Drees [sr.], Willem (1886-1988)

 
English | Nederlands

DREES [SR.], Willem (1886-1988)

Drees [sr.], Willem, Tweede-Kamerlid en minister-president (Amsterdam 5-7-1886 - 's-Gravenhage 14-5-1988). Zoon van Johannes Michiel Drees, bankbediende, en Anna Sophia van Dobbenburgh. Gehuwd op 28-7-1910 met Catharina Hent. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Drees [sr.], Willem

De sfeer van liefdadigheid, armenzorg en maatschappelijk hulpbetoon waarin de jeugd van Willem Drees zich afspeelde, is beslissend geweest voor zijn worteling in de sociaal-democratische traditie. Toen hij vijf jaar was, overleed zijn vader. Zijn moeder bleef achter met drie kinderen en kon de eindjes slechts aan elkaar knopen door kamers te verhuren en door de financiële bijstand van een rijke zwager. Dank zij deze oom bleef Drees de armenschool bespaard. Na de driejarige HBS en de Openbare Handelsschool begon hij in 1903 bij de Twentsche Bank, de vroegere werkgever van zijn vader. Hij kreeg een driejarig contract met daarin de bepaling dat bij voortijdig vertrek het verdiende salaris moest worden terugbetaald. Met tegenzin heeft hij hier zijn tijd uitgediend, en hij bleef er ook geen dag langer. Hij vestigde zich in 1906 met een eigen bureau, Drees & Jansen, als stenograaf.

De stenografie had Drees al tijdens de middelbare-schooltijd in de greep gekregen. In 1902 richtte hij de oefenclub 'Steeds sneller' op. Daar bekwaamde men zich in het in 1899 door A.W. Groote ontworpen systeem. Drees ontwikkelde zich tot een erkend stenograaf die veel werd gevraagd. Uiteindelijk kreeg hij in 1907 een vast dienstverband bij de Staten-Generaal. Jarenlang bekleedde hij bestuursfuncties in de Federatie van Stenografen Systeem-Groote.

Afkomstig uit een gereformeerd gezin brak Drees al op de middelbare school met het geloof, en zodra hij achttien jaar was, meldde hij zich aan als lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). In de partij legde Drees van meet af aan een groot engagement aan de dag. Bij alle belangrijke gebeurtenissen - congressen, manifestaties, verkiezingscampagnes - was hij present, aanvankelijk nog als een nieuwsgierige toeschouwer, maar in 1907 eenmaal naar Den Haag verhuisd, ontplooide hij tal van activiteiten voor de partij. Drees is altijd meer organisator dan theoreticus geweest. Bovenal interesseerde hem de praktijk. Reeds in 1911 werd hij voorzitter van de Haagse SDAP-federatie, en twee jaar later zag hij zich verkozen tot lid van de gemeenteraad van Den Haag. In 1919 wethouder van Sociale Zaken geworden, legde hij het federatievoorzitterschap neer om het ruim een jaar later weer op zich te nemen; pas in 1931 bedankte hij er definitief voor. Hij verruilde toen het wethouderschap van Sociale Zaken voor dat van Financiën en Openbare Werken.

In een drietal opzichten vormde het wethouderschap een leertijd voor Drees' latere politieke leven. Allereerst ontdekte hij, door de samenwerking met vertegenwoordigers van andere politieke richtingen in gemengde colleges, dat het bedrijven van verstandige politiek bestond uit het sluiten van compromissen. Verder leerde hij het gevaar onderkennen van toegeven aan radicale eisen van revolutionair aandoende groeperingen, zeker wanneer die eisen in strijd waren met gangbare regels van overleg. Ten slotte ontwikkelde hij een opvallende zuinigheid in het beheer van de gemeenschapsgelden.

