Idema, Hijltje Albertus (1891-1966)

 
English | Nederlands

IDEMA, Hijltje Albertus (1891-1966)

Idema, Hijltje Albertus, jurist en hoogleraar (Sneek 9-12-1891 - Tiel 12-4-1966). Zoon van Kornelis Idema, handelsagent, en Akke Fortuin. Gehuwd op 6-8-1914 met Cornelia Ottilia Margaretha van Gaasbeek. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

In 1909 liet Idema zich, na zijn eindexamen gymnasium te Sneek, als student in de rechtsgeleerdheid in Leiden inschrijven. Na daar een jaar later het kandidaatsexamen te hebben afgelegd, zette hij zijn studie voort aan de Universiteit van Amsterdam. Hier zou hij op 30 september 1913 op stellingen tot doctor in de rechtswetenschap promoveren. Verdere studie te Leiden volgde ter voorbereiding op het zogeheten faculteitsexamen voor de Indische rechterlijke macht. Voor dit examen werd onder andere kennis van het Maleis, de Indische land- en volkenkunde, staats- en adatrecht gevraagd. Na ook voor dit examen geslaagd te zijn, werd Idema in september 1914 naar Indië uitgezonden. Daar zou hij aanvankelijk met griffierswerkzaamheden bij de Raden van Justitie te Soerabaja en Makassar worden belast, om vervolgens in 1916 te worden benoemd tot voorzitter van de landraad te Sampang op Madoera. Drie jaar later volgde zijn aanstelling tot voorzitter van de landraden te Toeloengagoeng en Trenggalek in de residentie Kediri.

Terwijl de Raden van Justitie in het stelsel van de Indische rechterlijke organisatie vooral zaken behandelden waarbij Europeanen waren betrokken, fungeerden de landraden als rechterlijke colleges voor de inheemse en Chinese justitiabelen. Van de (vaak jeugdige) voorzitters werd, naast grondige kennis van het Nederlands-Indische strafrecht, een goede beheersing van het adatrecht van de streek waar zij waren aangesteld verwacht, omdat vooral strafzaken en grondkwesties - voor zijn grond was de Javaanse boer een handig en hardnekkig pleiter - de rol van de landraden plachten te vullen. In verschillende tijdschriftpublikaties heeft Idema een levendig beeld geschetst van de drukke en afwisselende werkzaamheden van de landraadvoorzitter, met een griffier die het Nederlands vaak niet voldoende machtig was naast zich, een lastige revisierechter boven zich, een grote achterstand in zaken voor zich en een huis van bewaring vol preventief gehechten in zijn onmiddellijke nabijheid.

In 1921 werd Idema benoemd tot voorzitter van de landraad op Ambon, waar hij voor het eerst met het gewestelijk bestuurswerk kennis maakte als lid van de in dat zelfde jaar ingestelde Ambon-raad. Na een Europees verlof van tien maanden - wegens achtjarige dienst - volgde in 1924 zijn aanstelling tot tijdelijk buitengewoon substituut-officier bij de Raad van Justitie te Batavia. Het jaar daarop zou zijn loopbaan echter een andere wending nemen: Idema werd eerst belast met wetgevende arbeid op het kantoor van de Regeringsgemachtigde voor Algemeene Zaken bij de Volksraad, J.J. Schrieke, en met ingang van 1 januari 1926 aangesteld bij de op diezelfde datum gevormde provincie West-Java, een vrucht van de ingrijpende administratieve decentralisatie die toen in die jaren op Java haar beslag kreeg. Dit betekende het definitieve einde van Idema's Indische rechterlijke loopbaan.

Ondanks zijn drukke en veranderlijke werkkring vond Idema de tijd veel te publiceren. Naast verschillende kleinere studies in het Indisch Tijdschrift van het Recht en Koloniale Studiën , beproefde hij tijdens zijn verloftijd zijn krachten op een Parlementaire Geschiedenis van Nederlandsch-Indië 1891-1918 . Dit werk uit 1924 biedt een nuttig overzicht van een kwart eeuw discussies in de Staten-Generaal over Indische aangelegenheden. In Koloniale Studiën (12 (1928) II, 291-321 en 13 (1929) I, 47-77) volgde een uitvoerig 'Overzicht van de Indische rechts- en staatkundige geschiedenis 1600-1854'. De beloning voor deze inspanningen viel Idema in 1931 ten deel, toen hij, andermaal met verlof in Nederland, werd benoemd tot gewoon hoogleraar in de rechtsgeleerdheid aan de Universiteit te Leiden om - als opvolger van G. André de la Porte - aan toekomstige Indische juristen en indologen onderwijs te geven in het Nederlands-Indische strafrecht en de Nederlands-Indische wetboeken van procesrecht. Met een oratie, getiteld Hoe spant gij den boog? aanvaardde hij op 9 oktober 1931 het hoogleraarsambt.

