Kempen, Paulus van (1893-1955)

 
English | Nederlands

KEMPEN, Paulus van (1893-1955)

Kempen, Paulus van, dirigent (Zoeterwoude (Z.H.) 16-5-1893 - Amsterdam 8-12-1955). Zoon van Josephus Johannes van Kempen, goudsmit, en Maria Johanna Petronella van der Linden. Gehuwd op 15-8-1941 met Marie Gertrud Hegenbart. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Hij kreeg op 15-11-1932 de Duitse nationaliteit. afbeelding van Kempen, Paulus van

Paul van Kempen kwam uit een eenvoudig, zeer kinderrijk gezin. Al vroeg gaf hij blijk van een grote muzikale aanleg: op zevenjarige leeftijd begon hij viool te spelen, en toen hij dertien was, trad hij in Leiden voor het eerst als solist in het openbaar op. Zijn muzikale opleiding kreeg Van Kempen aan het Conservatorium in Amsterdam, waar hij leerling was van de violist Louis Zimmermann, de pianist Julius Röntgen en de componist Bernard Zweers. Op 1 september 1913 kreeg hij, twintig jaar oud, een engagement als violist bij het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg.

Van Kempens grootste ambitie was het echter dirigent te worden. Aangezien daartoe de mogelijkheid tot opleiding en praktijkervaring in Nederland vrijwel ontbrak, vertrok hij in 1916, mede op advies van Mengelberg en Zimmermann, naar Duitsland. Hij vervulde de plaats van concertmeester in achtereenvolgens Posen, Bad Nauheim en vanaf 1920 in Dortmund. In deze laatste stad deed Van Kempen zijn eerste ervaring op als dirigent met een pas opgericht kamerorkest. Tevens was hij hier als vioolleraar en leider van de orkestklas verbonden aan het stedelijk conservatorium. Sollicitaties in eigen land naar de post van dirigent van het Utrechtsch Stedelijk Orkest en het Residentie-Orkest in Den Haag bleven zonder resultaat.

In het najaar van 1932 kwam aan Van Kempens violistische loopbaan een einde door zijn benoeming tot dirigent van het stedelijk orkest van Oberhausen. Deze functie vereiste evenwel de Duitse nationaliteit, zodat hij zich in november van dat jaar tot Duitser liet nationaliseren. Ervaring als dirigent deed hij verder op als muzikaal leider van de Deutsche Musikbühne, een reizend opera- en operettegezelschap, waarmee hij in 1933/1934 vele voorstellingen gaf in Duitsland, de Baltische landen en Scandinavië.

In mei 1934 volgde Van Kempens benoeming tot chef-dirigent van de Dresdner Philharmonie. In relatief korte tijd zag Van Kempen kans de slechte organisatorische en financiële situatie waarin dit orkest toentertijd verkeerde, te verbeteren. Tevens wist hij zich de nodige armslag te verwerven met betrekking tot het artistieke beleid en bewees hij - met Mengelberg als voorbeeld - een uitmuntend orkestpedagoog te zijn. De verfijning van de klankcultuur van het orkest en de kwaliteit van het samenspel hadden Van Kempens bijzondere aandacht, en door zijn toedoen werd de Dresdner Philharmonie binnen enkele jaren een van de toonaangevende orkesten van Duitsland.

Van Kempen bezat een grote affiniteit met het klassieke en romantische symfonische repertoire. Vooral de symfonieën van Anton Bruckner, die onder zijn leiding voor het eerst in Dresden in de oorspronkelijke versie werden uitgevoerd, hadden zijn voorliefde. Door Van Kempen ontstond in Dresden een Bruckner-cultuur van betekenis. Sinds het begin van zijn dienstverband bij de Philharmonie besteedde Van Kempen eveneens aandacht aan de muziek van de 20e eeuw. De groeiende invloed van de nationaal-socialistische cultuurpolitiek probeerde hij te trotseren door ook werken van de Russsiche componist Igor Stravinsky en de Hongaarse componist Béla Bartók op het programma te zetten.

De kwaliteit van het orkest, en daarmee de verdienste van Van Kempen, wordt niet alleen geïllustreerd door de vele grote gastdirigenten - zoals Eugen Jochum, Hans Knappertsbusch en Willem Mengelberg -, maar ook door binnen- en buitenlandse tournees en door het grote aantal grammofoonplaten dat sinds 1937 verscheen. Vanaf 1940 was Van Kempen tevens als vaste gastdirigent verbonden aan de Staatsoper te Berlijn. In 1941 stond hij voor het eerst als gastdirigent voor het Concertgebouworkest. Een tweede optreden vond plaats in 1942, een jaar later gevolgd door enkele grammofoonplaatopnamen met dit orkest.

Van Kempen verliet Dresden in 1942, toen zijn positie door steeds verder escalerende conflicten met de stedelijke overheid onhoudbaar was geworden. De juistheid van zijn verklaring van na de oorlog dat hij zou zijn geschorst omdat hij geen lid van de nationaal-socialistische partij wenste te worden, is nooit bevestigd, maar evenmin weerlegd. Hij volgde in Aken Herbert von Karajan op als Generalmusikdirektor. Van Kempen heeft zich hier echter niet werkelijk kunnen ontplooien. Medio 1944 was van een openbaar muziekleven in deze stad als gevolg van de oorlog geen sprake meer. Van Kempen vertrok toen weer naar Dresden, waar hij bij een arts een vorm van arbeidsdienstplicht vervulde.