In deze tijd was het werkterrein van de SDAP noodgedwongen nog voornamelijk dat van de gemeentepolitiek. Drees' ster steeg hier snel. In 1927 werd hij gekozen tot lid en vice-voorzitter van het partijbestuur. In deze functie gaf hij steun aan de door J.J. Vorrink cum suis bepleite verbreding van de te dogmatisch ingestelde SDAP tot een echte volkspartij op socialistische grondslag. In zijn jeugd was Drees weliswaar gevoelig gebleken voor de socialistische heilsverwachting, maar door schokkende gebeurtenissen als het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 en de opmars van het bolsjewisme had het geloof in de aangeboren goedheid van de mens plaats gemaakt voor een pessimisme omtrent de haalbaarheid van de socialistische idealen op korte termijn. Nuchterheid kreeg bij hem de overhand op bevlogenheid.

In 1933 stootte Drees door naar de landelijke politiek: op 9 mei van dat jaar verruilde hij het wethouderschap voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer. Hier viel hij meteen op door zijn redelijkheid in de bestrijding van het beleid van de burgerlijke kabinetten. Al snel werd hij vice-fractievoorzitter en in augustus 1939, toen J.W. Albarda opschoof naar de regeringsbanken, fractieleider. Hij bleef overigens gewoon lid van de Haagse gemeenteraad, totdat de bezetter hieraan in 1941 een einde maakte. Dat gold ook voor de Provinciale Staten van Zuid-Holland, waarin hij vanaf 1919 zitting had en lange tijd de SDAP-fractie leidde.

In de meidagen van 1940 probeerde Drees tevergeefs naar Groot-Brittannië te ontkomen. In oktober werd hij door de Duitse bezetter als een van de zogeheten Indische gijzelaars geïnterneerd in het concentratiekamp Buchenwald. Precies een jaar later kreeg hij ontslag op grond van een maagkwaal, waaraan hij van kindsbeen af leed; zijn maag produceerde nauwelijks verteringssappen, waardoor hij de rest van zijn leven een streng dieet moest houden en op medicijnen was aangewezen. Mede daarom leefde hij sober en rookte en dronk hij bij hoge uitzondering, wat bijdroeg tot de beeldvorming van Drees als de ideale, ascetische socialist.

In mei 1942 werd Drees opnieuw gegijzeld, ditmaal in Sint-Michielsgestel. Zijn verblijf aldaar bleef echter beperkt tot twee weken. Deze korte duur had naar twee kanten gevolgen. Enerzijds onderging Drees niet - als hij er al voor open zou hebben gestaan - de 'sfeer van Gestel', waarin allerhande hemelbestormende ideeën over een politiek en maatschappelijk vernieuwd naoorlogs Nederland werden gecultiveerd. Drees' overtuiging dat een sociaal-democratische partij in de vorm van de SDAP onmisbaar was, bleef onaangetast. Anderzijds werd hij in bezet Nederland door het wegvallen van vrijwel de gehele partijtop vanzelf de prominentste SDAP'er. Hij nam actief deel aan het illegale overleg tussen politici en verscheidene verzetsgroeperingen, die elkaar ontmoetten in organisaties als het Politiek Convent, het Nationaal Comité, het Vaderlandsch Comité en de Contactcommissie der Illegaliteit. Niet zelden vervulde Drees het voorzitterschap. Aan het einde van de bezettingstijd werd hij - met als schuilnaam 'Dreyfus' - ook nog lid van het College van Vertrouwensmannen, een door de regering in Londen ingesteld orgaan dat, in afwachting van haar terugkeer, maatregelen moest voorbereiden voor de overgangstijd direct na het einde van de oorlog.

Op het moment van de bevrijding nam Drees aldus in politiek opzicht een centrale positie in. Het lag dan ook voor de hand dat koningin Wilhelmina hem betrok bij de kabinetsformatie van mei/juni 1945, als representant van het vooroorlogse bestel. Wilhelmina voelde zich weliswaar aangetrokken tot de vernieuwingsgezinde Nederlandse Volksbeweging (NVB) onder leiding van W. Schermerhorn, maar begreep aan de traditionele politieke partijen niet voorbij te kunnen gaan. Daarom verstrekte zij de formatieopdracht aan Schermerhorn èn Drees: de eerste werd uiteindelijk op 24 juni 1945 premier, de laatste minister van Sociale Zaken.