Als publicist zou Idema in de volgende jaren niet op zijn academische lauweren rusten. Zo verscheen in 1934 De Indische Wetboeken van Strafrecht 1848-1934 met een overzicht van de voornaamste rechtspraak en rechtsliteratuur, afgewisseld met korte inleidingen, en vier jaar later zijn Leerboek van het landraad-strafprocesrecht in zaken van misdrijf . Daarnaast zagen artikelen het licht over historische onderwerpen, zoals 'Fransen van de Putte op Java 1849-1859' (in De Gids (1934) III, 294-324) en 'Strafrecht overzee' met reisindrukken uit Zuid-Afrika (in Tijdschrift voor Strafrecht 46 (1936) 144-170). Al deze publikaties gaven blijk van een grote, zij het soms wat vermoeiende, belezenheid. Idema miste namelijk de gave van een heldere en geserreerde betoogtrant. Zijn liefde voor citaten en het betreden van zijpaden deden aan de toegankelijkheid van het exposé veelvuldig afbreuk.

Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog was Idema, nog geen vijftig jaren oud, een gerespecteerd lid van de Leidse academische gemeenschap. Niettemin zouden de oorlogsjaren een definitieve streep zetten onder zijn eervolle maatschappelijke loopbaan. In mei 1942 sloot hij zich aan bij het protest van een zestigtal Leidse academische docenten tegen de door de Duitse bezetter ten aanzien van de universiteit getroffen maatregelen door met hen collectief ontslag te vragen; dit werd inderdaad op 25 november 1942 verleend. Een maand eerder, op 17 oktober 1942, had Idema zich echter laten benoemen tot vice-president van het gerechtshof in Den Haag, waarbij hij - aangezien dit een voorwaarde was geweest voor zijn benoeming - zich alsnog van het protest tegen de Duitse bezetter distantieerde door als enige van de collectief ontslagenen, zonder enige ruggespraak met zijn vroegere ambtgenoten, zijn ontslagaanvrage in te trekken. Het is niet onwaarschijnlijk dat het de toenmalige secretaris-generaal van het departement van Justitie, de NSB'er J.J. Schrieke, is geweest die Idema tot deze dubbele misstap heeft gebracht; zij kenden elkaar immers al sedert 1925. Hoe het zij, na de oorlog zou Idema de prijs voor zijn opportunisme betalen. Met ingang van 22 januari 1946 werd hij, na schorsing, bij K.B. van 18 april 1946 ontslagen. Ook aan de universiteit keerde hij niet meer terug. Hij stierf in vergetelheid.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: 'Het burgerlijk bewijsrecht, in het bijzonder in zake grondenrecht', in De Indische Gids 39 (1917) II, 1513-1523; 'Adat en adatrecht der veehouding op Madoera', in Indisch Tijdschrift van het Recht 113 (1922) 264-283; 'De inheemsche rechtspraak in het gewest Amboina', ibidem , 117 (1923) 187-217; 'Een inlandsch kadaster', in Koloniale Studiën 7 (1923) II, 411-424; 'Het zaakwaarnemerschap bij de landraden', in Indisch Tijdschrift van het Recht 122 (1925) 430-442; 'De rechtspraak', in Daar wèrd wat groots verricht... Nederlandsch-Indië in de XXste eeuw . Samengest. door W.H. van Helsdingen en H. Hoogenberk (Amsterdam, 1941) 483-496; 'Indische juristen Winckel, Piepers, Der Kinderen. Iets uit den strijd om de legaliteit', in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië 100 (1941) 173-233.

L: P.J. Idenburg, De Leidse Universiteit 1928-1946. Vernieuwing en verzet ('s-Gravenhage, 1978); C. Fasseur, De Indologen. Ambtenaren voor de Oost 1825-1950 (Amsterdam, 1993).

C. Fasseur


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013