Hartog, Arnold Hendrik de (1869-1938)

 
English | Nederlands

HARTOG, Arnold Hendrik de (1869-1938)

Hartog, Arnold Hendrik de, Nederlands hervormd theoloog (Rotterdam 11-4-1869 - Amsterdam 9-12-1938). Zoon van Arnold Hendrik de Hartog, predikant, later hoogleraar, en Johanna van den Brandhof. Gehuwd op 17-1-1906 met Johanna Lucretia Geertruida Meijjes, publiciste. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. afbeelding van Hartog, Arnold Hendrik de

Arnold ('Nol') de Hartog was afkomstig uit een gereformeerd milieu. Zijn vader steunde Abraham Kuyper en de Doleantie van ganser harte. Toen De Hartog senior in 1882 tot hoogleraar aan de Vrije Universiteit werd benoemd en het gezin van Rotterdam naar Amsterdam verhuisde, ging Arnold naar een Hernhuttersschool in het Duitse Neuwied. Door heimwee geplaagd, hield hij het daar echter niet lang uit. Terug in Nederland werd hij aanvankelijk in Rotterdam op kostschool gedaan; vanaf zijn zeventiende kreeg hij privé-onderwijs in Amsterdam.

De Hartog bleek een eigenzinnige jongeman. Het ambt van gereformeerd predikant, dat zijn vader hem graag zag bekleden, ambieerde hij niet, terwijl deze laatste hem op zijn beurt verbood gehoor te geven aan zijn roeping kunstschilder te worden. Via allerlei baantjes, onder meer in een boekhandel en op een effectenkantoor, verdiende hij de kost. Uiteindelijk besloot hij echter, na het overlijden van zijn moeder in november 1892, toch te gaan studeren. Twee jaar lang bereidde hij zich als extraneus voor op het eindexamen gymnasium, dat hij in 1895 behaalde, om vervolgens aan de Vrije Universiteit met de studie theologie te beginnen. Na de dood van zijn vader, in februari 1896, woonde De Hartog enige tijd in huis bij zijn Amsterdamse leermeester Abraham Kuyper; deze zou altijd een grote invloed op hem behouden. De Hartog kon zich evenwel niet verenigen met de verstandelijke richting van de gereformeerde theologie, die voor hem een te gesloten stelsel vormde. Dit deed hem in 1898 besluiten zijn studie voort te zetten aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, wat betekende dat hij hervormd predikant zou worden. Op 12 juni 1903 promoveerde hij cum laude bij prof. G.H. Lamers op Het probleem der wilsvrijheid naar Schopenhauer , waaruit zijn dogmatische, ethische en filosofische belangstelling blijkt. Met exegese en geschiedenis had hij daarentegen veel minder affiniteit.

Na zijn promotie werd De Hartog predikant. Zijn eerste gemeente was Ommeren in de Betuwe, waar hij van oktober 1903 tot januari 1906 stond. Vandaar kreeg hij - inmiddels gehuwd - een beroep naar Heemstede om, na een vierjarig verblijf aldaar, in april 1910 naar Haarlem te gaan. Van oktober 1917 tot februari 1931, ten slotte, was hij predikant in Amsterdam. De Hartog genoot bekendheid vanwege zijn hartstochtelijke en meeslepende manier van preken, met een volkomen eigen woordkeus en betoogtrant. Wanneer hij op de kansel stond, was dat meestal voor een volle kerk. De Hartog was een markante en indrukwekkende persoon, die vooral via huisbezoeken op velen grote invloed heeft gehad. Bij de gewone man was hij populair, omdat hij sociaal en meevoelend was. Ook het feit dat hij discussie met andersdenkenden niet uit de weg ging, bezorgde hem waardering.

De Hartog was een gedreven apologeet, met een onwankelbaar geloof, waarmee hij velen wist te inspireren. Uit beschrijvingen komt hij naar voren als een wat naïeve, ijdele, emotionele, blijmoedige en spontane man. Hij was enthousiast en energiek en bezat een grote werkkracht, wat onder meer blijkt uit de vele publikaties die op zijn naam staan. Hij schreef verscheidene boeken en brochures over theologie en filosofie en leverde een groot aantal bijdragen en boekbesprekingen aan tijdschriften van uiteenlopende aard. Als muziekliefhebber publiceerde De Hartog ook over muziek; vooral het werk van Gustav Mahler bewonderde hij.

De Hartogs apologetische instelling maakte dat hij zich geroepen voelde een tegenkracht voor het atheïsme te vormen. Reeds in 1907 had hij in De redelijkheid der religie betoogd dat het verstand zich niet verzet tegen de godsdienst. Een jaar later begon hij met met de uitgave van Nieuwe Banen. Tijdschrift ter Verdediging en Verdieping van de Christelijke Wereldbeschouwing , dat bijna alleen door hem werd volgeschreven met filosofische en theologische artikelen. Het zou tot 1926 blijven bestaan, waarna het tot 1931 werd voortgezet onder de naam De Toortsdrager .