Met het streven van de NVB naar een doorbraak in de zin van partijvorming op louter programmatische grondslag heeft Drees niet veel opgehad. Voor hem bestond de partijpolitieke vernieuwing slechts in een verbreding van de SDAP met de confessionele arbeiders, dus in een voortgaan op de weg die de sociaal-democraten in de jaren dertig al waren ingeslagen. Drees was nuchter genoeg om niet te geloven in de haalbaarheid van wat de NVB wilde. De door haar geëntameerde discussie leidde in februari 1946 tot de oprichting van de Partij van de Arbeid (PVDA): een sociaal-democratische partij waarin de SDAP, de Vrijzinnig-Democratische Bond en de kleine Christelijk-Democratische Unie opgingen en die de sociaal-democratische traditie van de SDAP voortzette. Het was gegaan zoals Drees het zich had voorgesteld. Dat slechts enkelen - vooral intellectuele jongeren, geen arbeiders - uit de confessionele rijen braken en toetraden tot de PVDA en voorts dat de partij electoraal voorlopig niet zou aanslaan binnen de confessionele bolwerken, was een teleurstelling, maar ook hier was Drees voldoende realist om niet te treuren en het onvermijdelijke te aanvaarden.

Drees is tot 1948 minister van Sociale Zaken gebleven, ook dus in het kabinet dat begin juli 1946 aantrad onder leiding van de katholieke premier L.J.M. Beel. Als minister toonde Drees zich een even krachtig en zakelijk bestuurder als in zijn Haagse tijd. Als de voornaamste taken beschouwde hij een forse uitbreiding van het toen nog bescheiden stelsel van sociale zekerheid en het laag houden van de lonen, dit laatste omdat Nederland anders nooit die concurrentiepositie kon opbouwen die nodig was om voldoende deviezen binnen te brengen voor de wederopbouw van het door de Duitsers verwoeste land. Met het oog hierop hield hij met strakke hand vast aan de regels van overleg die met de sociale partners waren overeengekomen.

Wat de uitbreiding van de sociale zekerheid betreft, gold Groot-Brittannië - waar men het rapport van sir William Beveridge over sociale zekerheid uit 1942 in de praktijk trachtte te brengen - als het grote voorbeeld. Terstond nam Drees de verbetering van de vaak schrijnende positie van de 'ouden van dagen' ter hand. Hij wenste te komen tot een verplichte ouderdomsverzekering voor allen, een inkomensonafhankelijke uitkering en betaling van de premie door de werkende generatie. Al in 1947 presenteerde Drees - de traditionele bezwaren van rechts tegen een staatspensioen omzeilend - een voorlopige regeling, de Noodwet Ouderdomsvoorziening, die ondanks haar bescheiden opzet in een grote behoefte voorzag. Drees' populariteit is vooral op deze regeling gebaseerd. Gezegden als 'trekken van Drees' en 'vadertje Drees' raakten snel ingeburgerd, en de Nederlandsche Economische Hoogeschool in Rotterdam verleende hem in 1948 een eredoctoraat.

De Noodwet werd in 1956 vervangen door de Algemene Ouderdomswet, die de aanvankelijke voornemens van Drees vrijwel geheel verwezenlijkte. Drees beheerde toen al lang niet meer het departement van Sociale Zaken. In 1948 was hij namelijk minister-president geworden. De keuze voor Drees verraste enigszins, omdat zij was gedaan door de katholieke formateur J.R.H. van Schaik, hoewel diens eigen partij, de Katholieke Volkspartij (KVP), de grootste was. De katholieken wensten om een complex van redenen verbreding van de kabinetsbasis met liberalen en protestanten, hetgeen in de PVDA de vrees voor een behoudende koers aanwakkerde. C.P.M. Romme, de politieke leider van katholiek Nederland, had een voorkeur voor het aanblijven van Beel, maar accepteerde een socialist als premier. Hij besefte dat aan de socialisten een prijs moest worden betaald voor de basisverbreding, en dan was Drees eigenlijk niet eens zo'n slechte keuze.

