Klompé, Margaretha Albertina Maria (1912-1986)

 
English | Nederlands

KLOMPÉ, Margaretha Albertina Maria (1912-1986)

Klompé, Margaretha Albertina Maria, Tweede-Kamerlid en minister (Arnhem 16-8-1912 - 's-Gravenhage 28-10-1986). Dochter van Joannes Petrus Maria Klompé, eigenaar van een postpapierbedrijfje, en Ursula Maria Josepha Aloijsia Verdang. afbeelding van Klompé, Margaretha Albertina Maria

Op de Arnhemse HBS-B was Marga Klompé steeds de knapste van de klas, en haar keuze voor de scheikundestudie paste volkomen bij haar zucht tot ontdekken en analyseren. Die studie begon zij in 1929 aan de Utrechtse universiteit. Na het drie jaar later afgelegde kandidaatsexamen ging zij les geven op het meisjeslyceum 'Mater Dei' te Nijmegen, omdat haar vader, ernstig ziek, het geld niet meer kon opbrengen. Het leraarschap beviel haar uitstekend, en pas in 1949 zou ze er node afstand van doen. In 1936 studeerde Klompé af bij prof. H.R. Kruyt, een stimulerende leermeester, en op 21 april 1941 volgde bij hem de promotie op Soloconcentratie en uitvlokking bij het AgJ-sol . Een jaar later legde zij nog een aanvullend doctoraal examen natuurkunde af, en daarna begon ze aan de studie medicijnen, want het liefste werd zij huisarts. Zij haalde de propedeuse, maar toen ging de universiteit op slot.

Rond haar twintigste heeft Klompé een diepe geloofscrisis doorgemaakt. De veel te apologetische opvoeding thuis bleek niet bestand tegen de inzichten die het studentenmeisje in Utrecht opdeed. Klompé leefde een aantal jaren buiten de kerk. Maar na een eigen, meer in de mystiek van het geloof gedrenkte oriëntatie te hebben gevonden gaf ze zich daaraan helemaal over. Zij kwam diepgelovig uit de crisis te voorschijn en hield er een blijvend respect voor andere vormen van geloofsbeleving aan over.

De ervaringen tijdens de bezettingsjaren verankerden de nieuw verworven levenshouding stevig. Bij de Duitse inval in mei 1940 verleende Klompé als lid van het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers haar medewerking bij de gevechten op de Grebbeberg. Vanaf 1941 verrichtte zij onder de schuilnaam dr. Meerbergen koeriersdiensten voor onder anderen aartsbisschop J. de Jong. In 1943 werd zij vice-presidente van de overkoepelende Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers, een functie die ze tien jaar lang zou uitoefenen. Bij de evacuatie van haar woonplaats Arnhem speelde Klompé een belangrijke rol. Onder de schuilnaam Truus ter Aken zat zij vervolgens ondergedoken in Otterloo en Apeldoorn. Toen Arnhem eindelijk werd bevrijd, stortte zij zich met de Unie op het weer op gang brengen van het openbare leven.

Door haar ervaringen in de oorlog was Klompé harder en beslister geworden. Zij meldde zich in mei 1945 onmiddellijk aan bij de Nederlandse Volksbeweging, en toen begin 1946 de Partij van de Arbeid (PVDA) als vrucht van de politieke doorbraak werd opgericht, overwoog ze er lid van te worden. Maar uiteindelijk vond Klompé deze nieuwe partij toch te veel een voortzetting van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, en dus werd het de Katholieke Volkspartij (KVP), waar ze zich van meet af aan ophield ter linkerzijde. Aan de verkettering van de doorbraakkatholieken in de PVDA deed zij niet mee.

Geërgerd door het feit dat de verkiezingen van 1946 geen enkele katholieke vrouw in de Tweede Kamer hadden gebracht, richtte Klompé samen met haar studievriendin Wally van Lanschot in februari 1947 het Roomsch Katholiek Vrouwendispuut op om vrouwen met tijd en aanleg te mobliliseren voor het publieke leven. Klompé heeft zich allesbehalve een feministe gevoeld, en zeker in het radicaal feminisme van de jaren zestig heeft zij nooit iets gezien; de provocerende methoden van de actiegroep Dolle Mina vond zij ronduit vulgair. Voor haar was het een vanzelfsprekende zaak dat de vrouw in beginsel even geschikt was als de man voor welke functie ook.