Begin 1946 keerde Van Kempen naar Nederland terug en vestigde zich in Leiden. In verband met zijn Duitse nationaliteit werden zijn gedragingen gedurende de oorlog niet beoordeeld door de Eereraad voor de Muziek, respectievelijk de Centrale Eereraad voor de Kunst, maar door de afdeling Leiden van Nederlandsch Volksherstel. Aangezien hem geen laakbare handelingen ten laste konden worden gelegd, was er geen reden hem een werkvergunning te weigeren. Deze werd dan ook op 11 december 1948 verleend. Zijn verzoek tot renaturalisatie werd evenwel niet gehonoreerd.

Van Kempen had inmiddels een groot aantal gastdirecties in het buitenland verzorgd, onder meer in Frankrijk, Spanje en Italië. Verder leidde hij in Siena de dirigentencursus van de Accademia Musicale Chigiana. Van 1949 tot 1955 was hij chef-dirigent van het Radio Philharmonisch Orkest van de Nederlandse Radio Unie in Hilversum. Dit orkest wist hij in korte tijd naar een hoog artistiek peil op te stuwen. Tevens gaf hij vele concerten met het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

In januari 1951 zou Van Kempen voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog als gastdirigent voor twee uitvoeringen het Concertgebouworkest leiden. Toen dit echter bekend werd, kwam er een storm van protest. De kwestie kreeg ruime aandacht in de pers; er werd door een inderhaast opgericht comité een protestactie voorbereid, en er werden vragen gesteld in de Amsterdamse gemeenteraad en in de Tweede Kamer. De tegenstanders betoogden dat Van Kempen in september 1940 met de Dresdner Philharmonie voor het Duitse bezettingsleger in Nederland was opgetreden en in januari 1943 nationaal-socialistische propaganda had gemaakt door zijn uitspraak 'Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap - is er iemand die beter weet dan ik, wat dat zeggen wil?' in het Maandblad der Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap (13). In het algemeen verweet men Van Kempen een on-Nederlandse gezindheid, die hem ongeschikt maakte het Concertgebouworkest te dirigeren.

Ondanks deze gespannen situatie werd besloten de uitvoeringen gewoon te laten doorgaan. Het eerste concert op 27 januari werd, niettegenstaande herhaaldelijke ordeverstoringen vanuit de zaal, ten einde gespeeld, maar het tweede concert, daags daarna, moest worden afgelast. Het enorme tumult in de zaal en het feit dat het overgrote deel van het orkest het podium verliet toen bleek dat er van een normale concertsituatie geen sprake kon zijn, maakten een uitvoering onmogelijk. Toch werd de relatie tussen Van Kempen en het Concertgebouworkest hierdoor niet wezenlijk verstoord, wat blijkt uit het feit dat zij slechts enkele maanden later, in mei 1951, opnamen maakten voor de eerste 30 cm Philips langspeelplaat.

Voor zijn talrijke grammofoonplaten met het Concertgebouworkest en met de Berliner Philharmoniker ontving Van Kempen in Parijs de Grand Prix des Disques. Op grond van zijn grote ervaring en didactische gaven werd hij uitgenodigd om de dirigentencursus van de Nederlandse Radio Unie te organiseren en daaraan als docent mee te werken. In 1953 viel hem nog de eervolle benoeming tot Generalmusikdirektor in Bremen ten deel. Van Kempen overleed op 62-jarige leeftijd na een leveroperatie in een Amsterdams ziekenhuis.

Paul van Kempen behoorde gedurende twee decennia tot de belangrijkste dirigenten van Europa. Hij beheerste een omvangrijk repertoire, dat reikte van de 18e tot en met de 20e eeuw. Met de orkesten die hij leidde, wist hij altijd een bijzonder hoog artistiek niveau te bereiken. Zijn carrière bracht hem in ruime mate internationale roem en erkenning. Zelfs de hoog oplaaiende discussie over zijn houding in de periode van het nationaal-socialisme heeft zijn positie in Nederland na de oorlog niet wezenlijk aangetast.

A: Documentatiedossier-P. van Kempen in het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam.

P: Discografie in: John L. Holmes, Conductors on record (Londen, 1982) 332-333 en Jan van Bart, Discografie van het Concertgebouworkest (Zutphen, 1989).

L: Behalve necrologieën o.a. door H.J.M. Muller in De Telegraaf , 9-12-1955 en door Sylvia van Ameringen, in Musica 10 (1956) 151-152: C.J.W.M. van Berkel, 'Paul van Kempen. Een Hollandsche jongen, die zich opwerkte tot een groot dirigent in Duitschland', in Maandblad der Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap (jan. 1943) 12-13; Walther Abendroth, 'Dirigentenporträt: Paul van Kempen', Musica 6 (1952) 208-210; Dieter Härtwig, Die Dresdner Philharmonie. Eine Chronik des Orchesters 1870 bis 1970 (Leipzig, 1970) 90-104; Historie en kroniek van het Concertgebouw en het Concertgebouworkest II: 1945-1988 (Zutphen, 1989); 'Nog een keer terug naar 1951', in Preludium. Concertgebouwnieuws 47 (1989) 9 (mei) 20-22; Johan Giskes [e.a.], Waar bemoei je je mee. 75 jaar belangenstrijd van de Vereniging Het Concertgebouworchest (Zutphen, 1991) 93-104.

I: Kees de Leeuw, Dirigeren is geen beroep maar een roeping. Leven en werk van Paul van Kempen (1893-1955) (Utrecht 2007) 155 [Foto: collectie Jan Böcker, Gerard Bunk Stiftung; Paul van Kempen in de jaren twintig].

P.M. Op de Coul


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013