Grinten, Jozef Hubertus Petrus Maria van der (1885-1932)

 
English | Nederlands

GRINTEN, Jozef Hubertus Petrus Maria van der (1885-1932)

Grinten, Jozef Hubertus Petrus Maria van der, hoogleraar in de rechtsgeleerdheid ('s-Hertogenbosch 1-3-1885 - Nijmegen 6-11-1932). Zoon van Arnoldus Hubertus van der Grinten, onderwijzer, en Christina Josephina Smits. Gehuwd op 5-11-1912 met Wilhelmina Franciska Maria Karthaus. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 6 dochters geboren. afbeelding van Grinten, Jozef Hubertus Petrus Maria van der

Jos van der Grinten was de jongste in een gezin met drie kinderen. Na het Stedelijk Gymnasium in Nijmegen ging hij, in navolging van zijn oudere broers, in 1903 rechten studeren aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Daar ontpopte hij zich al snel als een van de begaafdste leerlingen van de hoogleraar staatsrecht, A.A.H. Struycken. Deze was sindsdien zijn grote voorbeeld. Op 2 oktober 1906 promoveerde hij op stellingen in de rechtswetenschappen en zes jaar later, op 14 november 1912, wederom op stellingen, in de staatswetenschappen. De jonge doctor in de rechtsgeleerdheid begon zijn carrière in de administratieve sfeer. In 1909 kreeg hij een aanstelling als adjunct-commies ter provinciale griffie van Gelderland. Het jaar daarop trad hij als commies-redacteur in dienst bij de gemeentesecretarie van Nijmegen. In deze stad werd Van der Grinten in september 1915, op dertigjarige leeftijd, benoemd tot gemeentesecretaris. De praktische werking van het recht, waarmee hij gedurende de acht jaar dat hij deze functie uitoefende, ervaring opdeed, zou zijn latere gedachtengoed sterk beïnvloeden.

In zijn tijd op de Nijmeegse gemeentesecretarie liet Van der Grinten zich kennen als een ijverige en nauwgezette ambtenaar. Onder zijn leiding werd de interne organisatie van het gemeentebestuur gemoderniseerd. Voorts behaalde Nijmegen vooral door zijn toedoen de overwinning in de stedenstrijd rondom de vestiging van de in 1923 gestichte Roomsch-Katholieke Universiteit. Zijn officiële werkzaamheden combineerde hij met talrijke functies in het openbare leven. Zo was hij van 1911 tot aan zijn dood secretaris - èn ziel - van de Woningvereeniging Nijmegen, een organisatie die uiterst succesvol was in de verbetering van de volkshuisvesting. Als Rooms-katholiek intellectueel spande Van der Grinten zich, geheel in de geest van zijn tijd, volledig in voor de 'verheffing' van het katholieke volksdeel, dat op zo vele terreinen nog een achterstand had in te lopen. Zo was hij in 1920 medeoprichter van de R.K. Volksuniversiteit Nijmegen en ging hij hier later - ook toen hij reeds hoogleraar was - doceren. Verder vervulde hij, al vanaf de tijd dat hij gemeentesecretaris was, bestuursfuncties bij de Openbare Bibliotheek en het St. Canisius-Ziekenhuis en was hij curator van het Stedelijk Gymnasium te Nijmegen. Daarnaast vond Van der Grinten tijd voor het schrijven van een groot aantal - veelal korte - artikelen op het gebied van het administratief recht. Zij werden meestal gepubliceerd in het Weekblad voor den Nederlandschen Bond van Gemeente-Ambtenaren , een blad dat hij mede hielp redigeren. Ook was hij redactielid van de tijdschriften Themis en Studia Catholica .

Hoewel Van der Grinten geen wetenschappelijke monografie op zijn naam had staan, werd hij in 1923 door zijn leermeester Struycken bij de Sint Radboudstichting - het stichtingbestuur van de Nijmeegse universiteit - onvoorwaardelijk aanbevolen als hoogleraar in het staats- en administratief recht. Hij zou het hem geschonken vertrouwen niet beschamen. Samen met E.J.J. van der Heijden, hoogleraar burgerlijk recht, handelsrecht en rechtsgeschiedenis, vormde hij het gezicht van de prille juridische faculteit. Evenals vele anderen was Van der Grinten overtuigd van de noodzaak het heersende 'tekort' aan katholieke rechtsgeleerden in Nederland op te heffen, en zijn hoogleraarschap bood hem de gelegenheid hiertoe een bijdrage te leveren. Aangezien het niveau van de Nijmeegse juristen naar zijn mening boven elke twijfel verheven moest zijn, was Van der Grinten een streng docent. Hij beheerste zijn vakgebied tot in de details en eiste van zijn leerlingen een gedegen kennis. Studenten die zich tijdens tentamens even verloren in een vage redenering, konden op een stevige uitbrander rekenen. 'Zijn grootste vijand was de vaagheid van het niet-nauwkeurig weten', aldus vriend en collega Van der Heijden. Ofschoon de omgang met studenten nooit hartelijk was en zijn colleges gortdroog waren - hij was geen begenadigd spreker -, was hij door zijn grote kennis van zaken een gezien docent.

