Harte, Joannes Josephus Ignatius (1853-1937)

 
English | Nederlands

HARTE, Joannes Josephus Ignatius (1853-1937)

Harte, Joannes Josephus Ignatius, (door naamstoevoeging bij K.B. van 28-12-1894 nr. 38 gewijzigd in Harte van Tecklenburg), politicus (Utrecht 15-10-1853 - 's-Gravenhage 4-7-1937). Zoon van Joannes Jacobus Harte, handelaar in glas- en aardewerk, en Anna Maria Theresia Mitschke. Gehuwd op 7-1-1889 met Petronella Francisca Jurgens. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren afbeelding van Harte, Joannes Josephus Ignatius

Jan Harte groeide op in Utrecht in een goed katholiek middenstandsmilieu. Na eerst in de zaak van zijn vader gewerkt te hebben ging hij op 23-jarige leeftijd rechten studeren aan de Rijksuniversiteit aldaar. Op 4 juli 1883 promoveerde hij cum laude bij prof. J. baron d'Aulnis de Bourouill op het proefschrift De Rentestand . Reeds tijdens zijn studie gaf hij blijk van politieke belangstelling. Zo bepleitte hij in enige artikelen in het katholieke tijdschrift Onze Wachter de toepassing van een ingewikkelde voorkeurstemmentelling bij een stelsel van evenredige vertegenwoordiging - eventueel zelfs te combineren met algemeen kiesrecht -, ontworpen door de Britse jurist Th. Hare.

Na zijn promotie vestigde Harte zich als advocaat in Amsterdam, waar hij werkte op het kantoor van de maatschappelijk en politiek actieve katholiek Jan J.W. van den Biesen, die van 1885 tot 1888 zitting had in de Tweede Kamer. Harte zelf werd in oktober 1884 door de katholieke kiesvereniging 'Recht voor allen' in Utrecht kandidaat gesteld voor een Tweede-Kamerzetel. Voor de jonge advocaat werden de verkiezingen echter een fiasco, zodat hij tot irritatie van het kamerlid H.J.A.M. Schaepman, die het politiek leiderschap over de katholieken nastreefde, het verzoek zich in 1886 opnieuw kandidaat te stellen afsloeg. Wel maakte hij zich intussen verdienstelijk als voorzitter van de Amsterdamse katholieke kiesvereniging 'Recht en orde', die onder zijn leiding groeide van 80 tot 1200 leden. Schaepmans ergernis kwam mede voort uit vrees dat Harte in de strijd om de politieke macht, die in de jaren tachtig in katholiek Nederland hevig woedde, zich met zijn Amsterdamse vereniging zou aansluiten bij het conservatieve kamp van B.M. Bahlmann, Ch.J.A. Heydenryck en G.L.M.H. Ruijs de Beerenbrouck. Medio 1887 trad hij echter toe tot het bestuur van de Algemeene Bond van Katholieke Kiesvereenigingen, waarin de Schaepmannianen zich verzameld hadden.

Bij de verkiezingen van maart 1888 werd Harte vervolgens in het district Grave tot lid van de Tweede Kamer gekozen, waar hij op 1 mei daaropvolgend zitting nam. Een jaar later trouwde hij met de bijna vijftien jaar jongere, energieke dochter Nellie van de rijke Osse margarinefabrikant H.L. Jurgens. Na de verhuizing van het jonge paar naar Den Haag werd zij, ondanks haar toenemende doofheid, de stuwende kracht achter Hartes carrière door haar contacten in politieke en diplomatieke kring, in het bedrijfsleven en in de besturen van veel liefdadige organisaties.

Tijdens het ministerie-Mackay (1888-1891), het eerste 'rechtse' coalitiekabinet van katholieken en antirevolutionairen, bleek Harte - evenals de overgrote meerderheid van de katholieke politici en persorganen - een fel tegenstander van algemene en persoonlijke dienstplicht, zoals voorgesteld in de legerwet van de katholieke minister J.W. Bergansius. Ook in andere opzichten gaf Harte er blijk van kritisch te staan ten opzichte van het politiek geestverwante kabinet: hij verweet de antirevolutionaire ministers de katholieke verlangens te negeren, ondertekende in 1891 met dertien andere katholieke kamerleden een verkiezingsmanifest dat binding aan welke partij ook afwees - waarmee zij zich afzetten tegen de antirevolutionairen - en had een jaar eerder een brochure, Vrijhandel en bescherming , gepubliceerd, waarin hij, om de weg naar de liberalen open te houden, beide politiek-economische begrippen meer als opportuniteiten dan als beginselen wenste te zien. Met Schaepman ging hij in 1892, in tegenstelling tot de overige katholieke parlementariërs, ver in zijn steun aan de ontwerp-kieswet van J.P.R. Tak van Poortvliet, die algemeen kiesrecht zeer nabij kwam.

