Hasselman, Catharinus Johannes (1861-1944)

 
English | Nederlands

HASSELMAN, Catharinus Johannes (1861-1944)

Hasselman, Catharinus Johannes, koloniaal ambtenaar en lid van de Raad van State (Herwijnen (Gld.) 21-10-1861 - Wassenaar 10-2-1944). Zoon van Benjamin Richard Ponninch Hasselman, suikerrietplanter in Nederlands-Indië, later burgemeester, en Gertrude Jeanne Marie Tijdeman. Gehuwd op 16-4-1892 met Dorothea Gertrude Tijdeman. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Hasselman groeide op in een omgeving waar 'Indië' meer was dan de naam van een ver weg gelegen wingewest. Niet alleen zijn oom Johannes Jerphaas Hasselman, van 1867 tot 1868 minister van Koloniën, had een lange carrière in de Oost achter de rug, ook zijn vader was, alvorens in 1863 tot burgemeester van het Gelderse Herwijnen te worden benoemd, enige jaren suikerrietplanter op Java geweest. Het wekte dan ook geen verbazing dat Hasselman, na het eindexamen aan de Tielse HBS, ging studeren aan de Indische onderwijsinstelling in Delft. In 1883 legde hij het groot-ambtenaarsexamen af en vertrok vervolgens naar Nederlands-Indië om daar in dienst te treden bij het Binnenlandsch Bestuur (BB).

Door zijn aanstelling, vrijwel onmiddellijk na aankomst, als een van de assistenten van de gouvernementscommissaris inzake de Veepest - die werden toegevoegd aan de controleurs en assistent-residenten in die afdelingen waar extra toezicht op de administratie en het brandmerken van het vee noodzakelijk was - werd Hasselman geconfronteerd met de praktische en prozaïsche kant van het bestuurswerk op Java. Het praktische werk bleek hem te liggen, en in 1885 werd hij benoemd tot aspirant-controleur, in 1888 bevorderd tot controleur der tweede klasse. De daaropvolgende twee jaar was Hasselman werkzaam als bestuursambtenaar, met standplaatsen op midden-Java: Kedoe, Magelang, Banjoemas, Temanggoeng en Probolinggo. In 1890 werd hij toegevoegd aan de inspecteur der Cultures F. Fokkens om te helpen bij het onderzoek naar de regeling van en het toezicht op de herendiensten op Java en Madoera.

De werkkracht die Hasselman onder leiding van Fokkens ten toon spreidde, bleef niet onopgemerkt. Tegelijk met zijn bevordering tot controleur der eerste klasse in 1894, kreeg hij dan ook een aanstelling bij de Algemeene Secretarie, het ambtelijk bureau van de gouverneur-generaal. Deze overstap van de praktische arbeid als bestuursambtenaar naar een carrière als 'bureauambtenaar' betekende overigens niet dat Hasselman tot een typische Bataviase of Buitenzorgse 'inktwellusteling' werd. Daarvoor bleef hij te zeer begaan met het wel en wee van zijn oude corps, getuige bijvoorbeeld zijn in deze jaren geschreven artikelen over de slechte arbeidsvoorwaarden waaronder de bestuursambtenaren moesten werken: 'In zijn hart was en bleef hij een B.B.-man' (De la Valette, 345).

Na in 1896 tot referendaris te zijn benoemd, ging Hasselman - inmiddels getrouwd met een nicht van moederszijde - het jaar daarop met Europees verlof. Eenmaal in Nederland werd hij echter door het koloniale bestuur niet lang met rust gelaten. Op het ministerie van Koloniën werd hem namelijk de bewerking opgedragen van de voorstellen van het oud-lid van de Raad van Nederlands-Indië J. Mullemeister tot hervorming van het Binnenlandsch Bestuur op Java en Madoera. Hoewel het resultaat van deze voorstellen uiteindelijk de geschiedenis zou ingaan als de 'reorganisatie-Mullemeister', was het toch in feite Hasselman die de verhoging van de salarissen van BB-ambtenaren, het de facto afschaffen van de functie van patih (: plaatsvervanger van de regent) en het terugbrengen van het aantal residenties op Java tot 17 had ontworpen, maatregelen die in 1900 het Staatsblad zouden halen, maar die, na invoering, als hervorming van het binnenlands bestuur al spoedig ontoereikend zouden blijken te zijn.

Terug in Indië was Hasselman wederom werkzaam bij de Algemeene Secretarie. Daarnaast redigeerde hij van 1899 tot 1905 het Tijdschrift voor het Binnenlandsch Bestuur , een periodiek waaraan hij een centrale rol toedacht in het ambtelijke leven van de BB'ers, als 'de spiegel van het innerlijk leven van het corps'. Helaas waren slechts weinige Indische ambtenaren metterdaad bereid een bijdrage aan het blad te leveren. Hasselman meende hieruit te moeten concluderen dat de door hem geïnitieerde bestuurshervorming van 1900 niet voldoende was geweest om het enthousiasme onder de BB'ers over hun werkkring te laten herleven.