Naar aanleiding van een debat dat hij in december 1909 met de vrijdenker en anarchist F. Domela Nieuwenhuis voerde over de vraag of godsdienst en wetenschap elkaar uitsluiten, richtte De Hartog de vereniging 'De Middaghoogte' op. Doel hiervan was de atheïstische ideeën te bestrijden, in het bijzonder die van de vrijdenkersvereniging 'De Dageraad'. Het atheïsme van deze vereniging was natuurwetenschappelijk gefundeerd: het stelde de rede tegenover het als naïef beschouwde wereldbeeld van de gelovige. De Hartog wilde als reactie hierop aantonen dat de godsdienst niet alleen door de wetenschap werd gehandhaafd, maar zelfs werd bevestigd. De naam 'De Middaghoogte' was bewust gekozen: deze moest de indruk wekken dat De Hartogs vereniging een hoger ontwikkelingsstadium vertegenwoordigde dan die van de vrijdenkers. 'De Middaghoogte' had afdelingen in verschillende grote steden in het westen van het land en telde in haar bloeitijd, begin jaren twintig, zo'n duizend leden, behorend tot verschillende geloofsrichtingen. Tot 1934, het jaar waarin de vereniging werd opgeheven, zou De Hartog voorzitter blijven en tientallen drukbezochte openbare debatten met verschillende vrijdenkers voeren.

Behalve voor 'De Middaghoogte' werd De Hartog ook geregeld uitgenodigd voor het geven van lezingen voor jongerenverenigingen en volksuniversiteiten. Tevens gaf hij cursussen voor predikanten. Enkele malen hield hij openbare gedachtenwisselingen met hoogleraren, en ook sprak hij voor het 'Kant Gesellschaft', een filosofisch genootschap. In 1916 werkte hij mee aan de oprichting van de Internationale School voor Wijsbegeerte te Amersfoort, waaraan hij als bestuurslid en leraar bleef verbonden. Van zijn hand verschenen tal van artikelen over filosofische onderwerpen in onder andere het Nederlandsch Tijdschrift voor Psychologie en in Synthese. Maandblad voor het Geestesleven van onzen Tijd . In deze bladen en de School voor Wijsbegeerte zag De Hartog ook mogelijkheden voor zijn apologetisch werk, waarbij hij zich in eerste instantie ten doel stelde mensen tot een pantheïstisch standpunt te bewegen.

In De Hartogs denken speelde de filosofie een belangrijke rol. Wijsbegeerte en godsdienst waren voor hem onlosmakelijk met elkaar verbonden, omdat in beide de waarheid centraal staat. Vooral met het denken van Schopenhauer, Schelling en Eduard von Hartmann, waarin hij een herleving van de metafysica zag, voelde hij zich verwant. Daarnaast spraken ook Kant, Hegel en Fichte hem aan. Over deze zes Duitse wijsgeren publiceerde hij in 1908/1909 de serie filosofenportretten Groote denkers . De Hartog was vooral geïnteresseerd in de wijsbegeerte als middel tot versterking en onderbouwing van het geloof. Zijn eigen filosofie - waarmee hij overigens geen blijvende invloed heeft uitgeoefend - is dan ook nauw verweven met zijn theologische opvattingen. Hij wilde godgeleerdheid en wijsbegeerte met elkaar in overeenstemming brengen door te beklemtonen dat ook in de filosofie wel wordt uitgegaan van een alles bezielend en absoluut eenheidsprincipe. De werkelijkheid werd door hem holistisch opgevat: er zou een voor de mens kenbare, bezielde eenheid, een 'Al-Geest', aan het waarneembare bestaan ten grondslag liggen.

De Hartogs naam raakte in Nederland verbonden met die van Eduard von Hartmann (1842-1906), die het onbewuste dat alle materie en bewustzijn zou bezielen, tot fundament van zijn metafysisch stelsel maakte. Hoewel Von Hartmann kritisch stond tegenover het christendom, vond De Hartog bij hem toch een systeem dat mogelijkheden bood voor zijn apologetische werk. Hij vulde Von Hartmanns ideeën over het goddelijke onbewuste als grond van de werkelijkheid aan met christelijke noties. De Hartogs denken was een laatste groot ontwerp van theologie als metafysica, omdat hij uitging van één absoluut principe. Met zijn eenheidssysteem, dat verschillende theologische richtingen wilde verenigen, trachtte hij een brug te slaan tussen modernisme en orthodoxie, want vóór alles was hij de man van de synthese. Van een werkelijke ontwikkeling in zijn denken kan niet worden gesproken.

