Immink, Adrianus Johannes (1838-1914)

 
English | Nederlands

IMMINK, Adrianus Johannes (1838-1914)

Immink, Adrianus Johannes, jurist en rechterlijk ambtenaar in Nederlands-Indië (Doesburg 12-3-1838 - 's-Gravenhage 24-9-1914). Zoon van Wernerus Immink, Nederlands hervormd predikant, en Johanna Elisabeth Ninaber. Gehuwd op 27-6-1874 met Cornelia Margaretha Jacoba Roos. afbeelding van Immink, Adrianus Johannes

Immink stamde uit een geslacht van predikanten: vijf generaties vóór hem hadden op de kansel gestaan. Hijzelf brak echter met de familietraditie door een rechtenstudie te Utrecht te kiezen. Op 16 december 1861 promoveerde hij bij prof. G.W. Vreede op een dissertatie getiteld Eenige opmerkingen over de misdaad van brandstichting (art. 434 C.P.) , een dun boekje van nog geen veertig bladzijden, zoals indertijd gebruikelijk. Na een aanvullende studie aan de Koninklijke Academie te Delft legde Immink in 1863 het grootambtenaarsexamen af, waarna hij nog dat zelfde jaar werd benoemd tot ambtenaar van de eerste klasse voor de burgerlijke dienst in Nederlands-Indië. Hiermee was de weg tot een rechterlijke loopbaan in de kolonie voor hem geopend. Na vijf jaren van griffierswerkzaamheden, werd Immink in 1869 benoemd tot officier van justitie te Ambon en nog dat zelfde jaar tot lid van de Raad van Justitie te Soerabaja, eerste handelsstad en tweede stad van Indië. Na een tweejarig Europees verlof volgde in 1874 zijn benoeming tot president van de Raad van Justitie te Makassar en in 1876 tot voorzitter van de Landraad te Soerabaja.

Anders dan men wellicht zou denken, was het Indië van die dagen niet een land van serene rust voor leden van de rechterlijke macht. Niet alleen werd voortdurend geklaagd over de overbelasting van de rechterlijke macht - een ook nu nog bekend thema -, maar ook de verhouding tot het binnenlands bestuur riep grote spanningen op. In 1869 had minister van Koloniën E. de Waal het belangrijke besluit genomen dat de residenten geleidelijk zouden worden ontheven van het voorzitterschap van de landraden, de rechterlijke colleges die de rechtsmacht over de inheemse bevolking uitoefenden. Het voorzitterschap zou in het vervolg worden opgedragen aan rechtsgeleerden, leden van de rechterlijke macht. Dit besluit werd door menig bestuursambtenaar als een aantasting van zijn prerogatieven en aanslag op zijn positie gezien en riep zo de nodige wrevel en wrijving op. Het onbehagen uitte zich in allerlei persoonlijke incidenten.

Ook Immink, die een weinig gemakkelijk en lichtgeraakt heer was, werd daarin betrokken. Onenigheid over de taken op te dragen aan een substituut-griffier die zowel voor de resident van Soerabaja in diens hoedanigheid van voorzitter van de ommegaande rechtbank, als voor de voorzitter van de Landraad moest werken, leidde in 1878 tot Imminks overplaatsing naar het 'ongezonde' Semarang. Bitter heeft hij zich hierover beklaagd, onder andere in zijn in 1880, tijdens een tweede Europees verlof, verschenen (anonieme) brochure, Iets over de tegenwoordige afhankelijkheid van de Nederlandsch- Indische rechterlijke ambtenaren . In dit geschrift hield Immink een pleidooi voor een grotere onafhankelijkheid van de Indische rechterlijke macht. Anders dan in Nederland werd immers alleen de president van het Hooggerechtshof van Nederlands-Indië door de Koning benoemd; de overige leden van de zittende magistratuur, met inbegrip van de staande, waren voor benoeming, overplaatsing en bevordering geheel afhankelijk van de gouverneur-generaal, die zich daarbij liet adviseren door de directeur van het departement van Justitie. Op zijn beurt sloeg deze acht op het aantal dienstjaren van een ieder; met dien verstande dat de leden van het Hooggerechtshof niet tegen hun wil door de Indische regering in een andere ambtsbetrekking konden worden geplaatst. Dit kwam de kwaliteit van de rechterlijke macht niet ten goede en evenmin het onafhankelijk oordeel, omdat de benoemingen in beginsel niet voor het leven geschiedden. Ook in De Indische Gids (3 (1881) I, 491-503) kruiste Immink nog de degens over deze affaire met de oud-resident C. Bosscher.

