Houwink, Roelof Martinus Frederik (1899-1987)

 
English | Nederlands

HOUWINK, Roelof Martinus Frederik (1899-1987)

Houwink, Roelof Martinus Frederik, (pseudoniem H. van Elro), dichter en schrijver (Breda 17-1-1899 - Zeist 3-6-1987). Zoon van Roelof Lambertus Houwink, ambtenaar bij de PTT, en Gerardina Martha Charlesia Catharina Westerink. Gehuwd op 30-12-1926 met Petronella van Nie. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren; er was 1 pleegdochter. afbeelding van Houwink, Roelof Martinus Frederik

Roel Houwink bracht zijn kinderjaren door in Middelburg - door hem later, in 1976, beschreven in zijn Middelburgs dagboek - en bezocht het gymnasium in Groningen en Utrecht. Na het eindexamen in 1918 publiceerde Roel zijn eerste kritieken in het Utrechtsch Dagblad ; via een ingezonden stuk was hij in aanraking gekomen met hoofdredacteur P.H. Ritter jr. Hij debuteerde in datzelfde jaar met het gedicht 'Zwerverseinde' in het tijdschrift Stroomingen en in 1921 in proza met de novelle 'Muggendans' in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift (31 (1921) LXI, 336-345). Zelf noemde hij deze laatste publikatie meestal zijn literaire debuut.

In april 1919 verhuisde het gezin Houwink naar Zeist. Vijf maanden later liet Roel zich inschrijven als student in de rechten aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. In de Zeister boekhandel van diens vader leerde hij Hendrik Marsman kennen. Het werd het begin van een literaire vriendschap, die tot 1926 zou duren. Beiden hadden het expressionisme ontdekt en waren vol hartstocht voor de literatuur. Houwink maakte Marsmans gedichten bekend, eerst in het Utrechtsch Dagblad . In 1922 zou hij hem in De Nieuwe Kroniek de meest geavanceerde dichter noemen. Samen vormden zij in 1925 de redactie van De Vrije Bladen . Toen Marsman na een jaar teleurgesteld aftrad, besloot Houwink aanvankelijk te blijven. Een nummer later nam hij niettemin zijn ontslag, onder meer omdat hij anders was gaan denken over de relatie tussen leven en kunst. Daarmee verwijderde hij zich van de groep rond De Vrije Bladen en dus ook van Marsman.

In 1925 ontdekte Houwink, op dat moment werkzaam bij de Utrechtse boekhandel Kemink, Der Römerbrief van Karl Barth uit 1919. Daarmee ging een wereld voor hem open, en hij begon zich verder te verdiepen in de geschriften van deze Duitse theoloog en in de bijbel. Vooreerst sloot hij zich overigens nog niet bij een kerkgenootschap aan; pas in oktober 1940 zou hij lid worden van de Nederlandse Hervormde Kerk. Ook in maatschappelijk opzicht veranderde omstreeks 1925 zijn leven. Na op 17 december 1925 het doctoraal examen te hebben afgelegd trouwde hij en trad hij als directiesecretaris in dienst bij Uitgeverij Elsevier in Amsterdam, waar Herman Robbers directeur was. Zakelijke moeilijkheden brachten hem er echter spoedig toe ontslag te nemen; hij keerde terug naar de omgeving van Utrecht en probeerde van de pen te leven. Vanaf 1930 woonde hij weer in Zeist.

Houwinks bekering had ook invloed op zijn literaire werk. Als literator kwam hij in 1928, na enkele omzwervingen, terecht bij de groep van de Jong-Protestanten en het tijdschrift Opwaartsche Wegen . Van 1932 tot 1940 was hij redacteur en tevens een van de belangrijkste woordvoerders van dit blad. Zijn eerste bundels verzen - Hesperiden en Madonna in tenebris , beide uit 1925 - publiceerde hij onder de naam H. van Elro, maar toen zijn werk een andere inhoud kreeg, gebruikte hij deze naam niet meer. In de in 1926 verschenen bundel Christus' ommegang in het Westen laat hij scherp zien dat het officiële christendom zich vergenoegt met de schijn, maar Christus niet erkent als een macht in en achter het leven. Ook in latere artikelen trekt hij scherp van leer tegen de verburgerlijking van het christendom, die hij vooral in de christelijke organisaties en partijen meende waar te nemen. Houwink wilde een bezinning op de waarheden van het evangelie, waardoor de christen zich midden in zijn tijd zou plaatsen.