Drees heeft tien jaar lang, van 7 augustus 1948 tot 22 december 1958, leiding gegeven aan vier kabinetten, waaraan de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, de Christelijk-Historische Unie en de Anti-Revolutionaire Partij beurtelings steun verleenden. Door een lang volgehouden beleid van soberheid werd in deze periode de basis gelegd voor de welvaarts- en verzorgingsstaat die in de jaren zestig tot volle wasdom zou komen. Het scheppen van nieuwe werkgelegenheid via versnelde industrialisatie ter voorkoming van massawerkloosheid als in de jaren dertig, versterking van de internationale economische positie van Nederland en uitbreiding van de sociale zekerheid prevaleerden boven verhoging van de lonen. Drees zag in dat hij niet zonder de KVP kon, zoals Romme op zijn beurt besefte dat de steun van de PVDA onmisbaar was. De socialistische leider stond met overtuiging in de traditie van de pacificatiedemocratie; bij hem domineerde het harmoniemodel boven het conflictmodel. Hij vond dat in het belang van het land, maar ook in dat van de partij, want als de PVDA in de oppositie zou belanden, was zij tot machteloosheid gedoemd.

Onder het premierschap van Drees vond eind december 1949 de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië plaats. Drees heeft aan de kwestie - zoals zovelen in de PVDA - een trauma overgehouden, maar in de jaren dat zij speelde, deed hij in aversie jegens Soekarno niet onder voor de gemiddelde Nederlander. De nationalistische leider gold ook voor hem als het symbool van onbetrouwbaarheid, en dat verhinderde hem zich voldoende in te leven in de aard van de Indonesische revolutie. Daarbij voegde zich een zekere krampachtigheid om het behoud van de coalitie met de KVP te laten prevaleren boven het volgen van een eigen, meer aan de eisen van een voortvarend dekolonisatieproces aangepaste koers. Het is Drees en de PVDA steeds moeilijk blijven vallen zich mede verantwoordelijk te weten voor in 't bijzonder de twee politiële acties (zomer 1947 en eind 1948).

Drees was een bekwaam voorzitter van de ministerraad. In het kabinet genoot hij groot gezag, en niet alleen vanwege zijn leeftijd: toen hij in 1948 minister-president werd, was hij al 62 jaar; bovendien bezat hij een uitstekende dossierkennis. Ook in zijn denken bleef Drees de stenograaf. Daardoor kon hij snel doordringen tot de kern van een zaak en discussies richten op hoofdpunten. Weliswaar zijn hem enkele kabinetscrises niet bespaard gebleven - Nieuw-Guinea in 1951, de huurwet in 1955 -, er ging van hem toch zoveel depolariserende invloed uit dat althans in de boezem van het kabinet vrijwel nooit onbeheersbare spanningen ontstonden.

Drees' kunde als staatsman bleek opnieuw in 1956, toen hij een dreigende constitutionele crisis wist te bezweren. In dat jaar kwam naar buiten dat koningin Juliana onder invloed stond van de gebedsgenezeres Greet Hofman, hetgeen ook aan het hof voor de nodige problemen had gezorgd. Drees heeft toen onmiddellijk een commissie van wijze mannen ingesteld, die Hofman op kordate wijze verwijderde van Soestdijk en in het paleis orde op zaken stelde. Zelf zorgde hij ervoor dat de kwestie zoveel mogelijk buiten de publiciteit bleef en het parlement zich schikte in de wijze waarop hij de problemen had aangepakt.

