Horst, Anthonie van der (1899-1965)

 
English | Nederlands

HORST, Anthonie van der (1899-1965)

Horst, Anthonie van der, dirigent en componist (Amsterdam 20-6-1899 - Hilversum 7-3-1965). Zoon van Hendrik van der Horst, organist, en Johanna Allegonda Petronella van Acker. Gehuwd op 12-4-1922 met Elizabeth Anna Sophia van Schevichaven, pianiste. Uit dit huwelijk werden 3 zoons geboren. afbeelding van Horst, Anthonie van der

Anthon van der Horst ging er prat op naar alle waarschijnlijkheid een nazaat te zijn van de Nederlandse componist Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621); slechts een enkele genealogische schakel is onzeker. Hij stamde uit een eenvoudig gereformeerd Amsterdams gezin. Zijn vader was organist in verscheidene kerken, gaf muziekles en dirigeerde onder meer het amateursymfonieorkest 'Arti et religioni'. Op zeer jeugdige leeftijd bleek Anthons grote muzikale begaafdheid. Op zijn vierde jaar speelde hij met zijn vader het romantische symfonische repertoire vierhandig op de piano. Opvallend hierbij was dat hij nog geen muziek kon lezen: het notenbeeld, gesteund door een grote muzikale intuïtie, riep de juiste technische handeling op. Zijn vader droeg verder aan Anthons muzikale vorming bij door hem veelvuldig mee te nemen naar concerten in de hoofdstad. Zo kwam hij ook in contact met de Matthäus-Passiontraditie van Willem Mengelberg.

Al jong trad Anthon van der Horst in de voetsporen van zijn vader: op vijftienjarige leeftijd werd hij organist van de église Wallonne in Amsterdam, een functie die hij in 1918 verwisselde voor het organistschap van de Engelse Kerk aan het Begijnhof. Ook begon hij als jongen van vijftien jaar de opleiding aan het Amsterdamsch Conservatorium. Hij studeerde compositie bij Bernard Zweers en orgel en piano bij Jean Baptiste Charles de Pauw. Vooral voor deze laatste had Van der Horst een diep respect, onder andere wegens diens fabelachtige muzikale geheugen: De Pauw was in staat een niet eenvoudig muziekwerk binnen één dag uit het hoofd te spelen. In 1917 behaalde Van der Horst het eindexamen orgel cum laude.

Twee jaar later ontving Van der Horst als eerste in Nederland in het Amsterdamse Concertgebouw uit handen van een internationale jury de Prix d'Excellence voor orgel. Ondanks deze hoge en voor die tijd zeker uitzonderlijke onderscheiding bekleedde Van der Horst nooit een vooraanstaande post als organist. Zijn functie bij de Engelse Kerk te Amsterdam eindigde als gevolg van de oorlogsomstandigheden in 1941. Het door hem begeerde organistschap van de Oude Kerk in Amsterdam - het Vater-Müller-orgel van de kerk had zijn grote voorliefde en inspireerde hem tot verschillende van zijn orgelwerken - ging in 1941 door intriges aan hem voorbij. Van 1944 tot 1955 was hij organist van de Nederlandse Protestanten Bond in Hilversum. Het Bätz-Witte-orgel van de Grote Kerk te Naarden, dat Van der Horst van 1955 tot 1964 bespeelde, heeft zeker allure, maar beantwoordde toch niet volledig aan zijn muzikale smaak en deed onvoldoende recht aan zijn betekenis als orgelbespeler.

Zijn bekendheid als organist had Van der Horst meer te danken aan zijn concertpraktijk, die hij reeds vanaf zijn zestiende jaar opbouwde en die hem in binnen- en buitenland bekendheid gaf. Hij maakte concertreizen naar onder meer Venezuela, Suriname en de Nederlandse Antillen. In 1938 nam hij deel aan het eerste Nederlandse improvisatieconcert in de Utrechtse Dom, samen met Cornelis Bute, Hendrik Andriessen en Jan Mul. Hij maakte verscheidene grammofoonplaten, onder andere kort voor zijn overlijden met werken van Bach in de grote of St. Laurenskerk te Alkmaar. Tevens genoot hij bekendheid als begeleider van solisten als Aaltje Noordewier-Reddingius, met wie hij al in 1929 opnamen maakte, Jo Vincent en Max Kloos, en later eveneens van het Nederlandsch Kamerkoor. Ook trad Van der Horst op als pianist: twee keer per week improviseerde hij live op piano bij de ochtendopeningen van de Vrijzinnig Protestantsche Radio-Omroep (VPRO).

Nog meer invloed oefende Van der Horst in de Nederlandse orgelwereld uit door zijn didactische activiteiten. Gedurende zijn gehele leven leverde hij een belangrijke bijdrage op het gebied van het muziekonderwijs. Na in 1921 betrokken te zijn geweest bij de oprichting van het Amsterdamsch Muzieklyceum was hij van 1922 tot 1927 als docent aan deze instelling verbonden. In 1927 werd Van der Horst directeur van het Hilversums muzieklyceum en in 1935 hoofdleraar orgel aan het Amsterdamsch Conservatorium. Enige jaren later volgde hier - op grond van de inmiddels verworven bekendheid als dirigent - zijn aanstelling als hoofdleraar koor- en orkestdirectie. Al deze functies bekleedde hij tot vlak voor zijn dood. Een keur van organisten leidde hij in deze jaren op, onder wie: Piet van Amstel, Bernard Bartelink, Jan van der Berg, Piet Kee, Albert de Klerk, Frits Mehrtens, Piet Post, Charles de Wolff en Kees de Wijs. In Van der Horsts onderricht speelde - naast het aanleren van techniek - de juiste interpretatie van de orgelliteratuur, gebaseerd op het voortdurend vergaren van kennis over stijl en achtergrond, een grote rol.

