Hardenberg, Herman (1901-1976)

 
English | Nederlands

HARDENBERG, Herman (1901-1976)

Hardenberg, Herman, archivaris en historicus ('s-Gravenhage 11-7-1901 - Ukkel (België) 18-4-1976). Zoon van Herman Karel Hardenberg, legerofficier, en Geertruida Maria Petronella Aalbersberg. Gehuwd op 5-9-1940 met Eugenie Teepe. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. afbeelding van Hardenberg, Herman

Herman Hardenberg was afkomstig uit een familie van legerofficieren: zijn vader, oom, grootvader en overgrootvader brachten het tot de rang van generaal. Het lag dus voor de hand dat Hardenberg een militaire loopbaan zou volgen. Na de HBS in Den Haag te hebben doorlopen, ging de jonge Hardenberg in 1918, op aandringen van zijn vader, naar Delft. De studie aan de Technische Hoogeschool trok hem echter niet aan. Hij bereidde zich voor op het staatsexamen gymnasium en begon vervolgens in 1921 aan de Leidse universiteit rechten te studeren. Op 16 december 1926 legde hij het doctoraal examen af. De daaropvolgende drie jaren werkte hij op het consulaat-generaal der Nederlanden in Parijs en vanaf 1929 bij het algemeen secretariaat van Philips NV te Eindhoven.

In 1931 maakte Hardenberg opnieuw een keuze die het verdere verloop van zijn beroepsleven zou bepalen. Hij werd volontair op het Algemeen Rijksarchief (ARA) in Den Haag en behaalde een jaar later het diploma archiefambtenaar der eerste klasse. Het resultaat van de daarbij behorende inventarisatieopdracht werd in 1933 gepubliceerd: 'Beschrijving eener verzameling papieren, afkomstig van den vice-admiraal Carel Hendrik graaf Ver Huell en van zijn broeder Christiaan Anthonie Ver Huell' (in Inventarissen van Rijks- en andere archieven ... 4 (1931 [:gedrukt in 1933]) 94-134). Pas in april 1937 kreeg Hardenberg op voorspraak van de algemene rijksarchivaris, R. Bijlsma, een vaste positie als adjunct-commies-chartermeester bij het Rijksarchief in Limburg. Bijlsma typeerde zijn eerste kandidaat bij de minister terecht als een man 'die met juridische scholing het vermogen tot samenvatting en het overzien van het geheel combineert'. Hardenberg zette zich in Maastricht onder meer aan de inventarisatie van de rechterlijke archieven in de periode 1794-1841, een langlopende onderneming, die pas in 1949 werd gepubliceerd. Intussen verscheen in 1941 de monumentale inventaris van Het archief van het kasteel Rechteren (1941), door hem samengesteld in samenwerking met de toenmalige rijksarchivaris van de Tweede Afdeling, jhr. D.P.M. Graswinckel.

Begin 1946 keerde Hardenberg - inmiddels echtgenoot en vader - naar Den Haag terug als rijksarchivaris van de Eerste Afdeling. Zeven jaar later, op 1 november 1953, volgde hij Graswinckel op als algemeen rijksarchivaris. Evenals zijn voorganger richtte Hardenberg zijn beleid op de bevordering van samenwerking met de archiefvormende instanties: de rijksregistratuur. Van 1953 tot 1966 moest hij zijn functie onder moeilijke omstandigheden vervullen, omdat de Rijksoverheid te weinig financiële middelen ter beschikking stelde. De materiële en personele infrastructuur van de Rijksarchiefdienst was niet voldoende om de toevloed van archiefstukken en de toenemende belangstelling van het publiek op te vangen.

Hardenberg bleef daarbij niet langs de zijlijn staan. Hij stimuleerde de heroprichting van de Rijksarchiefschool voor de opleiding van toekomstige archivarissen. Tijdens zijn ambtsperiode, in 1962, kwam de nieuwe Archiefwet tot stand. Nieuwbouw voor het Algemeen Rijksarchief werd door hem voorbereid. Hardenberg vervulde bestuursfuncties in de International Council of Archives van de UNESCO en nam het initiatief tot de uitgave in 1964 van een internationaal erkend Lexicon of archive terminology . Ongetwijfeld werden hem dergelijke functies vergemakkelijkt door zijn kosmopolitische instelling en zijn grote voorliefde voor de Franse taal en cultuur, hetgeen ook blijkt uit het feit dat hij een trouw lidmaat was van de église Wallonne in Den Haag.