Tijdens zijn professoraat breidde Van der Grinten zijn reeks van nevenactiviteiten verder uit. Van 1923 tot aan zijn overlijden was hij haast onafgebroken secretaris van de Senaat van de Nijmeegse universiteit. In deze functie gaf hij blijk van groot diplomatiek talent, waardoor menig dreigend conflict tussen het hooglerarencorps en de bisschoppen - die qualitate qua zitting hadden in de Sint Radboud-Stichting - in de kiem werd gesmoord. Tevens was hij bestuurslid en van 1927 tot 1931 voorzitter van de Rechtskundige Afdeeling van de Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der Wetenschap onder de Katholieken in Nederland, het latere Thijmgenootschap.

De stroom publikaties die Van der Grinten het licht deed zien, werd intussen voortdurend breder. Van zijn hand verschenen vele brochures en preadviezen, alsmede talloze artikelen in verschillende tijdschriften. Hierin toonde hij zich deskundig op het gebied van de staatsleer, het volkenrecht en de geschiedenis, maar natuurlijk was Van der Grinten bij uitstek de specialist op het gebied van het administratief recht, of liever: het 'bestuursrecht', de term waaraan hij zelf de voorkeur gaf. In korte, heldere en goed beargumenteerde bijdragen zette hij, vaak in een strakke stijl, zijn gedachten uiteen over begrippen als 'bestuur', 'administratieve rechtspraak' en de 'onrechtmatige overheidsdaad'.

Herhaaldelijk toonde Van der Grinten zich een voorstander van de gemeentelijke autonomie, die hij bedreigd zag door centraliserende tendensen in het bestuur van de provinciale en landelijke overheden. Een goed voorbeeld daarvan is zijn preadvies voor de Vereeniging van Nederlandsche Gemeenten, getiteld: 'Door welke middelen en langs welke wegen kan in den modernen staat de gewenschte zelfstandigheid der plaatselijke gemeenschappen zoo goed en zoo ruim mogelijk worden gehandhaafd?' (in Gemeentebestuur 8 (1928) 229-277). Zijn belangrijkste argument vormde het beginsel van decentralisatie, dat in het Nederlandse staatsrecht zo'n centrale plaats inneemt. De invloed van Struycken is hierin duidelijk herkenbaar, evenals in Van der Grintens artikelen over tal van andere aspecten van het administratief recht. Mede daarom was hij de aangewezen man om in 1928 de tweede druk van Struyckens standaardwerk Het staatsrecht van het Koninkrijk der Nederlanden te bezorgen.

Van der Grintens autoriteit op het gebied van het gemeenterecht vond landelijk erkenning. Zo klopten verschillende gemeenten die zich als gevolg van grenswijzigingsplannen van naburige grote gemeenten in hun bestaan voelden bedreigd - Voorburg en Rijswijk in 1926 en nogmaals in 1931, Heemstede in 1926 en Ængwirden in 1932 -, bij hem aan voor juridisch advies. Zijn 'memories' hadden meestal het beoogde effect. In de loop van de jaren twintig werd Van der Grinten tevens verzocht zitting te nemen in een aantal staatscommissies, zoals die tot herziening van de Lager Onderwijswet, die voor de havenbelangen van Rotterdam, die tot uitgifte van de Zuiderzeewerken en die voor de administratieve rechtspraak. Zijn in 1929 als brochure verschenen lezing Het wetsontwerp-Kan tot herziening der gemeentewet werd bij de behandeling van deze wetsherziening in dat zelfde jaar in beide Kamers der Staten Generaal bij herhaling geciteerd.

Van der Grinten overleed op 47-jarige leeftijd aan een longontsteking. Zijn tijdgenoten konden zich echter niet aan de indruk onttrekken dat hij zich letterlijk had doodgewerkt. Aan een eigen, allesomvattend standaardwerk is Van der Grinten nooit toegekomen, ofschoon daartoe wel plannen bestonden. Zijn vroegtijdige dood en de vele activiteiten die hij buiten de wetenschappelijke wereld ontplooide, zijn daarvan de belangrijkste oorzaken. Het ontbrak hem eenvoudigweg aan de noodzakelijke tijd en ruimte om zich te bezinnen en zijn gedachten in uitvoerige betogen uiteen te zetten. Hoewel Van der Grinten tijdens zijn leven een van de belangrijkste beoefenaars van het publiek recht in Nederland was, bleef zijn invloed, met uitzondering van die op zijn studenten, daarom beperkt.

P: Bibliografie in Verspreide opstellen van prof.mr.dr. J.H.P.M. van der Grinten . Bijeengebr. door P.W. Kamphuisen [e.a.] (Nijmegen [etc.], 1934) 423-428.

L: Behalve necrologieën door E.J.J. van der Heijden in De Gelderlander , 7-11-1932; door C.W. van der Pot, in Weekblad van het Recht , 12-11-1932; door E.H.J. van Voorst tot Voorst, in Weekblad voor Gemeentebelangen 11 (1932) 369; door E.J.J. van der Heijden, in Jaarboek der R.K. Universtiteit te Nijmegen 1932/1933 (Nijmegen [etc.], 1933) 103-104; door G.A. van Poelje, in Themis 94 (1933) 1-7: J.Ph.S. Lemmink, Trouw steeds ter zijde ... J.H.P.M. van der Grinten betrokken bij de r.k. Universiteit in wording (1918-1932) (Nijmegen, 1994).

I: Verspreide opstellen van prof.mr.dr. J.H.P.M. van der Grinten . Bijeengebr. door P.W. Kamphuisen [e.a.] (Nijmegen [etc.], 1934) afbeelding tegenover titelblad.

J.B.A.M. Brabers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013