Kate, Herman Frederik Carel ten (1858-1931)

 
English | Nederlands

KATE, Herman Frederik Carel ten (1858-1931)

Kate, Herman Frederik Carel ten, antropoloog (Amsterdam 21-7-1858 - Carthago (Tunesië) 4-2-1931). Zoon van Herman Frederik Carel ten Kate, schilder, en Madalon Sophie Elisabeth Thooft. Gehuwd in 1906 met Kimi Fujii. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Kate, Herman Frederik Carel ten

In zijn jonge jaren verslond Herman uit het Duits en Frans vertaalde avonturenverhalen over het Wilde Westen van Noord-Amerika, met Indianen in de hoofdrol. Ze maakten een onuitwisbare indruk. Hij groeide op in een artistiek milieu: zijn vader had als schilder enige naam, terwijl een oom, de dichtende dominee J.J.L. ten Kate, de schone letteren verrijkte. Herman leek aanvankelijk in de voetsporen van zijn vader te zullen treden. Hij kreeg les in diens huisatelier en werd in 1875 student aan de Haagse Academie van Beeldende Kunsten. Een jaar later echter maakte hij samen met een vriend van zijn vader, de arts en cartograaf C.W.M. van de Velde, een tocht naar Corsica. Zijn reislust werd er voorgoed door gewekt. Onder de titel 'Op Corsica' deed hij er in het tijdschrift Nederland (2 (1877) 273-300) verslag van. Het was zijn eerste publikatie. Hierdoor aangemoedigd en met zijn geliefde jongensboeken nog in gedachten nam hij het niet alledaagse besluit (wetenschappelijk) wereldreiziger te worden. De vraag was hoe men zich hierop kon voorbereiden.

In overleg met zijn vader en de hoogleraar land- en volkenkunde van Nederlands-Indië P.J. Veth schreef Ten Kate zich in 1877 in aan de Rijksuniversiteit te Leiden om er, in de vrije studierichting, basiskennis te vergaren in vakken als de fysische geografie, Oosterse en Indische talen en volkenkunde, en de medicijnen. Van zijn voortdurende belangstelling voor de Indianen gaf hij blijk door in 1878 'Amerikaansche toestanden' te publiceren (in Omnibus 10 (1878) 366-369). De twintigjarige laakte het beleid van de Amerikaanse regering jegens de Nez Percés en pleitte voor een menswaardiger behandeling van de Indianen bij de verovering van het Westen. Door de bestudering van etnografische en andere literatuur over de autochtone bevolking van het Amerikaanse continent tilde hij zijn jeugdig enthousiasme voor de roodhuiden naar een wetenschappelijk niveau.

Na twee jaar studie aan de Leidse universiteit - examenvrees speelde hem parten - vertrok Ten Kate naar het buitenland. In Parijs bekwaamde hij zich verder in de antropologie bij onder anderen de gerenommeerde Paul Brocard. Voorts studeerde hij in Berlijn, Göttingen en Heidelberg in een verscheidenheid aan vakken. In april 1882 behaalde hij in laatstgenoemde stad de doctorstitel op een antropometrisch proefschrift, Zur Craniologie der Mongoloiden. Beobachtungen und Messungen .

Intussen bleef heel Ten Kates streven erop gericht in Amerika veldwerk onder de Indianen te verrichten. Met financiële steun van het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen en zijn gulle vader vertrok hij in het najaar van 1882 naar de Verenigde Staten: de vervulling van een jongensdroom. Zijn drie jaar later gepubliceerde boek Reizen en onderzoekingen in Noord-Amerika , het produkt van zijn eenjarige verblijf in het zuidwesten van de Verenigde Staten en aangrenzende delen van Mexico, is een onbevangen mengeling van reis- en avonturenverhaal en beschrijvende antropologie. Van Indiaanse stammen als de Papagos, Mohaves, Navajos, Apachen en Zunis mat hij de schedels en andere lichaamsdelen, en noteerde hij uitvoerig zeden en gewoonten. Af en toe maakte hij gebruik van de fotocamera. De expeditie was zeker niet van gevaar ontbloot, maar Ten Kate was een moedig en tegelijk tactvol man. Bij de Zunis stond hij bekend als 'Hij-met-de-puntige-knevels'. Die imposante snorrebaard was dan ook het opvallendst aan zijn verschijning. Ten Kate besefte een 'vanishing race' te observeren: 'De fiere moed, de kracht der eens machtige stammen is voor goed verbroken, en bijna overal heeft reeds de "beschaving" post gevat' (179). In het voorbijgaan laakte hij wederom de volgens hem verfoeilijke politiek van de blanke Amerikaanse overheden tegen de Indianen. Zeker voor Nederland was Reizen en onderzoekingen een pionierswerk.

Na de verschijning van zijn boek, dat buiten een kleine kring geïnteresseerden nauwelijks aandacht kreeg, stelde Ten Kate pogingen in het werk bij wetenschappelijke instellingen in de Verenigde Staten of in eigen land aan de slag te komen. Steeds werd hij in zijn verwachtingen teleurgesteld. Desondanks zette hij zijn loopbaan als wetenschappelijk reiziger voort; zoeken naar de benodigde fondsen hoorde er steevast bij. Reeds in 1884 had Ten Kate de Franse prins Roland Bonaparte vergezeld op een tocht door Lapland, vervolgens nam hij in 1887/1888 deel aan de zogeheten Hemenway-expeditie, opnieuw in het zuidwesten van de Verenigde Staten, om in de jaren negentig Latijns-Amerika, de Oost, Polynesië en Australië te bereizen. Zijn bevindingen legde hij neer in tal van antropologische en etnografische tijdschriften in binnen- en buitenland. Delen van het materiaal dat hij op zijn tochten verzamelde, zouden terechtkomen in de volkenkundige musea van Leiden en Rotterdam.