Eind 1958 bleek Drees niet meer in staat te zijn de PVDA in de hand te houden. Staatsrechtelijke opvattingen hadden van hem een overtuigde dualist gemaakt. Dat betekende dat hij op gepaste afstand bleef van fractie en partijbestuur. Maar doordat de partij in de loop van de jaren vijftig het regeringsbeleid ging ervaren als een knieval voor de KVP, verstarde zij in het gevoel onvoldoende op eigen punten te kunnen scoren. Gedreven door ongeduld begon de PVDA harde eisen te stellen. Met de rooms-rode samenwerking, waarop de regering vanaf 1946 had gevaren, was het toen snel gedaan. Het vierde kabinet-Drees, geformeerd in oktober 1956, kwam in december 1958 over een futiliteit ten val.

Hierna verliet Drees, 72 jaar oud, de actieve politiek. Op 22 december 1958 volgde zijn benoeming tot minister van Staat. De PVDA maakte hem tot erelid en gaf hem een plaats in het partijbestuur. Zijn hoofdbezigheid zocht Drees daarna in het schrijven van memoires en beschouwingen over socialisme en staatsrecht. Rond 1970 kwam hij nog een keer terug in de volle publiciteit. In de PVDA werd toen druk gediscussieerd over de mogelijkheid de partij te laten opgaan in een nieuwe, algemene progressieve volkspartij die niet per se socialistisch hoefde te zijn. Precies zoals in 1945/1946 was dat ook ditmaal tegen Drees' zere been. Daarnaast ergerde het hem dat de PVDA, toen oppositiepartij, eisen formuleerde die hij onverantwoord vond vanuit zijn opvatting dat de overheid zo zuinig mogelijk behoorde om te springen met gemeenschapsgelden. Hij kon zich niet langer verenigen met de, naar zijn stellige oordeel, verkeerde koers van de partij en bedankte voor het lidmaatschap. Was het voor de PVDA al pijnlijk dat deze 'elder statesman' haar de rug toekeerde, nog pijnlijker was het dat Drees na zijn uittreden in het openbaar zijn sympathie betuigde aan de Democratisch Socialisten '70, een partij die in 1970 uit een soort rechtse afsplitsing van de PVDA was geboren en waarin zijn twee zoons een prominente rol speelden.

Voor zover hij het niet al was, kon Drees hierna uitgroeien tot een waarlijk nationale figuur, op wie de PVDA niet langer het alleenrecht had. Naarmate in de jaren zeventig en tachtig de overheid de buikriem moest aantrekken en de polarisatie, door de PVDA omstreeks 1970 geïntroduceerd als middel om politieke duidelijkheid te forceren, faalde, werd er ook ter rechterzijde gewezen in de richting van Drees als de ideale staatsman die - ofschoon een overtuigd socialist - zich had weten te verheffen boven de partijen om zo de tegenstrevers bij elkaar te houden in het belang van het land. Drees heeft dit allemaal over zich heen laten komen. Hoewel hij nog helder van geest bleef, sloten doofheid en blindheid hem steeds meer van de buitenwereld af. Zijn levensavond is uitzonderlijk lang geworden: hij stierf kort voor zijn 102e verjaardag.

Als minister en minister-president miste Drees de dynamiek van de bewogen politicus. Hij straalde zelfs een zekere saaiheid uit, maar dat gaf zijn degelijkheid extra glans. Drees bepleitte soberheid als het beste politieke recept voor vooruitgang. Daardoor en door zijn kunst zich niet te gedragen als een uitgesproken partijman kon hij de in brede kring gevierde regeringsleider worden die Nederland door de jaren van wederopbouw loodste op weg naar de welvaartsstaat. In hart en nieren was Drees een sociaal-democraat, maar hoewel hij de socialistische maatschappij altijd te verwezenlijken vond, verloor hij als bestuurder de realiteit nooit uit het oog, en zo schoof ook voor hem de verwerkelijking van het ideaal steeds meer op naar een verre toekomst. Ongeduld kreeg daarom bij hem nooit een kans, en zo werd hij een van de markantste minister-presidenten uit de 19e en 20e eeuw, die niet alleen in het actieve leven een bekwaam bestuurder was, maar daarna ook een symboolfunctie kon blijven vervullen. Drees is als het ware de belichaming geworden van Nederlandse deugden als fatsoen, zelfbeheersing, evenwicht, berekenbaarheid, zuinigheid, doelmatigheid, deugden die zich politiek laten vertalen in een streven naar samenwerking, overeenstemming en harmonie; Drees had het allemaal

A: Archief-W. Drees in de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Een overzicht van 98 geluidsopnamen van Drees in: F.C. de Kok, Een democraat op de radio. De bewaarde stem van Willem Drees sr. (Amsterdam, 1991).

