Dix, Johan Frederik Christiaan (1881-1988)

 
English | Nederlands

DIX, Johan Frederik Christiaan (1881-1988)

Dix, Johan Frederik Christiaan, siergewassenveredelaar, publicist en bestuurder van tuinbouwvakorganisaties (Maartensdijk (U.) 20-7-1881 - Heemstede 27-12-1988). Zoon van Karel Constant Dix, tuinbaas, en Sophia Cornelia Aué. Gehuwd op 5-8-1909 met Antonia van Nes. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

Tijdens zijn kinderjaren zwierf Johan Dix dikwijls rond op het landgoed 'Persijn' van de familie Van Hengst te Maartensdijk, waar zijn vader tuinbaas was. Aanvankelijk leek Johan in diens voetsporen te treden. Na de lagere school hielp hij zijn vader op het landgoed, om vervolgens als tuinknecht in dienst te treden van de burgemeester van Jaarsveld. Dit werk beviel hem echter slecht, zodat hij in 1899 jongste bediende werd bij de Hortus Botanicus in Utrecht. Vanaf maart 1901 werkte hij achtereenvolgens op kwekerijen te Iserlohn en Burg in Duitsland, waardoor hij veel vakkennis opdeed. Het jaar daarop verbleef hij enige maanden in Londen; bijna dagelijks was hij in de befaamde Kew Gardens om er zijn kennis van de plantennomenclatuur te verrijken.

Op 1 april 1902 trad Dix in dienst van de firma E.H. Krelage & Zn. Bij deze vermaarde Haarlemse handelskwekerij legde hij zich toe op het doelgericht veredelen van bloembollengewassen. Men was toen namelijk tot het inzicht gekomen dat bestuiving met behulp van pincet en penseel aanzienlijk betere resultaten opleverde dan bestuiving door insecten of de wind. De geslaagdste aanwinsten die Dix op deze manier won, waren de leliebloemige tulpen omstreeks 1910 en de groep der Mendeltulpen in 1915, die ontstonden na kruisingen van onderscheidenlijk Retroflex- en Duc van Toltulpen met Darwintulpen. Ook de witte trompetnarcis 'Mrs. E.H. Krelage' behoorde tot zijn succesrijkste aanwinsten. Naast nieuwe cultuurvariëteiten (cultivars) van tulpen en narcissen heeft Dix ook veel nieuwe verscheidenheden van gladiolen, irissen, hippeastrums, phloxen, dahlia's, delphiniums, pioenen en tal van andere siergewassen gewonnen. Vele malen behaalden deze cultivars, die op naam van de firma Krelage geregistreerd werden, hoge onderscheidingen en getuigschriften 'van verdienste' en 'eerste klasse'. Door zijn inspanning en inzicht heeft Dix een belangrijke bijdrage geleverd aan de verbetering en uitbreiding van het siergewassensortiment.

Behalve als hybridisateur was Johan Dix ook als 'reiziger' werkzaam. Hij verbleef vaak in het buitenland om er zich op de hoogte te stellen van de jongste ontwikkelingen op sierteeltgebied. Dank zij zijn handelsgeest wist hij hoge prijzen te bedingen voor de nieuwe aanwinsten van zijn werkgever. Later heeft Dix ook ten eigen bate nieuwigheden gewonnen, geteeld en verhandeld, hetgeen hem geen windeieren heeft gelegd. Te zamen met zijn zoon stichtte Dix in 1933 de bloembollenhandel en -kwekerij NV Jan Dix jr. te Heemstede. Deze firma bracht een groot aantal nieuwe cultivars op de markt. Nog in 1962 werd hij met zijn kleinzoon Jan Willem Dix compagnon in de eveneens te Heemstede gevestigde firma Dix-Zijerveld.

Reeds als knechtje in de Utrechtse hortus schreef Dix op aandrang van hortulanus J.K. Budde zo'n vierhonderd opstellen over de daar aanwezige flora, waardoor zijn uitdrukkingsvaardigheid ontwikkeld werd. Vanaf 1899 publiceerde hij onafgebroken artikelen in tuinbouwvakbladen. In juli 1907 werd hij aangesteld als mederedacteur van het Weekblad voor Bloembollencultuur . In verband met de gevorderde leeftijd en ziekte van A. Fiet, hoofdredacteur van het vak- en liefhebbersblad Floralia , zocht de uitgever, W. van Gorcum te Assen, eind 1919 naar een opvolger. Het oog viel op Dix, die na langdurige onderhandelingen zwichtte voor het hoge salaris dat men hem bood. Met pijn in het hart verliet hij in januari 1920 de firma Krelage en de hem vertrouwde omgeving van de bloembollencultuur, om zich met zijn gezin in de Drentse hoofdstad te vestigen. Mede door Dix' vindingrijkheid, enthousiasme en werklust werd het aanzien van Floralia verbeterd, waardoor het aantal abonnees gestadig groeide. Vanaf eind 1920 was hij tevens hoofdredacteur van het door hem opgerichte Handelsblad voor den Tuinbouw .