Ook kunst en leven waren, naar de mening van Houwink, niet te scheiden. Het kunstwerk heeft een eigen realiteit, met als gevolg dat kunst en religie niet kunnen worden vereenzelvigd; de religiositeit wordt ook niet bepaald door de inhoud. Houwink voelde niets voor het, vooral door K.H. Heeroma gepropageerde, 'dichterschap in de gemeente': daar mocht, zijns inziens, alleen het Woord Gods worden verkondigd. De dichter spreekt namelijk door het beeld, waardoor de verkondiging slechts kan worden vertroebeld. Het grote gevaar van de christelijke letterkunde is 'dat zij meent de schoonheid anders dan door het leven harer makers te kunnen kerstenen', dat dus een 'christelijk' onderwerp al christelijke literatuur zou opleveren. Houwink pleitte dan ook voor een existentiële methode voor de letterkundige kritiek, die er vanuit ging dat het kunstwerk een synthetische geesteshouding tot uitdrukking bracht ('De methode der letterkundige kritiek', in De Weegschaal: essays... bijeengebr. door B. Bakker [e.a.] (Kampen [1936]) 69-86).

Houwink was er intussen diep van overtuigd dat de westerse cultuur ten einde liep. Als oorzaak van dit verval zag hij de individualisering en subjectivering. In Haagsch Maandblad (15 (1938) II, 247-257) vergeleek hij de westerse mens met een verwend kind: alle behoeften verschuiven van het kwalitatieve naar het kwantitatieve; doordat alles de intensiteit verliest is er een steeds grotere roep om sensatie. Houwink stemde in met de cultuurkritieken van bijvoorbeeld O. Spengler en J. Huizinga, maar bracht daarnaast met eigen gepubliceerde vertalingen het werk van de christelijke cultuurfilosofen Th. Spoerri en F.W. Foerster onder de aandacht van het Nederlandse publiek.

Deze onheilsverwachtingen voor Europa, maar ook zijn opvattingen over de sociale taak van de schrijver en zijn visie van een verzoenend christendom over alle tegenstellingen heen brachten Houwink ertoe gedurende de Duitse bezetting zijn literaire werkzaamheden voort te zetten en daartoe niet alleen in 1941 lid te worden van de Kultuurkamer, maar tevens actief mee te werken aan pro-Duitse tijdschriften zoals De Schouw en het Haagsch Maandblad , waarin hij schreef over de taak van de schrijver en over 'volksche' literatuur, die niet de uiting van het individu, maar van de gemeenschap moest zijn. Na een aanvankelijke weigering werd hij ook literair recensent bij de gelijkgeschakelde radio.

Anderzijds werd Houwink geen lid van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). In een brief uit mei 1941 stelde hij tegenover zijn voormalig mede-redactielid van Opwaartsche Wegen , de bij het departement van Volksvoorlichting benoemde NSB'er J. van Ham, dat hij lid van de Kultuurkamer wilde worden, maar zich uitdrukkelijk geen nationaal-socialist wenste te beschouwen en elke vorm van rassenhaat en jodenvervolging afwees (Venema, 83-84). Afgezien van wellicht materiële overwegingen - het lidmaatschap van de Kultuurkamer verschafte nu eenmaal de mogelijkheid van noodzakelijke inkomsten - moet voor Houwink de idee van de Nieuwe Orde met de gedachte aan een ware volksgemeenschap en een terugkeer tot zelfdiscipline en sociale dienstbaarheid aantrekkelijk zijn geweest. In deze geest althans schreef hij waarderend over het herleefde volksbewustzijn en de ware gemeenschapszin, waarvan de oudere en nieuwere literatuur blijk gaf. Met kerk en kerkewerk brak hij intussen niet.

