Hugenholtz, Johannes Bernardus Theodorus (1888-1973)

 
English | Nederlands

HUGENHOLTZ, Johannes Bernardus Theodorus (1888-1973)

Hugenholtz, Johannes Bernardus Theodorus, predikant en antimilitarist (Kattendijke (Z.) 14-5-1888 - Renkum (Gld.) 25-12-1973). Zoon van Johannes Bernardus Theodorus Hugenholtz, Nederlands hervormd predikant, en Hermina Ottolina Mathilda Maria Sophia Geesink. Gehuwd op 7-7-1913 met Esther Maria Pouwelsen. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren.

Hugenholtz was afkomstig uit een mild-orthodox predikantenmilieu. Dat hij van 1908 tot 1912 theologie ging studeren in Utrecht, lag dus voor de hand. Tijdens deze studie ontwikkelde hij zich in vrijzinnige richting. Door contacten met zijn studiegenoot J.W. Kruyt en, via hem, met Bart de Ligt kwam hij in aanraking met de Bond van Christen-Socialisten, waarvan beiden voormannen waren. In 1913, het jaar van zijn huwelijk en zijn benoeming tot predikant in het Drentse Vledder, sloot Hugenholtz zich bij de Bond aan. De Eerste Wereldoorlog, die kort daarna uitbrak, schokte hem diep: 'Na een idyllisch pastoraal leven van één jaar in Vledder, werd ik plotseling opgeschrikt en was het me of de bliksem in mijn ziel sloeg' ( Trouw , 31-12-1973). Het uitbreken van de oorlog was naar zijn mening mede te wijten aan het falen van de sociaal-democratie, maar bovenal van het christendom.

Zijn principiële stellingname tegen de oorlog droeg Hugenholtz uit in zijn gemeentewerk en in landelijke acties. Zo wist hij, samen met De Ligt en de zijnen, met zijn pleidooien te bereiken dat de Bond van Christen-Socialisten zich in mei 1915 uitsprak voor demobilisatie van de langs de grenzen samengetrokken Nederlandse troepen. Verder zette Hugenholtz in september van dat jaar zijn naam onder het Dienstweigerings-Manifest. Evenals de andere ondertekenaars beschuldigd van opruiing, werd hij veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, maar in hoger beroep op formele gronden vrijgesproken. 'Ga heen en zondig niet meer', moet de ambtenaar van het Openbaar Ministerie hem bij die gelegenheid hebben toegevoegd. Deze rechtszittingen hadden in ieder geval een grote propagandistische waarde: de belangstelling van publiek en pers was overweldigend. Internationale contacten met vredesactivisten deed Hugenholtz op tussen juli 1917 en juni 1918, toen hij, om te genezen van tuberculose, moest kuren in het Zwitserse Davos. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog stond hij in contact met de pacifist Kees Boeke en was hij actief betrokken bij de oprichting van diens Broederschap in Christus in 1918 en van de International Fellowship of Reconciliation een jaar later. Beide organisaties stonden in het teken van de oproep tot bekering in navolging van Christus, zowel in het persoonlijke, economische als internationale leven.

Vanaf 1918 was Hugenholtz dominee in Purmerend. Teleurgesteld in het ambt en vanwege een verschil van mening met de kerkeraad - het feit dat hij er in verband met zijn lage traktement wat bijverdiende, riep weerstand op - legde hij evenwel na drie jaar het predikantschap neer. Hij verhuisde naar Den Haag, waar hij in zijn levensonderhoud voorzag als verzekeringsagent en - technisch goed onderlegd zijnde - als elektricien. In 1924 beriep de kleine Nederlandse hervormde gemeente te Ammerstol hem, welk beroep hij gaarne aanvaardde, omdat hij toch aan het predikantsambt was blijven hechten. Hij voelde zich goed thuis onder de 'rode' arbeidersbevolking en heeft samen met zijn vrouw veel betekend voor het religieuze, sociale en culturele leven in deze gemeente in de Krimpenerwaard.

Om zijn reeds lang levende plannen tot een bredere kerkelijke beweging tegen oorlog en militarisme vorm te geven, zond Hugenholtz op 10 september 1924 aan ongeveer 5000 Nederlandse geestelijken een Open brief aan alle predikanten, pastoors en rabbi's, die in den naam van God en Christus het militairisme verdedigen en zijne geweldsmiddelen zegenen . In deze brief deed hij een hartstochtelijk beroep op zijn collega's om te getuigen en zich uit te spreken tegen het militarisme, 'dat de zielen vergiftigt en de menschheid met ondergang bedreigt' ( ibidem , 8). Voorgangers hadden hier naar zijn mening een belangrijke taak te vervullen: zij moesten de voorlichters van het volk zijn.

