Götzen, Lubbertus (1894-1979)

 
English | Nederlands

GÖTZEN, Lubbertus (1894-1979)

Götzen, Lubbertus, ambtenaar in Nederlands-Indië, minister en staatssecretaris, president van de Algemene Rekenkamer (Amsterdam 10-10-1894 - 's-Gravenhage 13-7-1979). Zoon van Gerhard Götzen, kantoorbediende, en Agneta Jane Scholten. Gehuwd op 14-9-1920 met Antonia Maria de Vriendt. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Götzen, Lubbertus

Götzen doorliep in zijn geboorteplaats de lagere school en de driejarige HBS. Daarna werkte hij van 1912 tot 1914 als stagiaire op een Nederlandse visconservenfabriek in het Belgische Gent. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij gemobiliseerd als reserveluitenant der artillerie. In 1920 behaalde hij het diploma MO-boekhouden en nog vóór de voltooiing van deze studie kreeg hij, in februari 1919, een aanstelling bij de belastingaccountantsdienst. Twee jaar later werd hij als gediplomeerd accountant tewerkgesteld bij het Nederlands bestuur in Nederlands-Indië.

Van 1921 tot 1932 was Götzen achtereenvolgens hoofd van de belastingkantoren in Semarang, Soerabaja en Weltevreden. Inmiddels had hij in 1927 een MO-akte staathuishoudkunde behaald. In 1932 werd hij hoofd van de Indische belastingaccountantsdienst. Zijn aanstelling tot thesaurier-generaal volgde in april 1935; drie jaar later werd hij benoemd tot directeur van het departement van Financiën.

Bij zijn oordeel over het financieel-economisch beleid van de Indische regering ging Götzen uit van de stelregel dat de uitgaven de beschikbare middelen in principe niet mochten overschrijden. Ook rendabele werken, die ten laste kwamen van de buitengewone dienst, moesten naar zijn mening voor een deel uit de gewone middelen worden gefinancierd: hij stond een spaarzaam leningenbeleid voor.

In twee artikelen, 'Eenige beschouwingen over de ontwikkeling van staatsschuld en staatsvermogen in Nederlandsch-Indië' en 'Volksinkomen en belasting', die hij in het tijdschrift Koloniale Studiën (respectievelijk 15 (1931) I, 71-134 en 17 (1933) II, 449-484) publiceerde, zette hij uiteen dat de regering na 1913 met deze regels de hand had gelicht. Uitbreiding van de overheidstaak kon zijns inziens niet voortdurend leiden tot belastingverhogingen. De niet-inheemse bevolkingsgroep nam in Indië het merendeel van de belastingen voor haar rekening: hij schatte het aandeel voor 1933 op 25 % van het inkomen van deze categorie en meende dat met dit bedrag 'de bovenste grens welhaast' was bereikt. Als directeur van Financiën drong hij herhaaldelijk aan op een sobere bestuursvoering. Tot meer ingrijpende maatregelen als een 'rigoureuze inkrimping van den Landsdienst' wilde hij echter 'niet gaarne' adviseren.

Gedurende de Japanse bezetting was Götzen geïnterneerd in een kamp bij Poerwokerto, waar ook de latere minister J.A. Jonkman een tijdlang was ondergebracht. Toen hij in september 1945 zijn werk hervatte, achtte hij het van groot belang voor het economisch herstel van Indië door middel van een geldsanering het in omloop gebrachte Japanse geld te vervangen door Nederlands-Indisch courant. Op grond van een stabiele binnenlandse koopkracht zouden goede wisselkoersovereenkomsten met vreemde mogendheden gesloten kunnen worden, zodat Indië zijn plaats in het internationale betalingsverkeer zou kunnen hervinden. Politieke verwikkelingen tussen de regering in Batavia en de leiders van de in augustus 1945 uitgeroepen Republiek Indonesië deden evenwel ook hun invloed gelden op financieel-economisch terrein.