Dat Houwink na de bevrijding voor houding en werkzaamheid in de oorlogsjaren moest boeten, werd door hem aanvaard: de Eereraad voor de Letterkunde veroordeelde hem als een der eersten tot een publikatieverbod gedurende vijf jaar. Hij legde zich bij de uitspraak neer, maar probeerde in 1947, toen hij zag dat de straffen milder werden, in hoger beroep te gaan. Dit appèl was echter niet meer ontvankelijk. Tegen het einde van de schorsing werd opnieuw een strafvervolging ingesteld. Hoewel onverdachte figuren als Ritter en K.H. Miskotte voor hem hadden gepleit, werd hij op 30 maart 1949 door de kantonrechter in Utrecht veroordeeld tot onder andere verbeurdverklaring van ? 1000.

Reeds vóór de Tweede Wereldoorlog had Houwink gepubliceerd over psychologische onderwerpen. Na het afleggen van een colloquium doctum studeerde hij vanaf 1945 psychologie aan de Utrechtse universiteit. Op 7 juli 1952 behaalde hij het doctoraal. Vervolgens trad hij in dienst bij de Stichting voor Hervormd Diaconaal Maatschappelijk Werk te Zeist voor de sectie huwelijks- en gezinsproblemen. Op 1 januari 1971 ging Houwink met pensioen. Tussen 1952 en 1955 publiceerde hij geregeld gedichten, artikelen en boekbesprekingen in het weekblad In de Waagschaal . De door hem gebundelde poëzie werd nauwelijks opgemerkt. Na zijn pensionering verschenen, grotendeels in eigen beheer, kleine bundels, in beperkte oplage. Samen met Arjen F. de Groot publiceerde hij bovendien vijf bundels bij diens uitgeverij Kairos. Levensbeschouwelijke artikelen verschenen in de Nieuwe Zeister Courant . Houwink distantieerde zich van het orthodoxe christendom en bestudeerde de oosterse godsdiensten. Zo vertaalde hij in 1976 de Tao-Teh-King van Lao-Tse. Gedurende de laatste jaren van zijn leven schreef hij tanka's - hij publiceerde de eerste Nederlandse tanka - en haiku's.

Roel Houwink, die het eerste moderne proza in ons land schreef - Novellen (1920-1922) uit 1924 -, maar na 1940 van zijn literaire omgeving vervreemdde, blijft als literator in de jaren twintig en dertig van belang, door zijn inspirerende invloed op de jong-protestantse literaire beweging, uitmondend in zijn langdurige redacteurschap van Opwaartsche Wegen , maar ook door zijn steun en hulp aan bijvoorbeeld Hendrik Marsman en Gerrit Achterberg.

A: Collectie-Houwink in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage. Collectie-Houwink in Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam.

P: Onvolledige bibliografie in De Nederlandse en Vlaamse auteurs. Van middeleeuwen tot heden... . Onder hoofdred. van G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse (Weesp, 1985) 287.

L: P.H. Ritter jr., De kritische reis (Amsterdam, 1928); Anthonie Donker, Fausten en faunen. Beschouwingen over boeken en menschen (Amsterdam, 1930); J.J. Oversteegen, Vorm of vent. Opvattingen over de aard van het literaire werk in de Nederlandse kritiek tussen de twee wereldoorlogen (Amsterdam, 1969); J.H. Scheps, Scheps inventariseert I (Apeldoorn, 1973) 14-16, 725-731; Hans Anten, Van realisme naar zakelijkheid. Proza-opvattingen tussen 1916 en 1932 (Utrecht, 1982); J.J. Kelder, Schrijven voor de nieuwe orde. Literatuur en schrijverschap in De Schouw, tijdschrift van de Kultuurkamer (Utrecht, 1983); Adriaan Venema, Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie (4 dln.; Amsterdam, 1988-1992); Wim Hazeu, Gerrit Achterberg. Een biografie (Amsterdam, 1988); Dineke Colenbrander [e.a], Opwaartsche Wegen [Schrijversprentenboek 28] ('s-Gravenhage, 1989); Magdalena Berkers, Op weg naar de Onnoembare. Over Roel Houwink (Hilversum, 1989); Anne Schipper, 'Roel Houwink en zijn houding ten opzichte van de Kultuurkamer', in Woordwerk. Christelijk Literair Tijdschrift 7 (maart 1989) 15-31; Michiel van Diggelen en Kees van Domselaar, 'Over leven en werk van Roel Houwink (1899-1987)', in Trouw , 13-9-1990.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 707.

H. Jongsma


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013