Tijdens de kabinetsformatie van 1894 onderhandelden Harte en P.J.F. Vermeulen namens de in 1891 opgerichte, katholieke Tweede-Kamerclub met formateur jhr. J. Röell over de steun van de katholieken. Uiteindelijk namen zij genoegen met één ministerszetel - C.D.H. Schneider op Oorlog -, mits Röell wel het kiesrecht, maar niet de controversiële zaken van onderwijs en van algemene dienstplicht tijdens zijn bewind zou proberen te regelen. Bij de behandeling van de ontwerp-kieswet van S. van Houten in 1896 trachtte Harte bij amendement onder andere opkomstplicht in te voeren. Tot zijn verontwaardiging werden echter alle van katholieke zijde ingediende amendementen verworpen, waarop hij verklaarde tegen de wet te zullen stemmen. Harte verweet de liberalen bij deze gelegenheid antiklerikalisme en verkiezingsagitatie.

Harte profileerde zich allengs als een politicus die handig tussen alle facties van de katholieke fractie doorlaveerde en woordvoerder in de Kamer was over zeer vele aangelegenheden. Zijn verhouding met Schaepman, die concurrentie slecht kon verdragen, was daardoor zeer dubbelzinnig en werd goed weergegeven in diens boutade: 'Wie is pedanter dan De Laat Kanter? Ik zeg het met smarte, 't is mijn vriend Harte' ( Briefwisseling Kuyper-Idenburg , 79). Schaepman had een duidelijke politieke visie, maar kon moeilijk met politiek andersdenkende geloofsgenoten omgaan. Harte kon goed overweg met allen, maar had slechts de korte-termijnvisie van het haalbare.

Veel sympathie won Harte onder de katholieke burgerij door in 1897 scherp uit te halen naar P.J. Troelstra en hem het morele recht te ontzeggen namens dè werklieden te spreken. Meer opzien nog baarde een door hem en enkele andere kamerleden in september 1898 ingediend wetsontwerp tot wijziging van een artikel in het wetboek van strafvordering om de mogelijkheid tot revisie van strafvonnissen te verruimen. Daarmee nam Harte wind uit de zeilen van de socialisten, die juist ten aanzien van een voor de Nederlandse justitie pijnlijke kwestie van vervolging van socialisten in de zogeheten zaak-Hogerhuis te hoop liepen. Hartes voorstel werd, tot ongenoegen van veel liberalen die deze zaak trachtten dood te zwijgen, door het parlement aangenomen en kreeg op 14 juli 1899 kracht van wet. De drie socialistische gebroeders Hogerhuis, die wegens inbraak en doodslag tot gevangenisstraf veroordeeld waren, zouden er overigens niet van profiteren, omdat de Hoge Raad de aanvraag tot revisie verwierp. Ook de belangen van de margarine-industrie werden door Harte met verve behartigd in de Tweede Kamer - zoals bleek bij de behandeling van de zuivelwetten in 1889 en 1900 -, maar ook daarbuiten. Door dit optreden kreeg bijvoorbeeld in 1898 zijn zwager Jurgens in Oss kerkelijke dispensatie van de aanvankelijk door de bisschop streng verboden zondagsarbeid.

Toen bij de verkiezingen van 1901 'rechts' - protestanten en katholieken - vrij onverwachts de overwinning behaalde op 'links' - liberalen en socialisten -, werden Harte, Schaepman en J.A.N. Travaglino door de katholieke kamerclub aangewezen als onderhandelaars. Behalve afspraken ten gunste van het bijzonder onderwijs en sociale hervormingen kwamen zij met formateur A. Kuyper ook het voornemen overeen tot verhoging van de tarieven van invoerrechten, waarbij de staat negen miljoen zou kunnen winnen. Dit laatste werd een taak voor Harte. Hij werd op 1 augustus 1901 minister van Financiën, als een van de drie katholieke ministers, naast Bergansius (Oorlog) en J.A. Loeff (Justitie). Zijn ministerschap werd uit legislatief oogpunt geen succes. Hij bracht enkele wetten tot stand inzake verlenging van het octrooi voor De Nederlandsche Bank, intrekking van muntbiljetten en navordering van vermogensbelasting. Van de afschaffing van de Staatsloterij ter beteugeling van de speelzucht kwam in zijn loterijwet niets terecht. De wet op de tariefherziening werd pas in februari 1904 ingediend en kwam niet vóór de verkiezingen van 1905 in behandeling. Het geld voor sociale hervormingen en voor verbetering van het onderwijs bleef dus ontbreken.