Van het Roomsch Katholiek Vrouwendispuut werd Klompé de eerste presidente; zij bleef dat tot 1950. Ook andere vrouwenorganisaties deden geregeld een beroep op haar. In 1947 kreeg zij op advies van de Nederlandse vrouwenorganisaties een plaats in de Nederlandse delegatie naar de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. In die delegatie viel zij bij haar katholieke collega's het Tweede-Kamerlid E.M.J.A. Sassen en het Eerste-Kamerlid prof. L.J.C. Beaufort onmiddellijk op. Dezen zetten haar vervolgens onder druk zich kandidaat te stellen voor de Tweede Kamer. Veel zin had zij daar niet in, maar voor een onverkiesbare plaats bij de verkiezingen van 1948 wilde ze zich wel lenen. Desondanks kwam zij al op 12 augustus van dat jaar in de kamer, als vervangster van Sassen toen deze minister van Overzeese Gebiedsdelen werd. In de KVP-fractie kreeg ze het buitenlands beleid te doen. Zij werd nu vaker afgevaardigde naar de Assemblée van de Verenigde Naties. Van 1949 tot 1956 kwam daar het lidmaatschap van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa bij en van 1952 tot 1956 dat van het Parlement van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.

Klompé presenteerde zich nadrukkelijk. Ze bezat een tomeloze energie, voor een belangrijk deel het gevolg van de omstandigheid dat zij vrijgezel was gebleven, een keuze die ze eigenlijk niet heeft gewild. Van plichtsbetrachting, deskundigheid, nuchterheid, slagvaardigheid en vooral onafhankelijkheid van oordeel had zij veel in haar bagage, en dat deed haar al snel boven de middelmaat uitstijgen. Wel kon de onafhankelijke opstelling haar soms tot een politiek hinderlijke vasthoudendheid drijven, zoals later in de Nieuw-Guineakwestie rond 1960, toen zij zich het langst verzette tegen wat zij vond het versjacheren van de papoea's. In de fractie durfde Klompé het als een van de weinigen op te nemen tegen voorzitter C.P.M. Romme. Hem zei ze precies waar het op stond. De KVP-leider had daar zoveel respect voor dat er spoedig een intense, vriendschappelijke relatie tussen beiden ontstond. Haar sterk ontwikkelde analytische inzicht bracht haar ook tot meestal rake oordelen over van alles en nog wat. Dit had natuurlijk ook schaduwzijden. Zo'n zelfverzekerd optreden werd al gauw opgevat als bemoeizucht, en men ging in Klompé dan ook een streber zien, die zo vlug mogelijk naar de top wilde.

Die top bereikte Klompé al op 13 oktober 1956, toen zij minister van Maatschappelijk Werk werd. Daarmee was ze de eerste vrouwelijke minister in Nederland. Maatschappelijk Werk, gecreëerd in 1952, maar nog weinig wortel geschoten, achtte zij onmisbaar, niet alleen voor de sociaal zwakkeren. Klompé heeft ervoor geknokt dat het departement serieus werd genomen. De weerstanden in de Tweede Kamer en ook in het kabinet waren echter groot; vooral de ministers van Sociale Zaken voelden zich bedreigd. Maatschappelijk Werk bleef een mini-ministerie, maar doordat Klompé een inhoudelijk beleid van de grond wist te tillen, steeg het prestige van het bescheiden departement aanmerkelijk.

Klompé zwoer bij het particulier initiatief en sluisde er grote bedragen aan subsidie heen. Honderd procent gaf zij nooit, want dat zou het particulier initiatief alleen maar fnuiken. Klompé vond echter wel dat de overheid resoluut moest ingrijpen, als dat initiatief faalde. Een goed voorbeeld in dit verband is haar Wet op de bejaardenoorden uit 1963, die beoogde een einde te maken aan de vaak mensonterende toestanden in particuliere tehuizen. Onder het kabinet-De Quay (1959-1963) leverde Klompé naar eigen zeggen de belangrijkste wetgevende prestatie uit haar hele ministeriële loopbaan: de in 1963 aangenomen Algemene Bijstandswet. Deze haalde de bijstand uit de sfeer van de caritas en maakte hem voor iedereen bereikbaar: 'een geweldige switch van genade naar recht' heeft zij deze wet genoemd.

In 1963 ambieerde Klompé voortzetting van het ministerschap niet meer, en op 24 juli droeg zij haar portefeuille over. Wel keerde zij terug in de Tweede Kamer. Daar beleefde zij het moeilijkste moment uit haar politieke carrière. In de 'Nacht van Schmelzer', van 13 op 14 oktober 1966, stemde zij vóór de motie die een einde maakte aan het kabinet van haar vriend J.M.L.Th. Cals. De loyaliteit jegens de partij won het van haar menselijke gevoelens, die meer naar Cals dan naar KVP-fractieleider W.K.N. Schmelzer gingen.