Deze weetgierigheid naar de achtergronden van de muziek heeft ertoe bijgedragen dat Van der Horst ook als dirigent een grote invloed in Nederland en daarbuiten heeft gehad. De jaarlijkse uitvoeringen van de Matthäus-Passion en de Hohe Messe van Bach in Naarden, die Van der Horst sedert 1931 tot vlak voor zijn dood met de Nederlandsche Bachvereeniging gaf, trokken publiek van ver over de landsgrenzen. Steeds dieper trachtte Van der Horst in het wezen van deze muziek thuis te raken. Hij dirigeerde Bachs meesterwerken uit een fotografische weergave van het oorspronkelijke handschrift om zich zo heel direct met de componist verbonden te weten. Door dit zoeken naar Bachs werkelijke bedoelingen kwam Van der Horst met zijn Naardense Passiontraditie lijnrecht tegenover de meer romantisch geïnterpreteerde Passievertolkingen van Willem Mengelberg te staan. Naast het leiderschap van de Nederlandsche Bachvereeniging is Van der Horst dirigent geweest van de Koninklijke Oratorium Vereeniging te Amsterdam, de Haagse Koninklijke Zangvereeniging 'Excelsior', het Leidse koor 'Sursum Corda' en de Christelijke Oratorium Vereeniging in Utrecht. Ook trad hij op als gastdirigent bij het Concertgebouworkest en bij andere orkesten. Met het Amsterdams Kamerorkest - een selectie uit het Concertgebouworkest - maakte hij verschillende grammofoonplaten. Van der Horsts verdienste als interpretator en kenner van Bachs liturgische muziek bezorgden hem in 1948 een doctoraat honoris causa in de godgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit te Groningen, waarbij prof. G. van der Leeuw als erepromotor optrad.

Ook als componist maakte Van der Horst naam. Zelf noemde hij componeren een 'bezield spel waarbij dàn de componist, dàn de muziek zelve een zet op het schaakspel doet'. Hoewel hij fel gekant was tegen richtingen in de moderne muziek waarbij de componist - zoals hij het uitdrukte - tot 'constructeur' vervalt, afhankelijk van een vooropgezet en berekend plan, speelt de ordening van het tonenmateriaal in zijn werken steeds een grote rol. Veel van de door hem gecomponeerde muziek berust op een achttonige toonladder, waarbij de tonen afwisselend een hele en een halve toon boven elkaar ligger, bijvoorbeeld 'd e f g as bes c cis d'. Hij noemde deze ladder de modus coniunctus, omdat hij twee tooncentra, die het octaaf exact doormidden delen, met elkaar verbindt; in het gegeven voorbeeld de 'd' en de 'as'. Aangezien Van der Horst met dit tonenmateriaal geheel zijn eigen weg ging, is het moeilijk hem bij een bepaalde 20e-eeuwse stijlrichting in te delen. Over het geheel genomen klinkt zijn muziek mild en sonoor. De rijke orkestratie draagt daar vaak het hare toe bij.

De opuslijst van Van der Horst telt meer dan honderd nummers en vermeldt werken voor orgel - waaronder de Suite in modo coniuncto uit 1943 -, piano, koor a capella en koor met begeleiding van orkest, orgel of andere bezetting, onder andere de grote werken Chorus I tot en met VIII, geschreven tussen 1932 en 1961. Verder componeerde Van der Horst liederen voor solozang met orgel of pianobegeleiding, kamermuziek en orkestwerken, drie symfonieën (de derde met koor), twee orgelconcerten, een vioolconcert en enkele op zichzelf staande orkestwerken, zoals de Réflexions sonores uit 1962 en de Salutation joyeuse pour l'orchestre uit 1964.

De technische problemen waarvoor Van der Horst de uitvoerenden van zijn werken stelt, zullen ertoe hebben bijgedragen dat zijn composities te weinig worden uitgevoerd en hij daarom als componist tot op heden te weinig is geacht. Van der Horst was een integer en gedistingeerd mens, met een fijnzinnige humor en een diep geloofsleven.

P: Discografie van opnamen, waaraan Van der Horst als organist/pianist of als dirigent meewerkte in de onder L genoemde publikatie van Oost, 212-214. Behalve de in de tekst genoemde composities, die grotendeels zijn terug te vinden in General catalogue. Dutch contemporary music (Amsterdam, 1977) en het overzicht van ongepubliceerde werken bij de Stichting Donemus te Amsterdam, verscheen van de hand van Van der Horst: (samen met G. van der Leeuw) Bach's Hoogmis (Amsterdam [1941]); 'Over de plaats en betekenis van het weten in de wereld der muziek', in Mens en Melodie 3 (1948) 297-302.

L: Bibliografie van artikelen en necrologieën over Van der Horst in: Gert Oost, Anthon van der Horst 1899-1965. Leven en werk (Alphen aan den Rijn, 1992) 214-215. Verder: De Nederlandse Bachvereniging 50 jaar [Naarden, 1961]; Jolande van der Klis, Oude muziek in Nederland. Het verhaal van de pioniers 1900-1975 (Utrecht, 1991).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 699.

G. Oost


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013