Spoedig werd echter duidelijk dat Assen te ver verwijderd lag van de sierteeltcentra in het westen van het land om actuele berichtgeving mogelijk te maken. Eind april 1926 verhuisde Dix dan ook naar Heemstede, van waaruit hij Floralia tot 1946 bleef redigeren. Twee jaar na die verhuizing kwam hier nog het hoofdredacteurschap van het Kweekersblad bij, dat in januari 1942 opging in het Weekblad voor Bloembollencultuur , waar hij dus na 22 jaar terugkeerde. Voor uitgeverij Van Gorcum redigeerde Dix van 1922 tot 1928 in de serie populair-wetenschappelijke boekjes 'Weten en Kunnen' de afdeling plant, boom en vrucht. Van de in totaal 44 delen nam hij er zelf negen voor zijn rekening. Verder publiceerde Dix nog verscheidene brochures en negentien boeken, die zowel in het Nederlands als in een aantal vreemde talen verschenen, waarvan Gekweekte planten ... (1926) het best verkocht werd. Ten einde tuinieren bij het grote publiek populair te maken, hield hij in de tweede helft van de jaren twintig ook radiopraatjes. Op doktersadvies legde Dix in mei 1946, kort voor zijn 65e verjaardag, al zijn redactionele functies neer. Wel bleef hij daarna, rusteloos als hij was, de vakliteratuur rijkelijk voorzien van lezenswaardige artikelen.

In zijn lange, werkzame leven heeft Johan Dix verschillende bestuursfuncties bekleed. Onder andere was hij van 1913 tot 1972 lid van de Vaste Keuringscommissie van de Koninklijke (Nederlandsche) Maatschappij (voor) Tuinbouw en Plantkunde, die cultivars van allerlei tuinbouwgewassen aan een scherp kritisch oordeel onderwerpt. Nog groter is Dix' invloed geweest binnen de (Koninklijke) Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur. Daarnaast had hij jarenlang zitting in verscheidene commissies en subcommissies, zoals de Commissie voor de Nomenclatuur, keurings- en tentoonstellingscommissies. Tevens was hij een gerespecteerd jurylid bij bloemententoonstellingen. Als groot dahlialiefhebber was hij in 1918 een van de oprichters, bestuurslid (1918-1930) en voorzitter (1930-1959) van de Nederlandsche Dahlia Vereeniging. Daarenboven was hij in 1911 medeoprichter en bestuurslid (1931-1951) van de Nederlandsche Gladiolus Vereeniging.

Dix, die bekend stond als een vlotte prater en een innemend en hulpvaardig mens, mocht zich heel lang in een goede gezondheid verheugen, waardoor hij tot op hoge leeftijd zeer actief kon blijven. Ook na zijn honderdste verjaardag bezocht hij steeds tentoonstellingen en bijeenkomsten, want zijn belangstelling voor de sierteelt bleef onverflauwd. Bijna tot zijn overlijden - hij werd 107 jaar oud - woonde 'de nestor van het bloembollenvak' zelfstandig in zijn villa te Heemstede. Wegens zijn vele verdiensten werd Dix op latere leeftijd geëerd met tal van onderscheidingen en eerbewijzen, terwijl verscheidene nieuw gewonnen sierplantenvariëteiten zijn naam dragen

A: De boekerij van J.F.Ch. Dix en zijn notitieboekjes met aantekeningen van verricht kruisingswerk etc. berusten bij de familie Dix.

P: Bibliografie in het onder L genoemde werk van R.A.J. Dix, 66-74.

L: Behalve artikelen in o.a. Groei en Bloei 28 (1980) 2 (febr.) 10-11; Bloemenkrant , 19-7-1988 en necrologieën in Haerlem. Jaarboek 1988 (Haarlem, 1989) 207-209 en Bloembollencultuur , 12-1-1989: E.H. Krelage, Drie eeuwen bloembollenexport. De geschiedenis van den bloembollenhandel en der Hollandsche bloembollen tot 1938 ('s-Gravenhage, 1946); H.J. Voors, Honderd jaren bloembollencultuur [Haarlem, 1960]; R.A.J. Dix, Een eeuw lang tussen de bloemen. J.F.Ch. Dix 1881-1981 ([Hillegom] 1981).

A.W.J. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013