Hulst, Willem Gerrit van de (1879-1963)

 
English | Nederlands

HULST, Willem Gerrit van de (1879-1963)

Hulst, Willem Gerrit van de, schrijver van kinderboeken (Utrecht 28-10-1879 - Utrecht 31-8-1963). Zoon van Willem Gerrit van de Hulst, steenhouwer, en Johanna Anthonia de Jager. Gehuwd op 16-5-1907 met Johanna Cornelia van Arkel. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Na haar overlijden (27-1-1913) gehuwd op 10-2-1916 met Jeannette Maan. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Hulst, Willem Gerrit van de

Het was een vorm van 'fatsoenlijke armoede' (Van Rossum, 11) waarin Wim van de Hulst opgroeide, na op zesjarige leeftijd zijn vader te hebben verloren. Om in haar levensonderhoud en dat van haar twee zoons te voorzien, moest zijn moeder kostgangers in huis nemen. Het voorstel van het schoolhoofd de leergierige Wim voor onderwijzer te laten leren, was een uitkomst: het bood maatschappelijk enig perspectief, en bovendien zou hij als dertienjarige kwekeling wat geld verdienen. Vanaf 1892 volgde hij de cursus aan de Christelijke Normaallessen. Zijn akte behaalde hij in 1898.

Reeds als kwekeling ontdekte Van de Hulst zijn verteltalent, waarmee hij zelfs grote, moeilijke klassen wist te boeien. Zo ontstonden in de praktijk van alledag zijn eerste verhalen, die hij overigens niet publiceerde. In deze jaren kwam hij onder de invloed van de Tachtigers, en schetsen en verhalen in hun stijl stuurde hij naar de Commissie voor Letterkunde van het Nederlandsch Jongelings Verbond. In 1898 werd zijn werk door deze commissie voor het eerst bekroond. Zijn bijdragen verschenen daarop in het verbondsorgaan, het Maandblad gewijd aan de beoefening der letterkunde , - bijvoorbeeld 'Schoolherinneringen' (2 (1900) 3-5, 15-17) -, maar ook in andere tijdschriften.

In 1898 werd Van de Hulst benoemd tot onderwijzer aan hetzelfde Utrechtse volksschooltje waar hij zijn kwekelingenjaren had doorgebracht, namelijk de wat afgelegen hervormde Diaconieschool No. 4 - later: Nederlandsch Hervormde Gemeente-School - tussen de steenovens aan de Rijnsche Vaart. Een betere positie aan een school in de stad, waar hij na zijn militaire dienst terecht kwam, beviel hem niet, zodat hij blij was naar ''t oude, primitieve schooltje' te kunnen terugkeren. Na eerst gedurende drie en een half jaar het zieke hoofd van deze school te hebben vervangen, werd hij hier in 1913 bovenmeester. Juist op dit moment van bescheiden maatschappelijke vooruitgang overleed zijn vrouw in het kraambed en bleef hij met twee jonge kinderen achter.

Van de Hulsts succes als schrijver was ondertussen al vier jaar eerder begonnen, toen de Nederlandsche Zondagsschool-Vereeniging twee ingezonden kinderboeken van hem bekroonde: Van een klein meisje en een groote klok (1909) en Ouwe Bram (1909). In hetzelfde jaar verscheen Willem Wijcherts. Een dappere Alkmaarder jongen , dat hij publiceerde onder het pseudoniem Jan van de Croese - afgeleid van de Croesestraat, waar hij toen woonde -, omdat drie boeken van dezelfde schrijver wat te veel zou zijn. Met het verschijnen van Jaap Holm en z'n vrinden , in 1910, was zijn naam als auteur van jeugdliteratuur in protestants-christelijke kring definitief gevestigd. Een gestage stroom kinderboeken volgde, meestal uitgegeven door de firma G.F. Callenbach in Nijkerk.

Van de Hulst werd vrijwel meteen erkend als vernieuwer van het christelijk jeugdboek. In zijn verhalen zijn de personages geen dragers van geloofswaarheden of deugden, maar mensen van vlees en bloed: kinderen die spannende gebeurtenissen beleven, zichzelf in de problemen brengen, omdat de verleiding te groot is. De verteller levert geen moralistisch commentaar, maar laat de hoofdpersoon zelf tot inkeer komen. Voor elk kind is er steeds weer de geborgenheid, meestal in het gezin, maar er zijn ook de begripvolle onderwijzer, de sociaal voelende dokter, de goedmoedige politieagent. In deze veilige wereld leeft het kind. Diezelfde wereld heeft ook een andere kant: die van het sociale onrecht, van de valse beschuldigingen, en van de verleiding van het kwaad. Van de Hulsts wereld is alles behalve idyllisch: er wordt hard geslagen, er worden akelige streken uitgehaald, er wordt wreed onrecht begaan. Toch is er uiteindelijk altijd de terugkeer naar de harmonie. Soms heeft Van de Hulst voor die terugkeer te kunstmatige middelen nodig - een ernstig ongeluk dat tot bekering leidt bijvoorbeeld in Gerdientje (1927) -, maar meestal verloopt deze heel natuurlijk. Zijn meest geslaagde werk noemde Van de Hulst zelf Peerke en z'n kameraden uit 1919, het verhaal van een zwaar verminkt, doodziek Belgisch vluchtelingetje en vier gezonde, avontuurlijke Hollandse jongens, die toch diep worden geraakt door de tragiek van Peerke.