Ondertussen had Hasselman zich vooral beziggehouden met wat later zijn belangrijkste werk zou blijken te zijn, namelijk het onderzoek naar de druk op de bevolking van de verplichte dessadiensten op Java en Madoera. In het in 1905 gepubliceerde eindverslag liet de inmiddels tot assistent-resident bevorderde Hasselman zich kennen als een zelfstandig denkend ambtenaar, die zich niet liet leiden door indertijd opgang makende denkbeelden. Anders dan de veelal liberale aanhangers van een meer radicale ethische politiek, constateerde hij bijvoorbeeld dat de Javaanse dorpsbewoners zich helemaal niet door hun dessahoofden voelden uitgebuit, maar veeleer bescherming behoefden tegen de gevolgen van de toenemende individualisering van de samenleving. Het was de opvatting van iemand die jarenlang als ambtenaar door de binnenlanden was getrokken tegenover die van goedmenende theoretici, die 'de Javaan' slechts voornamelijk uit geschriften kenden. Hasselman adviseerde het gouvernement juist het dorpsverband te gebruiken bij de welvaartspolitiek, en ondanks protesten van liberale zijde werden zijn ideeën overgenomen. Een ander belangrijk gevolg van Hasselmans verslag was de Inlandsche Gemeente-ordonnantie van 1906, waarmee de dessa, hoewel wellicht vooral een uitvinding van de koloniale overheid, voor de eerste maal als centrale en authentieke inheemse instelling een vaste plaats in het Indische staatsrecht kreeg.

Dat het gouvernement Hasselmans verslag hooglijk waardeerde, bleek wel uit zijn benoeming in 1905 tot inspecteur voor de Landelijke Inkomsten en Verplichte Diensten. Aan zijn Indische carrière kwam in 1907 echter een abrupt einde, toen hem wegens ziekte een tweejarig Europees verlof werd verleend. In Nederland bleef Hasselman zich intensief met koloniale zaken bezighouden. Zo verscheen in 1914 van zijn hand een Algemeen overzicht van de uitkomsten van het welvaart-onderzoek gehouden op Java en Madoera in 1904-1905 en was hij van 1910 tot 1912 algemeen secretaris van het Koloniaal Instituut te Amsterdam.

Op 16 mei van het laatstgenoemde jaar nam Hasselman zitting in de Raad van State, waarin hij tot 14 september 1940, dat wil zeggen tot drie en een half jaar voor zijn dood, zitting zou hebben. In deze laatste functie werkte hij tamelijk anoniem en zonder controversiële uitspraken te doen. Daarnaast werd Hasselman, vooral door het ministerie van Koloniën, geregeld gevraagd als gewaardeerd oud-Indisch ambtenaar in verschillende adviescommissies zitting te nemen, zoals in 1909 in de commissie tot herziening der agrarische wetgeving op Java en Madoera en in 1911 en 1918 in commissies voor de herziening van de opleiding van Indische bestuursambtenaren. Tevens maakte hij in 1922/1923 deel uit van de vlootwetcommissie-Patijn en was hij onder meer curator van de Nederlandsch-Indische Bestuursacademie en lid van de raad van beheer van het Koloniaal Instituut te Amsterdam.

Hasselman was een typisch voorbeeld van de betere Indische bestuursambtenaar: begaan met het lot van de inheemse bevolking, maar zonder de overdreven bevlogenheid die sommige idealistische ethici kenmerkte. Daarentegen bleef hij altijd binnen de koloniaal-bestuurlijke kaders, zonder echter weer slaafs de ideeën van zijn superieuren te volgen of zich te laten leiden door heersende opinies, zoals vele andere BB'ers wel gewend waren te doen. Hasselman was bovenal, aldus de vooruitstrevende Indische journalist P. Brooshooft in 1906, 'het neusje van den zalm der ontwikkeling, distinctie, nette geboorte en knappe rapporten-schrijverij', met andere woorden de ideale koloniale ambtenaar.

A: Collectie-J.J. en C.J. Hasselman in de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties en vele artikelen over voornamelijk bestuurlijke onderwerpen in koloniale periodieken als De Indische Gids en het Tijdschrift voor het Binnenlandsch Bestuur : Historische nota over het vraagstuk van de opleiding en benoembaarheid voor den administratieven dienst in Nederlandsch-Indië (Batavia, 1900); Eindverslag over het onderzoek naar den druk der dessadiensten op Java en Madoera (Batavia, 1905); Het Koninklijk Koloniaal Instituut te Amsterdam. Wording, werking en toekomst (Amsterdam, 1924).

L: G. d[e] l[a] V[alette], 'C.J. Hasselman benoemd [tot] lid van den Raad van State', in Koloniaal Tijdschrift 1 (1912) 344-345; L. Pronk, De bestuursreorganisatie-Mullemeister op Java en Madoera en haar beteekenis voor het heden (Leiden, 1929); Robert van Niel, The emergence of the modern Indonesian elite ('s-Gravenhage [etc], 1960); C. Fasseur, De Indologen. Ambtenaren voor de Oost, 1825-1950 (Amsterdam, 1993); H.W. van den Doel, De stille macht. Het Europese binnenlands bestuur op Java en Madoera, 1808-1942 (Amsterdam, 1994).

H.W. van den Doel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013