrijheidsbond. Binnen deze bond zette zij in 1922 een vrouwengroep op. Haar politieke aspiraties werden gefrustreerd doordat zij steeds op onverkiesbare plaatsen op de lijst kwam te staan; eerst van de Vrijheidsbond, later van de Liberale Staatspartij.

Economische onafhankelijkheid op basis van een eigen inkomen was volgens Welmoet een van de belangrijkste voorwaarden voor de emancipatie van vrouwen. Vooral in de jaren dertig werd zij op dit terrein actief. Zo stond zij aan de wieg van de Unie van Nederlandsche Soroptimist Clubs, een soort vrouwelijke rotary, en was zij van 1929 tot 1931 voorzitster van de Unie. Door haar werd in 1935 bovendien de Club voor vrouwen werkzaam in bedrijf en beroep opgericht en zij trad toe tot het Comité tot verdediging van de vrijheid van arbeid voor de vrouw. In dat zelfde jaar behoorde zij tot de initiatiefneemsters voor het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging in Amsterdam.

Tot op hoge leeftijd bleef Welmoet betrokken bij de politieke ontwikkelingen en bij die van de vrouwenbeweging. In het begin van de Tweede Wereldoorlog was zij korte tijd lid van de Nederlandsche Unie, maar zij trok zich op 30 juni 1941 eruit terug, omdat deze niet tegemoet wilde komen aan haar feministische eisen. Na de bevrijding was zij korte tijd lid van de nieuwe partij 'Vrijheid en Recht', die overigens bij de verkiezingen geen succes behaalde, en werkte zij in 1948 bij het vijftigjarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina mee aan de tentoonstelling 'De Vrouw 1898-1948'. In 1954 sprak zij in verband met de oprichting van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, zestig jaar tevoren, de herdenkingsrede uit.

Van zichzelf had Welmoet in 1905 gezegd geen verenigingsmens te zijn, maar zij was toch in de jaren daarna de (mede)oprichtster en bestuurster van talloze verenigingen, merendeels vrouwenverenigingen, geweest. Menigmaal heeft zij met mede- en tegenstanders van de beweging voor vrouwenemancipatie de degens gekruist in woord en geschrift. Haar grote voorbeelden waren Mina Kruseman en A.M.M. Storm-van der Chijs, voor wie zij herdenkingsmanifestaties organiseerde in respectievelijk 1919 en 1955; beiden hadden immers met haar pleidooien voor emancipatie in de 19e eeuw de grondslag gelegd voor de latere vrouwenbeweging. Zelf was zij in de 20e-eeuwse Nederlandse vrouwenbeweging in menig conflict verwikkeld, onder anderen met Aletta Jacobs en Johanna Naber. Bewonderd werd zij vooral door haar collega-journalistes, zoals Emmy Belinfante, en door medestrijdsters, zoals Elise van Dorp. Van die bewondering getuigden de uitgebreide huldiging op haar zestigste verjaardag in 1936, toen een speciaal voor deze gelegenheid in het leven geroepen Eerecomité haar een receptie aanbood in hotel 'De Witte Brug' te 's-Gravenhage, en de vele necrologieën die er verschenen bij haar overlijden.

Welmoet Wijnaendts Francken-Dyserinck was een bijzonder eigenzinnige strijdlustige en ambitieuze dame. Als jonge nieuwkomer in de vrouwenbeweging van omstreeks 1900 schuwde zij het niet meteen de voorzittershamer te hanteren of conflicten aan te gaan met de oude garde onder leiding van Aletta Jacobs. Omdat zij niet bereid was compromissen te sluiten, zag zij zich menigmaal genoodzaakt een vereniging te verlaten; soms alleen, soms met haar volgelingen. Haar gedrevenheid en haar connecties met de media hebben er echter voor gezorgd dat zij nooit helemaal alleen kwam te staan en tot op hoge leeftijd een symbool bleef voor de Nederlandse vrouwenbeweging. Haar liberale stellingneming is er waarschijnlijk de oorzaak van dat de vrouwenbeweging die in de jaren zestig opkwam en meer links-radicaal georiënteerd was, haar niet als zodanig waardeerde

A: Archief-E.W. Wijnaendts Francken-Dyserinck in het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging te Amsterdam.

P: De taak der vrouw ['s-Gravenhage, 1900]; Over de sociale positie van de ongehuwde moeder en haar kind (Amsterdam, 1905); Vrouwenkiesrecht (Pro: WWFD. Contra: Arnold Levy) (Baarn, 1906). Pro en Contra: 2e serie nr. 6; met mw. E.C. van Dorp, Een knuppel in 't hoenderhok (Haarlem, 1907); Het vivisectie-vraagstuk in het Nederlandsch Parlement ('s-Gravenhage, 1908); Met de huik naar de wind (Leiden, 1909); De vrouw uit de arbeidende klasse en het kiesrecht [Leiden, 1910]; Iets over de ontwikkeling der vrouwenkiesrechtbeweging in ons land (Leiden, 1911); Vrouwenplicht en gemeenschapsdienst ['s-Gravenhage, 1913]; 'Vrouwendienstplicht (Hongarije - Japan)', in Vragen des Tijds 40 (1914) 192-204; samen met C.P. Gunning, Het gezinsloon. Verslagen ... over de voor- en nadelen van huwelijks- en kinderbijslag... ('s-Gravenhage, 1921); Moederschapszorg (Haarlem, 1924); Kameraadschapshuwelijk (Pro: WWFD. Contra: P.H. Ritter) (Baarn, 1933). Pro en Contra: nieuwe serie nr. 7; De strijd voor het vrouwenkiesrecht herdacht ['s-Gravenhage, 1954].

L: Behalve herdenkingsartikelen en necrologieën o.a. in Nieuwe Rotterdamse Courant , 3-2-1951, 4-2-1956, 12-11-1956; Algemeen Handelsblad , 12-11-1956 en Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1957-1958 (Leiden, 1958) 84-96: F. Netscher, in De Hollandsche Revue 10 (1905) 26-35; W.H. Posthumus-van der Goot, 'Een tijdperk en een vrouw: Welmoet Wijnaendts Francken-Dijserinck', in De Groene Amsterdammer 75 jaar rijp en groen (S.l., 1952) 62, 149.

I: Van moeder op dochter. De maatschappelijke positie van de vrouw in Nederland vanaf de Franse tijd. Onder red. van W.H. Posthumus-van der Groot en Anna de Waal (Utrecht [etc.] 1968).

Fia Dieteren


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013