In oktober 1946 werd Götzen hoofd van de financieel-economische afdeling van het ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Aangezien minister Jonkman (1916-1948) uit gezondheidsoverwegingen zijn taak wenste te beperken tot het behartigen van staatkundige aangelegenheden, werd Götzen op 10 november 1947 als partijloos minister zonder portefeuille belast met financieel-economische zaken. Hij vervulde deze post van 'zakenminister' in de kabinetten-Beel en -Drees-Van Schaik. Van 15 maart 1951 tot 2 september 1952 behandelde hij dezelfde aangelegenheden als staatssecretaris van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen in het tweede kabinet-Drees.

Götzen meende dat een federale staatsopbouw het meest recht deed aan de economische eenheid van Indië. Als dit land in een Unie met Nederland verbonden bleef, zou het profiteren van de economische voordelen die het moederland in internationaal verband zou kunnen bemachtigen. De bereidheid van Nederland tot het brengen van verdere 'offers' aan Indonesië zou afhankelijk moeten zijn van de mate waarin dit land de Nederlandse belangen zou waarborgen. Het beleid van luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook, voor wie Götzen persoonlijk veel waardering had, onderschreef hij ten volle. Hij beklemtoonde de noodzaak van een goede verdediging van het Nederlandse standpunt ten aanzien van de Indonesische kwestie in het buitenland, in het bijzonder bij die mogendheden die de Republiek niet onwelwillend gezind waren. Götzens opvattingen over de verhouding Nederland - Indonesië zouden evenwel niet worden verwezenlijkt.

In januari 1953 werd Götzen adviseur bij de Nederlandse Herstelbank in Washington. Van april 1954 tot juni 1956 adviseerde hij in dienst van de Verenigde Naties de regering van Bolivia over aangelegenheden betreffende de begroting, de controle daarop en het belastingstelsel. Het financieel-economisch beleid van de Nederlandse regering bleef hij kritisch volgen. In 1954 publiceerde Götzen 'Enige beschouwingen over de betrekkingen tussen staatshuishouding en volkshuishouding' in het tijdschrift Anti-Revolutionaire Staatkunde (24 (1954) 20-39, 74-86), waarin hij waarschuwde tegen uitzetting van de bestedingsmogelijkheden ten koste van begrotingstekorten. Uitgaande van het principe 'soevereiniteit in eigen kring' meende Götzen dat de bemoeienis van de staat getoetst moest worden aan het 'typisch bestemmingsbeginsel', dat werd gevormd 'door de publieke rechtsgemeenschap van overheid en onderdanen'.

Van november 1956 tot 1965 was Götzen lid, tevens voorzitter van de Algemene Rekenkamer. Hij wist een zodanige uitbreiding van de personeelsbezetting te bewerkstelligen dat het college zijn taak naar behoren kon verrichten. Onder zijn leiding werd de doelmatigheidscontrole verbeterd. In de periode 1957-1965 was hij tevens voorzitter van de Board of Auditors, het financiële controle-orgaan van de Verenigde Naties.

Götzen was een voorbeeld van een self-made man. Hij combineerde een helder inzicht in financieel-economische problemen met een snelle besluitvaardigheid en een grote werkkracht. Zijn carrière illustreert de juistheid van het oordeel dat zijn chef, de accountant J.L. Vleming, in 1920 over hem gaf: 'een uitstekend accountant, op velerlei gebied aan te bevelen'. Een echte politicus was Götzen niet, en bij een groot publiek bleef hij een onbekende.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: 'De Algemene Rekenkamer 150 jaar', in Maandblad voor Accountancy en Bedrijfshuishoudkunde 38 (1964) 258-272.

L: J.A. Jonkman, Memoires (2 dln.; Assen [etc.], 1971-1977); L.J.F. Dolmans, 'Voorzitter L. Götzen', in Van Camere vander Rekeninghen tot Algemene Rekenkamer. Zes eeuwen Rekenkamer . Onder red. van P.J. Margry [e.a.] ('s-Gravenhage, 1989) 428-429; R.J.J. Stevens, 'Götzen, een moderne "visitateur-generaal der Indische en Nederlandsche negotiën", 1894-1979', in Politiek(e) opstellen 13 (1993).

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 46178 [Götzen in april 1948].

Mw. F. van Anrooij


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013