Volgens zijn vrouw was Harte zwaartillend en perfectionistisch, eigenschappen die zijn energie dreigden te verlammen. Toch voltooide hij in 1903, na vier jaar werken, de publikatie van Het burgerlijk wetboek van het keizerrijk Japan in Nederlandse vertaling, met een inleiding van zijn hand. Op grond van de Duitse, Franse en Engelse vertalingen, met behulp van de Japanse gezanten in Parijs en in Den Haag, en zonder kennis van de Japanse taal bracht de minister dit vierhonderd bladzijden tellende werk tot stand. Het hielp zijn politieke loopbaan niet. Bij de verkiezingen van 1905 leed de coalitie de nederlaag na felle strijd, onder andere over de mislukking van het regeringsprogramma. Op 16 augustus 1905 trad Harte met het ministerie-Kuyper af. In het district Grave, waar men teleurgesteld was over Hartes zwakke ministerschap, werd hij niet herkozen als kamerlid.

Harte verliet het politieke strijdperk en vertrok met zijn gezin voor enige tijd naar het buitenland, mede ten behoeve van Jurgens' margarinefabrieken, waarvan hij reeds tijdens zijn ministerschap, in 1902, commissaris was geworden. Na terugkeer in Nederland werd hij met ingang van 15 juli 1908 tot lid van de Raad van State benoemd, een functie die hij tot 1 mei 1934 zou uitoefenen; vanaf 1913 was hij voorzitter van de afdeling Buitenlandse Zaken van dit college. Daarnaast was Harte van 1913 tot zijn dood president-commissaris van Anton Jurgens' Vereenigde Fabrieken NV In die functie behoorde hij tot degenen die in 1925 mikpunt werden van de aantijgingen van de gebroeders S.F. en A.M. van Oss in de Haagsche Post (augustus-oktober 1925) in verband met financiële manipulaties en boekhoudkundige machinaties ten nadele van de aandeelhouders bij Jurgens. De zaak liep overigens met een sisser af, hoewel de jaarverslagen van Jurgens uit die tijd ook wel 'bijzonder onbetrouwbaar' (Schrover, 261) zijn genoemd. Na de fusie in 1927 met de margarinefabrieken van Van den Bergh, eveneens uit Oss afkomstig, was Harte ook nog betrokken bij de fusie van deze Margarine Unie met Lever Brothers Limited in Groot-Brittannië tot Unilever in 1929.

Harte stond bekend als een nauwgezet en plichtsgetrouw werker, een hoffelijk en voor iedereen vriendelijk man, maar ook - vooral in zijn jonge jaren - als ijdel en arrogant. Na zijn teleurstellend ministerschap kwamen zijn talenten buiten de schijnwerpers van de publiciteit beter tot hun recht in de beslotenheid van de Raad van State en in het bedrijf van zijn schoonfamilie.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties en verschillende artikelen in De Tijd , Onze Wachter en De Katholiek o.a.: 'Stemrecht zij kiesvermogen!', in Onze Wachter (1881) II, 217-260; 'Hare's kiesstelsel verdedigd', ibidem (1882) I, 172-192.

L: Behalve necrologieën in o.a. Algemeen Handelsblad , 5-7-1937, De Maasbode , 5-7-1937 en De Tijd , 5-7-1937: Onze afgevaardigden ... (Rotterdam, 1897) 164-165; Augur [pseud. van J.E. van der Wielen], Van het Haagsche Binnenhof. Parlementaire schetsen (Amsterdam, 1901) 142-143; P.[A.] Kasteel, Abraham Kuyper (Kampen, 1938); S.F. van Oss, Vijftig jaren journalist ('s-Gravenhage, 1946) 100-103; J.[H.J.M.] Witlox, Schaepman als staatsman II en III (Amsterdam, 1960); G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland 1872-1901 ('s-Gravenhage, 1980); Briefwisseling Kuyper-Idenburg . Verz., ingel. en toegel. door J. de Bruijn en G. Puchinger (Franeker, 1985); Maarten Duijvendak, Rooms, rijk of regentesk. Elitevorming in oostelijk Noord-Brabant, circa 1810-1914 ('s-Hertogenbosch, 1990) 123-124; Marlou Schrover, Het vette, het zoete en het wederzijdse profijt. Arbeidsverhoudingen in de margarine-industrie en in de cacao- en chocolade-industrie in Nederland, 1870-1960 (Hilversum, 1991).

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2A3581.

G.A.M. Beekelaar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013