Veel gezag kan Immink zich met deze pennenstrijd niet verworven hebben. Meer deed hij dit met enkele handboeken. In 1882 verscheen De regterlijke organisatie van Nederlandsch-Indië : een nuttig artikelsgewijs commentaar op het Indisch Reglement op de Rechterlijke Organisatie, met gebruikmaking van tal van tijdens zijn verloftijd geraadpleegde onuitgegeven archivalia van het ministerie van Koloniën. In 1889 volgde het tweedelige De regtspleging voor de inlandsche regtbanken in Nederlandsch-Indië . Inmiddels, na ommekomst van zijn tweede verloftijd, in 1882 benoemd tot raadsheer in het Indisch Hooggerechtshof verliet hij in 1889 de Indische dienst met pensioen.

In Nederland zou nog menige publikatie van zijn hand verschijnen, onder meer 'Over de rechterlijke macht in Nederlandsch-Indië' in De Gids (54 (1890) IV, 102-139), waarin hij een warm pleidooi hield voor hogere bezoldigingen, klaagde over de rechterlijke werklast en het uitblijven van koninklijke decoraties, terwijl hij zich ten slotte keerde tegen het anciënniteitsbeginsel, allemaal zaken die, althans voor de rechterlijke macht in Nederland, in de eeuw daarna weinig aan actualiteit hebben ingeboet. Ook in later jaren toonde hij zich een ijverig publicist, onder andere met zijn Het reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering voor de Europeesche rechtbanken in Nederlandsch-Indië... , waarvan alleen het eerste deel, in 1900, verscheen. De rechtshervorming in Nederlands-Indië was in die tijd een kwestie die sterk de politieke aandacht trok, onder meer in verband met de achterstelling van de zogeheten inlandse christenen. In 1892 leidde dit tot de instelling van de Staatscommissie tot de herziening van het Indisch privaatrecht, waarvan ook Immink vele jaren deel heeft uitgemaakt. Aan menig rapport verleende hij zijn medewerking. Zelfs na zijn dood zou zijn publicistische arbeid nog een vervolg vinden in het in 1916 postuum verschenen werkje Maatschappelijke kwalen en hare genezing , waarin hij zich een wel erg geprononceerde laudator temporis acti toonde. Zo deed hij beklag over het hoog opgeschroefde onderwijsprogramma op middelbare scholen: 'hoe meer schoolgeld iemand in Amsterdam betaalt, hoe erger bijziend zijne kinderen worden'.

Immink behoorde tot die kleine keurbende van Indische rechterlijke ambtenaren die zich in het laatste kwart van de 19e eeuw tegen de ogenschijnlijk allesoverheersende invloed van het Indische gouvernement keerde en ijverde voor een zelfstandige rechterlijke macht, hetgeen in een autoritaire samenleving als de Indische maatschappij in het algemeen weinig gewaardeerd werd. Zijn geleerdheid en scherpzinnig inzicht, maar ook gemakkelijk te kwetsen ijdelheid bleken in een lange reeks publikaties.

A: Collectie-Immink in de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: 'Des heeren C.B.s beschuldigingen tegen mr. I. weerlegd', De Indische Gids 3 (1881) I, 491-503; 'Anticritiek', in Het regt in Nederlandsch-Indië 39 (1882) 257-264; 'Brief van mr. A.J. Immink...', ibidem 40 (1883) 190-195; 'Praeadvies', in Handelingen der Nederlandsch-Indische Juristen-Vereeniging I (1885) 111-201; 'De opleiding der Oost-Indische administratieve ambtenaren', in De Gids 63 (1899) II, 157-190; 'De Nederlandsch-Indische rechterlijke organisatie en art. 74 van het Regeeringsreglement', in De Indische Gids 24 (1902) II, 1485-1536; 'De herziening der contracten met de Inlandsche zelfbesturen nader besproken', ibidem 25 (1903) II, 1004-1020 en 'Artikel 81 van het Regeeringsreglement van Nederlandsch-Indië', ibidem 26 (1904) II, 1483-1493; C. Fasseur, De Indologen. Ambtenaren voor de Oost 1825-1950 (Amsterdam, 1993).

I: Inventarissen van de collecties A.J. Immink, F. Pinke, C. Pijnacker Hordijk (Den Haag [1965]) 1.

C. Fasseur


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013