Bijzonder populair waren ook Van de Hulsts kinderbijbels: De bijbelsche geschiedenissen uit 1918 en het acht jaar later verschenen Bijbelsche vertellingen voor onze kleintjes . Hierin ligt de nadruk niet zozeer op het bijbrengen van kennis, als wel op het overbrengen van de religieuze sfeer. Er diende, naar de mening van Van de Hulst, een beroep te worden gedaan op het gevoel van het kind, dat het verhaal als het ware moest meebeleven. Het vertellen was daarbij van essentieel belang. Een voor de Nederlandsche Zondagsschool-Vereeniging gegeven cursus bewerkte hij in 1944 tot Het vertellen, inzonderheid van de bijbelse geschiedenissen .

Voor het christelijke onderwijs schreef Van de Hulst, al dan niet in samenwerking met anderen, verschillende werken. Veel gebruikt werd zijn met D. Wouters geschreven methode voor beginners Lezen leren . De serie, gebaseerd op de globaalwoordenmethode, verscheen in 1919 en werd nog in 1964 herdrukt. Ook boekjes als Niek van den bovenmeester (1912) en Bello (1930) werden veel in het onderwijs gebruikt. Voor het geschiedenisonderwijs schreef hij, samen met anderen, Toen ... en nu! (1921).

Bijzonder geliefd was Van de Hulsts 'Rozemarijntje'-serie: verhalen over een meisje dat door haar ontwapenende optreden de schijnwereld van de volwassenen doorprikt. De vijf delen die hiervan sinds 1933 verschenen werden door Willem Gerrit junior - de oudste zoon uit zijn tweede huwelijk - van illustraties voorzien. Deze artistieke samenwerking tussen vader en zoon zou in de loop van de tijd uitgroeien tot een soort tweeëenheid. De grootste populariteit behaalden zij met het beeldverhaal In de Soete Suikerbol , dat in 1935/1936 in dagelijkse afleveringen in het antirevolutionaire dagblad De Standaard verscheen. Zelfs minister-president H. Colijn begon lezing van zijn lijfblad toen altijd met deze strip. Het zijn de belevenissen van een graag naar de vogeltjes luisterende dikke bakker en van zijn broodmagere vrouw, die door haar overdreven zin voor orde en netheid steeds weer in de problemen komt. Opvallend is dat dit verhaal geen godsdienstige strekking heeft. In 1936 werd deze strip in boekvorm uitgegeven, spoedig gevolgd door nieuwe avonturen. In totaal zagen zeven deeltjes het licht, die alle tientallen herdrukken zouden beleven. Een vergelijkbare strip van het duo Van de Hulst, In de Goude Gaper , verscheen in 1946/1947 in het dagblad Trouw , zij het met aanmerkelijk minder succes.

De stijl van Van de Hulst verhalen werd allengs eenvoudiger. Kenmerkend bleven de korte zinnen, het herhalingselement, de vele dialogen dicht bij de spreektaal, maar het aantal puntjes en accenttekens minderde. Ook in de onderwerpkeuze trad een vereenvoudiging op. Een hoogtepunt bereikte hij in zijn 'voorleesvertelingen', vanaf 1945 gepubliceerd in het maandblad Moeder en later gebundeld in zijn voorleesboeken. Van een minimaal gegeven - een paar hongerige spreeuwen, een oude kerstboom - wist Van de Hulst iets boeiends te maken. Voor het kleine kind schreef hij ook de 21 deeltjes van de serie 'Voor onze kleinen': verhalen over jonge kinderen die spannend-griezelend uit hun beschermde wereld stappen, waarnaar ze uiteraard weer veilig terugkeren.