De theologie van De Hartog is wel een 'realistische theologie' genoemd: realistisch vanwege het feit dat hij de werkelijkheid waarin de mens leeft, centraal wilde stellen. Hij ging in zijn godgeleerdheid niet uit van een aprioristisch systeem, omdat dat de werkelijkheid geweld zou aandoen, maar trachtte met zijn alomvattend open stelsel aan te sluiten bij de ervaring, en concreet en existentieel te zijn. Hiertoe legde De Hartog een relatie tussen godsdienst enerzijds en wijsbegeerte en wetenschappen anderzijds, waarbij het er hem om ging duidelijk te maken dat zij elkaar niet uitsluiten, maar aanvullen. Hoewel hij zo de redelijkheid van de religie probeerde aan te tonen, was zijn geloofsbenadering niet zozeer intellectueel of analytisch, maar eerder gevoelsmatig en persoonlijk.

Rondom De Hartog verzamelde zich een groep aanhangers die zijn werkzaamheden ondersteunde. De op 18 december 1917 opgerichte en tot 1934 bestaande 'A.H. de Hartogstichting' werkte mee aan de verbreiding van zijn theologische en filosofische inzichten, onder meer door het organiseren van cursussen en het verspreiden van publikaties. De leden van het in dezelfde periode actieve 'A.H. de Hartoggezelschap' bestudeerden zijn werk, ten einde de betekenis ervan door te geven. Tevens stelden zij zich ten doel zijn volgelingen en geestverwanten samen te brengen, onder meer door het organiseren van zomerconferenties.

Naast aanhangers kende De Hartogs werk ook overtuigde tegenstanders. Als theoloog ondervond hij vooral van gereformeerde zijde kritiek. Dit werd niet alleen veroorzaakt door fundamentele verschillen, maar evenzeer door het feit dat hij in de eerste jaargangen van Nieuwe Banen verschillende malen ontactische uitspraken had gedaan. Ook zijn pogingen theologische kwesties te populariseren en wijsbegeerte en godgeleerdheid met elkaar in overeenstemming te brengen door een filosofisch eenheidsprincipe te verbinden met de christelijke God van de Openbaring gaven aanleiding tot veel afkeurend commentaar: hij zou een 'theosoof' zijn of een 'pantheïst', en zijn barokke en kleurrijke schrijfstijl vonden velen te vaag en te onduidelijk.

Ook werd De Hartog van verschillende kanten gekritiseerd omdat hij zich niet aansloot bij een bepaalde richting binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, al voelde hij wel verwantschap met de ethische richting. Hierdoor beschikte hij binnen de Synode niet over de noodzakelijke steun die hem aan een kerkelijk hoogleraarschap zou kunnen helpen, zodat hij daarvoor tot zijn teleurstelling telkens werd gepasseerd. Pas in 1926 volgde - door toedoen van de 'A.H. de Hartogstichting' - zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar in de apologie van het christendom aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Aangezien zijn metafysische geloofsbenadering echter niet aansloot bij de tijdgeest, en zijn colleges niet verplicht waren, nam het aantal toehoorders jaarlijks af. Enkele studenten wist hij evenwel aan zich te binden door zijn geloofsijver en overtuiging.

De Hartogs populariteit als predikant bleek bij zijn zilveren jubileum, op 11 december 1928. Hij werd toen door een nationaal comité gehuldigd en kreeg een huis aangeboden in Amsterdam. Eind 1930 werd De Hartog benoemd tot gewoon hoogleraar in de wijsbegeerte van de godsdienst en de zedekunde aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Zijn benoeming was, tegen de zin van de theologische faculteit en de curatoren in, door de gemeenteraad goedgekeurd. Ook daar bleef De Hartogs invloed echter beperkt, aangezien zijn gehoor doorgaans bestond uit slechts een klein aantal lutherse en doopsgezinde studenten. Na 1930 eiste zijn academische taak hem steeds meer op.

De Hartogs laatste jaren waren weinig gelukkig. Veel van zijn volgelingen voelden zich aangetrokken tot de onmetafysische, dialectische theologie van Karl Barth. De Hartog kon zich met diens ideeën niet verenigen. Hij voelde zich geïsoleerd en miskend en verviel in bitterheid. Na een lang en pijnlijk ziekbed, dat door hem op indrukwekkende wijze werd gedragen, overleed hij op 69-jarige leeftijd. Zijn naam werd spoedig vergeten.

A: Archief-A.H. de Hartog in de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Utrecht.

P: J.N. IJkel, Bibliografie van dr. A.H. de Hartog (1869-1938) (Utrecht, 1988), 18-50.

L: 'Literatuur over A.H. de Hartog' in de onder P genoemde publikatie van IJkel, 51-56; O.J. de Jong, 'A.H. de Hartog. Een schets naar foto's', ibidem , 9-16; idem, lemma in Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme II (Kampen, 1983) 234-236; E. van Riel, De Dageraad en De Middaghoogte: atheïsme en apologie. Een onderzoek naar een discussie tussen atheïsten en gelovigen in Nederland tussen 1910 en 1934 (ongepubliceerde doctoraalscriptie Vakgroep Geschiedenis KU Nijmegen, 1991).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 611.

Mw. E. van Riel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013