Omwille van een grotere bestaanszekerheid verdiepte Ten Kate zich aan Duitse universiteiten verder in de medicijnen; in 1895 behaalde hij hierin te Freiburg im Breisgau de doctorsgraad. In feite voelde Ten Kate zich nergens meer thuis, hij was ontworteld uit roeping. Hij neigde tot idealisering van de natuurvolken en kritiseerde de hebzucht van het Westen. De term beschaving zette hij gewoonlijk tussen aanhalingstekens. Wetenschappelijke nieuwsgierigheid en 'Fernweh' dreven hem van continent naar continent. In 1898 belandde hij in Japan, waar hij, met nieuwe reizen als onderbrekingen, als arts werkzaam zou zijn tot 1919. In 1906 huwde hij met een Japanse verpleegster. Verwantschap ontdekte hij met het leven en werk van de sensibele schrijver Lafcadio Hearn (1850-1904), die van Japan zijn tweede vaderland had gemaakt. Hij publiceerde over hem 'Lafcadio Hearn. Nabetrachtingen en herinneringen' in De Gids (72 (1908) III, 393-422, IV, 113-134). Evenals Hearn echter was Ten Kate weinig gediend van het nieuwe Japan. Tradities werden er zonder mankeren overboord gezet in het verlangen het Westen te overvleugelen. Hij waarschuwde voor de Japanse expansiezucht in Azië en de Stille Oceaan.

Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Ten Kate in zijn bewegingsvrijheid beperkt en gedwongen langer in Japan te blijven dan hem lief was. Hij besteedde zijn tijd onder meer aan het schrijven van 'Psychologie en ethnologie in de koloniale politiek', een lang artikel dat in 1916 in De Indische Gids (38 (1916) I, 701-765, II, 861-909) verscheen. Het bevatte zowel een pleidooi om de moderne wetenschap stelselmatig te benutten voor de ontwikkeling van Nederlands-Indië als kritiek op het westerse superioriteitsdenken. Het geld dat jaarlijks in het overzeese zendingswerk werd gestoken, kon volgens hem beter worden gebruikt ter bestrijding van wantoestanden in eigen land. Tevens beleed Ten Kate opnieuw zijn oude liefde voor de Indianen. In een artikel in De Gids (83 (1919) III, 63-128), 'De Indiaan in de letterkunde', stelde hij vast dat maar weinig Europese en Amerikaanse literatoren het leven en de cultuur van Amerika's oorspronkelijke bewoners uit eigen waarneming kenden.

In 1919 overleed zijn vrouw aan influenza. Voor Ten Kate, die evenzeer met een slechte gezondheid kampte, was het een zware slag. Hij verliet Japan voorgoed en keerde terug naar Europa. Hij vond onderdak bij zijn zuster in Zwitserland, maar in 1920 kwam ook zij te overlijden. Ten Kates laatste levensjaren waren verdrietig. Hij leed aan suikerziekte, had hartklachten en was vaak depressief. Enig genoegen beleefde hij aan de welwillende ontvangst van zijn in 1925 uit oude dagboekfragmenten samengestelde reisherinneringen Over land en zee. Schetsen en stemmingen van een wereldreiziger ; zijn geldzorgen werden er niet minder door. De moderne tijd was hem een gruwel. 'Die mechanisatie van alles en le délire de la vitesse vind ik het ergste', verzuchtte hij ( NRC , 20-7-1928 (av.)).

Voor zijn gezondheid zocht Ten Kate de warmte van het Zuiden, om zich ten slotte te vestigen in Carthago bij Tunis. Hij huurde er eind jaren twintig een kleine villa en ontving nu en dan vrienden uit het verleden. Toen hij in 1931 overleed werden zijn schaarse bezittingen - met inbegrip van zijn schriftelijke nalatenschap - verkocht, ter dekking van de begrafeniskosten. Later zouden twee van zijn vrienden, A. de Graaf en H.D. Pierson, een marmeren steen op zijn graf plaatsen. In kranten en tijdschriften werd Ten Kate herdacht als een zwerver en zoeker uit de begintijd van de wetenschappelijke antropologie, als Nederlands 'eerste Amerikanist' en 'um glorioso vagabundo intelectual' (A.A. Mendes Corrêa, Herman ten Kate... (Porto, 1932) 38).

A: Fotokopieën van Ten Kates correspondentie berusten bij P.Th.F.M. Hovens, Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden.

P: 'Publicaties van Herman F.C. ten Kate' in het onder L genoemde werk van Hovens, 271-279.

L: P.Th.F.M. Hovens, Herman F.C. ten Kate jr. (1858-1931) en de antropologie der Noord-Amerikaanse Indianen (Meppel, 1989). Hierin: 'Publicaties over Herman F.C. ten Kate en zijn werk', 279-283.

I: P.Th.F.M. Hovens, Herman F.C. ten Kate jr. (1858-1931) en de antropologie der Noord-Amerikaanse Indianen (Meppel, 1989) afbeelding 34 [Ten Kate omstreeks 1900].

A. Lammers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013