Hardenberg publiceerde niet alleen archiefinventarissen en artikelen in vaktijdschriften over aspecten van archiefbeheer en -organisatie. Hij had ook een voorliefde voor de geschiedenis en heeft met vele artikelen en boeken bijgedragen aan de geschiedschrijving van Nederland en België. Zijn oeuvre blijkt bij nadere beschouwing minder disparaat dan het op het eerste gezicht lijkt. De inventarisatie van de familiepapieren-VerHuell zette als het ware de toon: militaire geschiedenis in de Napoleontische periode. Het biografische genre boeide hem buitengewoon. Vele meer of minder bekende vrouwen en mannen, meestal met een connectie met Frankrijk, zijn door hem treffend geschetst op basis van nieuw ontdekt archiefmateriaal, zoals in Etta Palm. Een Hollandse Parisienne 1743-1799 uit 1962. Hardenbergs belangstelling voor het militaire aspect in de geschiedenis vindt men steeds terug: van zijn knappe synthese De Nederlanden en de Kruistochten , in 1941 verschenen in de bekende Patria-serie, tot studies over de Romeinse heerwegen of het slot Loevestein.

Groot is het aantal bijdragen van Hardenberg aan de lokale en regionale geschiedenis geweest, in het bijzonder van Limburg en Den Haag en omstreken. Het zijn alle gedegen, goed gedocumenteerde studies, die diepgaande kennis van de prehistorie en middeleeuwse geschiedenis verraden. Een voorliefde had Hardenberg voor de toponymie en nederzettingsgeschiedenis. In zijn studie over 'De villa Elst en het castrum aldaar' (in Nederlandsch Archievenblad 50 (1945/1946) 31-46) pleitte hij ervoor dat ook in Nederland de bewonings- of vestigingsgeschiedenis zou worden beoefend in samenwerking met prehistorici.

Op 1 september 1966 nam Hardenberg afscheid als algemeen rijksarchivaris. Dat was aan de vooravond van een crisisuitbarsting in het Nederlandse archiefwezen, die tot een ruimere financiering en daardoor sterke uitbreiding van dit archiefwezen zou leiden. Zelf was Hardenberg nog onder benauwende en bekrompen omstandigheden algemeen rijksarchivaris geweest, maar hij had zich als zodanig - ook in talrijke bestuursfuncties op maatschappelijk en cultureel terrein - zo goed mogelijk geweerd. Daarbij was Hardenberg voor zichzelf en anderen niet steeds een gemakkelijk man geweest. Als chef was hij streng en afstandelijk, maar betrouwbaar. De kloof die ambtelijk rangverschil in die tijd tussen hem en zijn collega's schiep, wisten maar weinigen te overbruggen. Hoezeer Hardenberg liefde voor zijn vak koesterde, bleek intussen ook na zijn pensionering: tot zijn overlijden - tijdens een familiebezoek aan zijn dochter in België - heeft hij zijn publicistische arbeid onvermoeibaar voortgezet.

A: Archief-H. Hardenberg (1949-1966) in de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: B. van 't Hoff, Chronologische lijst van publicaties van mr. H. Hardenberg, 1931-1965 [Interne uitgave ARA] (['s-Gravenhage,] 1966); J.J.H. de Vries, 'Chronologische lijst van publicaties van mr. H. Hardenberg, 1966-1976', in Nederlands Archievenblad 80 (1976) 107-108. Hieraan kunnen o.a. worden toegevoegd: 'Hardenberg', in Nederland's Patriciaat 53 (1967) 118-136; Oostduin en de graven Van Bylandt. Geschiedenis van een Haagse woonwijk ('s-Gravenhage, 1971); 'Piershil en zijn ambachtsheren', in Holland, regionaal-historisch tijdschrift 8 (1976) 49-61; Halen ... zakken. Verhalen over artiesten en toneelleven van vroeger ('s-Gravenhage, 1976); Liefde in de Pruikentijd. Romantische verhalen uit oude papieren ('s-Gravenhage, 1976).

L: Behalve necrologieën o.a. door A.E.M. Ribberink, in Nederlands Archievenblad 80 (1976) 101-106; C.C. van Valkenburg, in Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie 30 (1976) 3-4; J. Fox, in Die Haghe. Jaarboek 1977 (1977) 220-223; M.[K.J.] S[meets], in De Maasgouw 95 (1976) 76-77: W.J. Formsma, 'Bij het afscheid van mr. H. Hardenberg als algemeen rijksarchivaris', in Spiegel Historiael 1 (1966) 125.

I: Die Haghe. Jaarboek 1977 (1977) 221 [Foto: Jaap Schoen].

A.H. Huussen jr.


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013