Cals' opvolger, J. Zijlstra, deed een dringend beroep op Klompé het inmiddels tot ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) omgevormde departement nog een keer op zich te nemen. Aangezien het maar voor een paar maanden zou zijn, zwichtte zij, en op 22 november 1966 trad zij opnieuw als minister aan. Na de verkiezingen van 1967 schoof de fractie haar naar voren als mogelijke minister-president. Zij leek de aangewezen persoon om het op drift geraakte katholieke electoraat te kalmeren, maar zij voelde zich te zwak op financieel-economisch terrein. Het werd uiteindelijk P.J.S. de Jong, die haar bezwoer als minister aan te blijven, en weer bezweek zij voor de aandrang. Zo werd Klompé voor een tweede periode minister en daarmee ook mikpunt van protest tijdens de heersende 'culturele revolutie'. Maar de combinatie van onafhankelijkheid van oordeel en ingeslepen tolerantie maakte haar begripvol voor nieuwe tendensen in de maatschappij. In het overwegend behoudende kabinet-De Jong kwam zij echter in een ietwat geïsoleerde positie terecht. Tegen deze achtergrond is het veelbetekenend dat men ter linkerzijde, waar men nogal tegen haar te hoop was gelopen, haar vertrek van CRM op 6 juli 1971 een ramp voor de cultuur noemde.

In 1971 zette Klompé een punt achter haar politieke activiteiten. Nog op 17 juli van dat jaar volgde de benoeming tot minister van Staat, een onderscheiding voor de heel groten. Zij wijdde zich voortaan aan het kerkelijke werk, met speciale aandacht voor de vraagstukken van vrede en veiligheid. Zij werd een gezocht adviseur en bestuurslid. Haar werk voor de pauselijke commissie Justitia et Pax - al vanaf 1967 -, voor de Raad van Kerken in Nederland en voor de Bisschoppenconferentie moet met name worden genoemd. Haar inzet voor de kerk was, ondanks de ernstige kritiek die zij erop had, groot. Die instelling maakte van haar een trouw lid van de kerk, zoals zij dat ook was van de KVP, en die trouw kon heel wat stoten hebben.

A: Archief-M.A.M. Klompé in de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Behalve artikelen en 'inleidingen' bij verscheidene bundels, verslagen en rapporten: Europa bouwt [brochure] ('s-Gravenhage [1954]).

L: Behalve necrologieën en herdenkingsartikelen o.a. door Jan Joost Lindner, in de Volkskrant , 29-10-1986; door Jan Bank, in De Tijd , 31-10-1986; door Rex Brico, in Elseviers Magazine , 1-11-1986; door Joop van Tijn, in Vrij Nederland , 1-11-1986; door Mieke Aerts, in Katijf 6 (1986) 36 (dec.) 10-12; door Anneke Groen, in Opzij 14 (1986) 12 (dec.) 29 en het Klompé-nummer van 1-2-1 Informatiebulletin 14 (1986) 20 (1 nov.) 642-679: F.J.F.M. Duynstee, De kabinetsformaties 1946-1965 (Deventer, 1966); interview door Bibeb in Vrij Nederland , 20-9-1969; P.F. Maas, Kabinetsformaties 1959-1973 ('s-Gravenhage, 1982); Andries de Jong, 'Mej.dr. M. Klompé, oud-minister CRM en architecte van de Bijstandswet', in Sociaal Bestek 46 (1984) 7 (29 mrt.) 27-32; Anneke Visser, Alleen bij uiterste noodzaak? De rooms-rode samenwerking en het einde van de brede basis 1948-1958 ([Amsterdam] 1986); K.M. Lutterop, 'Marga Klompé en het Katholiek Vrouwendispuut', in Groniek (1987) nr. 97, 73-82; Gerdienke Ubels, 'Marga Klompé. Moeder van eeuwigdurende bijstand', in DinaMiek. Tijdschrift voor vrouwengeschiedenis 5 (1988) 31-43; Herinneringen aan Marga Klompé . Onder red. van Michel van der Plas (Utrecht, 1989); Veronique Frinking en Simone Meyborg, 'Marga Klompé: vrouwenbelangenbehartigster achter de schermen', in Carla Wijers [e.a.], Tussen aanpassing en verzet. Vrouwen voor het voetlicht 1929-1969 (Culemborg, 1989) 159-164; Ineke Jungschleger en Claar Bierlaagh, Marga Klompé. Een gedreven politica haar tijd vooruit (Utrecht [etc.], 1990).

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 67746 [Marga Klompé in januari 1949].

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013