P: Op de kentering. Het democratisch socialisme en de toekomst (Amsterdam, 1945); Drees aan het woord. Geschriften en redevoeringen . Bijeengebr. en ingel. door K. Voskuil (Amsterdam, 1952); 'Een mislukte poging tot gelijkschakeling.' 'Uit de voorgeschiedenis van de Nederlandse Unie', 'Van Politiek Convent tot Vaderlands Comité', in Onderdrukking en verzet. Nederland in oorlogstijd . Onder red. van J.J. van Bolhuis [e.a.], II (Arnhem [etc. 1954]) 24-51, 76-97, 109-123; Van mei tot mei. Persoonlijke herinneringen aan bezetting en verzet (Assen, 1958); Israël. Drie radiolezingen (Amsterdam, 1960); Een jaar Buchenwald (Amsterdam, 1961); Zestig jaar levenservaring (Amsterdam, 1962); De vorming van het regeringsbeleid (Assen, 1965); Monarchie - democratie - republiek (Baarn, 1969); Drees. Neerslag van een werkzaam leven. Een keuze uit geschriften, redevoeringen, interviews en brieven uit de jaren 1902-1972 ... . Onder red. van Paul van 't Veer (Assen, 1972); Het Nederlandse parlement vroeger en nu (Naarden, 1975); Drees 90. Geschriften en gesprekken . Met een inl. van H. Daalder en interviews door G. Puchinger (Naarden, 1976); Marx en het democratisch socialisme. Politiek-historische beschouwingen (Amsterdam, 1979); Herinneringen en opvattingen (Naarden, 1983).

L: Verhoor van W. Drees, in Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 VIIc ('s-Gravenhage, 1955) 126-140; F.J.F.M. Duynstee en J. Bosmans, Het kabinet Schermerhorn-Drees, 24 juni 1945 - 3 juli 1946 (Assen [etc.], 1977); H.A. van Wijnen, Willem Drees, democraat (Weesp, 1984); Frits Huis en René Steenhorst, Bij monde van Willem Drees. Levensschets van een groot Nederlander (Utrecht [etc.], 1985); John Jansen van Galen en Herman Vuijsje, 100 jaar Drees. Wethouder van Nederland (Houten, 1986); Anneke Visser, Alleen bij uiterste noodzaak? De rooms-rode samenwerking en het einde van de brede basis (1948-1958) (Amsterdam, 1986); Persoverzicht van de publiciteit rond de honderdste verjaardag van dr. W. Drees sr. op 5 juli 1986 . Samengest. door de Rijksvoorlichtingsdienst ('s-Gravenhage, 1986); H. Daalder, 'Drees als president van de ministerraad: ervaringen en opvattingen', in Voor de eenheid van het beleid. Beschouwingen ter gelegenheid van vijftig jaar ministerie van Algemene Zaken . Onder red. van W. van Drimmelen ('s-Gravenhage, 1987) 65-85; Willem Drees . Onder red. van H. Daalder en N. Cramer (Houten, 1988); M.D. Bogaarts, De periode van het kabinet-Beel, 3 juli 1946 - 7 augustus 1948 (4 dln.; 's-Gravenhage, 1989- ); Het kabinet-Drees-Van Schaik 1948-1951 . Onder red. van P.F. Maas (2 dln.; Nijmegen, 1991-1992).

I: Website Ministerie van Algemene Zaken: http://www.minaz.nl/english/prime_minister/pm-1945/images/drees.jpg [3-5-2007].

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013