Kelk, Cornelis Jan (1901-1981)

 
English | Nederlands

KELK, Cornelis Jan (1901-1981)

Kelk, Cornelis Jan, schrijver en dichter (Amsterdam 28-8-1901 - Doorwerth (Gld.) 25-12-1981). Zoon van Cornelis Christiaan Barend Kelk, employé van De Nederlandsche Bank, en Margaretha Elisabeth Duijkers. Gehuwd op 26-2-1931 met Helena Suzanna van Hall, danseres. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Na echtscheiding (22-10-1938) gehuwd op 1-2-1939 met Fanny de Jong. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (21-7-1953) gehuwd op 25-1-1955 met Eka Louise Thoden van Velzen. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Kelk, Cornelis Jan

Cees Kelk bezocht de Openbare Handelsschool, de opleiding voor de zonen van Amsterdamse burgers die voor de praktijk werden opgeleid. Evenmin als twee van zijn medeleerlingen, Jacques Presser en Frits van Hall, - die later respectievelijk historicus en beeldhouwer zouden worden - voelde Kelk echter iets voor de handel. Hij wilde zich als letterkundige ontplooien. Kelk debuteerde al vroeg met gedichten in Het Getij , en ontmoette in de kring van dat 'maandschrift voor jongeren' mensen als Constant van Wessem, J.J. Slauerhoff en H. Marsman. Zij allen werkten ook mee aan De Vrije Bladen , die in 1924 volgden op Het Getij ; van 1926 tot 1928 maakte hij deel uit van de redactie van dit literaire tijdschrift. Kelks eerste boek, De zonde van Pierrot , een klucht in drie bedrijven en een epiloog, verscheen in 1920 onder pseudoniem Thomas Beker. Samen met Van Wessem schreef hij onder meer toneelwerk.

Verdere studie schoot er onder deze omstandigheden bij in. Kelk zakte voor het staatsexamen gymnasium en moest afzien van academische studie. Tot 1929 werkte hij bij de uitgeverij J.H. de Bussy, en daarna tot 1934 bij de Nederlandsche Boekverkoopers-Bond als secretaris. Het eerste grote prozawerk uit 1932 was een historische roman over Jan Steen . Intussen was hij getrouwd met Suzie van Hall, de zuster van zijn vriend Frits. Het huis aan de Prinsengracht waar zij zich vestigden, werd alras het middelpunt van gezellig verkeer, want Kelk had er als bon vivant slag van artistieke vrienden om zich heen te verzamelen, zowel literatoren als beeldende kunstenaars.

Dit bleek ook in Frankrijk, waar de families Kelk en Van Hall zich vestigden in Cagnes, in het zuiden. Behalve als schrijver voorzag hij nu in zijn levensonderhoud via vertalingen en als literatuurcriticus van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant . Na enkele jaren vestigde Kelk zich in Parijs, waar zijn vrouw een danscarrière nastreefde, reden voor vervreemding die in 1938 tot echtscheiding leidde. Na een kort verblijf met zijn tweede vrouw wederom in Zuid-Frankrijk, keerde Kelk wegens de oorlog terug naar Nederland, waar een woning in Broek in Waterland werd betrokken. Hij werd geen lid van de Kultuurkamer, en leefde daardoor voornamelijk van de opbrengst van vertalingen, terwijl er tevens verschillende bloemlezingen op touw werden gezet. De omvangrijkste zou in 1948 verschijnen als De Nederlandse poëzie van haar oorsprong tot heden gekeurd en gekenschetst . Ook Kelks bekendste roman ontstond in deze tijd: Judaspenningen en pauweveeren uit 1945.

Na de bevrijding werd Kelk letterkundig medewerker bij het weekblad De Groene Amsterdammer . Toen ook zijn tweede huwelijk in 1953 in scheiding eindigde, hertrouwde hij met de Indische beeldende kunstenares Eka Thoden van Velzen. In de aard van Kelks werkzaamheden kwam weinig verandering meer. In 1954 vestigde hij zich in Velsen, in 1968 verruild voor Doorwerth in Gelderland. In het laatstgenoemde jaar verscheen Ik kéék alleen , de herinneringen van een buitenstaander. Zo voelde Kelk het althans: steeds treft bij hem de mengeling van trots het in de schrijverswereld toch tot een zeker aanzien te hebben gebracht, en de onzekerheid over de kwaliteit van zijn werk. De kritiek op dat werk is samen te vatten in de twee woorden 'joyeuze oppervlakkigheid', die Vestdijk uit de pen vloeiden (Zuiverende kroniek , 204). Kelks luchthartigheid stamde uit een opgewekt levensgevoel, zoals hij dat op zijn beste momenten wist over te brengen. Maar de critici misten diepgang. Om diezelfde reden werd ook zijn biografie Leven van Slauerhoff uit 1959 als ontoereikend ervaren.

De laatste jaren kwakkelde Kelk met zijn gezondheid. Nog in 1981, kort voor zijn overlijden op tachtigjarige leeftijd, verschenen verdere herinneringen onder de titel Wie ik tegen kwam . Kelks plaats als letterkundige is bescheiden gebleken: zijn reputatie was die van de verteller, de wijnkenner en de levensgenieter.

A: Archief-C.J. Kelk in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Bibliografie in het kaartsysteem van de Documentatiedienst van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum en het Archief en Museum voor Het Vlaamse Cultuurleven. Kelks voornaamste geschriften bij het onder L genoemde levensbericht van Th. de Vries, Jaarboek , 81-83.

L: Constant van Wessem, Mijn broeders in Apollo. Literaire herinneringen en herdenkingen ('s-Gravenhage, 1941); Menno ter Braak, Verzameld Werk VII (Amsterdam, 1951) 165-170; Simon Vestdijk, 'Joyeuze oppervlakkigheid', in Zuiverende kroniek (Amsterdam, 1956) 204-207; Anton van Duinkerken, 'Kees Kelk zestig jaar', in De Groene Amsterdammer , 26-8-1961; Theun de Vries, 'C.J. Kelk pratende over zichzelf' [interview], ibidem , 28-8-1971; H.A. Gomperts, De geheime tuin (2e dr.; Amsterdam, 1972) 128-130; Igor Cornelissen, 'Bij de tachtigste verjaardag van C.J. Kelk', in Vrij Nederland , 22-8-1981; Theun de Vries, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1982-1983 (Leiden, 1984) 69-83; Annette Portegies, 'Jan Slauerhoff volgens Cees Kelk', in Biografie Bulletin 4 (1994) 43-51.

I: C.J. Kelk, Ik kéék alleen (Brugge [etc.] 1968) omslagfoto.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013