Door het succes van zijn boeken was Van de Hulst overigens reeds ver voor de Tweede Wereldoorlog onder de protestants-christelijke schrijvers naar voren getreden. Toen in 1929 de Christelijke Auteurskring werd opgericht, bedoeld als een soort vakvereniging, werd hij meteen lid, en misschien juist omdat hij niet in de protestantse literaire tijdschriften publiceerde en buiten de discussies bleef die daarin werden gevoerd, kon hij zich al vroeg in deze kring verdienstelijk maken. Zo bekleedde Van de Hulst vanaf de oprichting het voorzitterschap en trad hij vaak op als adviseur. Voor deze werkzaamheden, maar evenzeer voor zijn inspanningen voor de kinderliteratuur ontmoette hij onder zijn literaire en geloofsverwante collega-schrijvers veel waardering.

Al deze jaren, tot zijn pensionering in 1940, combineerde van de Hulst zijn schrijverschap met de functie van hoofdonderwijzer van het Utrechtse volksschooltje. In Herinneringen van een schoolmeester uit 1943 keek hij met veel liefde terug op deze lange onderwijsloopbaan. Ook na zijn pensionering bleef Van de Hulst als auteur actief: de laatste van zijn ruim negentig boeken verschenen in 1959. De meeste daarvan werden steeds herdrukt; sommige beleefden oplagen van meer dan 200.000 exemplaren. Veel van zijn werk werd ook vertaald.

Van de Hulst, een zachtaardige en bescheiden man, die liefst weinig op de voorgrond trad, is vele malen gehuldigd. Aan kinderboeken stelde hij steeds als eis: 'zij kunnen, zij moeten de spiegels zijn, waarin het kind de levenswaarden van hemel en aarde samen ziet, - deze ziet beter, juister, scherper dan in het leven zèlf; - zij moeten worden: de echo van zijn eigen hart' (Verslag van het congres Boek en Jeugd... ('s-Gravenhage, 1952) 7-16).

A: Collectie-W.G. van de Hulst en knipselverzameling in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Bibliografie in Dokumentatie auteurs en illustratoren van jeugdboeken 4 (1980) nr. 6 en in de onder L genoemde publikatie van Wijma.

L: Behalve herdenkingsartikelen bij zijn 70e, 75e en 80e verjaardag en bij zijn overlijden in o.a. Trouw , 22-10-1949, 26-10-1954, Nieuwsblad van het Noorden , 27-10-1954, De Telegraaf , 23-10-1959, Hervormd Nederland , 31-10-1959, Trouw , 2-9-1963, Utrechtsch Nieuwsblad , 2-9-1963 en Nieuwe Haagsche Courant , 3-9-1963: P.J. Risseeuw, 'W.G. van de Hulst' in idem, Christelijke schrijvers van dezen tijd (Kampen, 1930) 69-76; Rie van Rossum, De jongen met de toverfluit. W.G. van de Hulst 70 jaar! (Nijkerk, 1949); D. van der Stoep, 'Willem Gerrit van de Hulst', in Ontmoeting. Letterkundig en algemeen-cultureel maandblad 4 (1949) 18-27; [Kees Tamboer,] 'Brave "Suikerbol" en proletarische Bulletje, strips uit jaren '30', in Het Vrije Volk , 23-8-1969; Eddy Mielen, 'Een warm nest. Leed en verlossing bij W.G. van de Hulst', in Vrij Nederland , 15-9-1973; Peter Karstkarel, 'Honderdduizenden Soete Suikerbollen', in Stripschrift nr. 98 (1977) 20-21; Steven van Campen, 'Je weet niet wat je ziet bij Van de Hulst', in Verkenningen op het gebied van de jeugdliteratuur 10 (1979) 45-52; Marleen Wijma, 'W.G. van de Hulst', in Lexicon van de jeugdliteratuur (Alphen aan den Rijn, 1982-); Harry Bekkering [e.a.], De hele Biblebontse berg. De geschiedenis van het kinderboek in Nederland & Vlaanderen van de Middeleeuwen tot heden (Amsterdam, 1990) 309, 448-450; Nicolaas Matsier, 'W.G. van de Hulst, de bovenmeester van de kinderziel', in de Volkskrant , 31-12-1992; Aukje Holtrop, 'W.G. van de Hulst, 1879-1963', in Vrij Nederland , 24-7-1993; Hans Niphuis, 'W.G. van de Hulst. Proza met de ziel van poëzie', in Literatuur zonder leeftijd 7 (1993) 27 (herfst) 57-69; idem, 'Symbolen van het geweten. Het vast stramien in het werk van W.G. van de Hulst', in Leesgoed 20 (1993) 116-119.

I: Daan van der Kaaden, Zoeken naar de ziel. Leven en werk van W.G. van de Hulst ([Nijkerk] 1994) 20 [W.G. van de Hulst op ongeveer 30-jarige leeftijd].

H. Jongsma


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013