Samen met de Leidse hoogleraar in de theologie G.J. Heering, die soortgelijke plannen koesterde, nam Hugenholtz het initiatief tot de oprichting, op 8 oktober 1924, van de Groep van Godsdienstige Voorgangers en Gemeenteleden tegen Oorlog en Oorlogstoerusting, een interconfessionele vereniging die al spoedig de naam Kerk en Vrede aannam. Terwijl Heering als voorzitter optrad, werd Hugenholtz secretaris. Vanuit een grote gedrevenheid, soms onstuimig in zijn plannen, en vanuit een diepe geloofsovertuiging ontplooide Hugenholtz een indrukwekkende organisatorische, administratieve en propagandistische activiteit. Het kantoor van Kerk en Vrede vestigde hij in zijn pastorie, waardoor Ammerstol het zenuwcentrum van Kerk en Vrede werd en de naam van dit dorpje zelfs een internationale bekendheid kreeg. Hij was mederedacteur van het blad Kerk en Vrede en maakte propagandatournees door vrijwel geheel Nederland.

Naast Heering en later J.J. Buskes was Hugenholtz vóór de Tweede Wereldoorlog de gezichtsbepalende figuur van Kerk en Vrede. Het was niet in de laatste plaats aan zijn inspanningen te danken - mede mogelijk gemaakt door toestemming van de kerkeraad om veel van zijn tijd aan het vredeswerk te besteden - dat Kerk en Vrede de grootste christen-antimilitaristische vereniging in het interbellum werd. Op haar hoogtepunt in 1933 telde zij ruim 9000 leden, onder wie zo'n 380 predikanten; onder invloed van de toenemende oorlogsdreiging liep het ledenaantal daarna terug. Kerk en Vrede ging uit van de principiële onverenigbaarheid van oorlog en oorlogsvoorbereiding enerzijds en het christelijk geloof anderzijds. Zij wilde van dit beginsel getuigen en het ingang doen vinden binnen de kerken. Hugenholtz was daarbij een voorstander van samenwerking met andere vredesorganisaties. Vandaar dat hij ook een van de centrale figuren was in de stichting Nationale Vredes-Actie, die onder meer beschikte over een vredespersbureau en een driehonderdtal correspondenten in het gehele land, en in de Nooit-Meer-Oorlog-Federatie.

De Federatie vaardigde Hugenholtz af naar het Bureau International de la Paix te Genève, waar hij van 1928 tot 1947 zitting had in de vertegenwoordigende raad. Ook streefde hij een internationale beweging vanuit de kerken tegen oorlog en oorlogsvoorbereiding na. Daarom nam hij het initiatief tot de International Union of Antimilitarist Ministers and Clergymen, die in augustus 1928 werd opgericht te Amsterdam. Hugenholtz werd secretaris en penningmeester. Haar internationale congressen beleefde hij als hoogtepunten. Ook de beginnende oecumenische beweging, waarvan hij een warm voorstander was, heeft Hugenholtz willen overreden om zich tegen de oorlog uit te spreken. Vanaf 1928 nam hij deel aan het werk van de Nederlandse afdeling van de Wereldbond ter bevordering van Internationale Vriendschap door de Kerken. Partijpolitiek is Hugenholtz niet meer actief geweest. Hij sympathiseerde weliswaar met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, maar werd hiervan geen lid, omdat deze zich niet principieel op het standpunt van de geweldloosheid stelde.

De vredesbeweging en ook Kerk en Vrede kwamen in het defensief bij de opkomst van het nationaal-socialisme. Hugenholtz heeft vanaf het begin het gevaar van het Hitlerregime doorzien en daartegen krachtig stelling genomen, zonder af te dingen op zijn christen-antimilitaristische overtuiging. Hugenholtz organiseerde hulp aan vervolgde Duitse christen-antimilitaristen, onderhield contacten met predikanten die bij de Duitse kerkstrijd betrokken waren en zette zich in voor joodse en andere vluchtelingen uit het Derde Rijk. Tien maanden na de Duitse inval, in maart 1941, werd Kerk en Vrede door de bezetter ontbonden; Hugenholtz' kantoor werd gesloten en verzegeld. De hoofdbestuursleden bleven echter nog in het geheim bijeenkomen. Zij verstuurden een aantal rondzendbrieven en probeerden Kerk en Vrede illegaal nog enigszins te laten functioneren. In 1943/1944 zat Hugenholtz wegens hulp aan joden negen maanden gevangen, eerst in Amsterdam, daarna in kamp Vught. Ook na zijn ontslag uit gevangenschap zette hij zijn hulp aan individuele oorlogsslachtoffers voort.

Na de bevrijding was Hugenholtz ongebroken in zijn antimilitaristische overtuiging, al had de oorlogservaring het optimisme over de mogelijkheid zijn idealen te verwezenlijken wel sterk getemperd. Het werk voor de vredesbeweging zette hij voort. Na de heroprichting van Kerk en Vrede in 1946 werd hij internationaal secretaris. In deze hoedanigheid bleef hij veel buitenlandse contacten onderhouden en was hij onder meer betrokken bij het streven naar verzoening jegens Duitsland. Nieuwe accenten in Hugenholtz' naoorlogse optreden waren zijn strijd tegen de atoombewapening, die hij vanaf het begin afwees, zijn deelneming aan de beweging voor wereldfederalisme en zijn aandacht voor de 'laag ontwikkelde volken'. Wat dit laatste betreft, vervulde Hugenholtz een pioniersrol bij de voorbereiding en oprichting van de Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand (NOVIB) in 1956.

Zijn emeritaat als predikant te Ammerstol op 1 mei 1954 bracht Hugenholtz geen rust. Behalve voor Kerk en Vrede bleef hij met hart en ziel voor de oecumene werkzaam. Zo was hij van 1959 tot 1964 nog hoofdredacteur van Gemeenschap der Kerken , het maandblad van de Oecumenische Raad van Kerken in Nederland. Bovendien volgde Hugenholtz, die een grote belangstelling voor sterrenkunde had gekoesterd, vanaf het begin van de jaren zestig de ontwikkelingen in de ruimtevaart op de voet. Van 1954 tot 1966 woonde hij in Zeist, daarna in Amerongen. In november 1973 verhuisde hij vandaar naar Renkum, waar hij een maand later, op 85-jarige leeftijd, overleed. Hij werd begraven te Ammerstol.

Hugenholtz was een onbaatzuchtig mens, die zich, op grond van zijn fundamentele overtuiging dat christendom en oorlog onverenigbaar waren, met hart en ziel heeft gegeven aan het vredeswerk. Zijn betekenis voor de pacifistische beweging ligt niet zozeer in zijn inhoudelijke inbreng als wel in de vele organisatorische en propagandistische werkzaamheden die hij verrichtte.

A: Archief-J.B.Th. Hugenholtz in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) te Amsterdam.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties en een aantal brochures, preken, toespraken en vele artikelen, vooral in Kerk en Vrede en Militia Christi o.a.: Gij zult niet doodslaan! Een woord van opwekking aan allen die wenschen te leven naar de wet van Christus (Schiedam [1915]); Handboek voor de vredesbeweging in Nederland (Gouda, 1932); Wij mogen niet! Bezwaren inzake het oorlogsvraagstuk weerlegd (Assen, 1935); Memorandum Vredeswerk 1914-1964 [Gestencilde uitgave; exemplaar in Archief-Hugenholtz in IISG] (Amerongen, 1967).

L: Behalve herdenkingsartikelen en necrologieën o.a. door J. de Graaf [e.a.], in Militia Christi , 23-3-1963, door J.J. Buskes, in Trouw , 31-12-1973, door J.J. Wentink, ibidem 29 (1974) 1 (jan.) 16, door A.R. Heyligers in Gemeenschap der Kerken 28 (1974) 1 (jan.) 7: Ger van Roon, Protestants Nederland en Duitsland, 1933-1941 (Utrecht [etc.], 1973); Henk van den Berg en Ton Coppes, Dominees in het geweer. Het christen-antimilitarisme van Kerk en Vrede 1924-1950 (Nijmegen, 1982); Cor Hamoen, Geschiedenis van de Hervormde Gemeente van Ammerstol (Schoonhoven, 1988); Herman Noordegraaf, 'J.B.Th. Hugenholtz: de bekwame organisator', in idem, Bart de Ligt (1883-1938). In kontakt met tijdgenoten ... (Zwolle [etc.], 1991) 28-37.

Herman Noordegraaf


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013