Kögl, Fritz (1897-1959)

 
English | Nederlands

KÖGL, Fritz (1897-1959)

Kögl, Fritz, scheikundige (München (Duitsland) 19-9-1897 - Utrecht 6-6-1959). Zoon van Josef Kögl, koopman, en Anna Fischer. Gehuwd op 28-7-1931 met Beate Laura Niebel. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Genaturaliseerd bij Wet 25-3-1939 (Stbl . no. 1209). afbeelding van Kögl, Fritz

Fritz Kögl studeerde, na de Luitpold-Oberrealschule in zijn geboortestad te hebben doorlopen, van 1916 tot 1920 scheikunde aan de Technische Hochschule in München. Hier promoveerde hij op 22 oktober 1921 cum laude op het proefschrift Weitere Untersuchungen über Derivate des vierwertigen Stickstoffs . Promotor was de latere Nobelprijswinnaar Heinrich Otto Wieland, bij wie hij toen al ruim een jaar assistent voor organische chemie was.

In 1925 werd Kögl het venia legendi verleend voor zijn onderzoek naar de samenstelling van kleurstoffen in paddestoelen, waarmee hij intussen in Duitsland naam had gemaakt. Met behulp van nieuwe, door hem speciaal voor dit onderzoek ontwikkelde microtechnische methoden had Kögl ontdekt dat sommige kleurstoffen in paddestoelen en schimmels derivaten zijn van 2,5-diphenylchinon. Uit de boomzwam wist hij in 1926 het bruingele polypoorzuur te isoleren, uit het fluweelpootje twee jaar later het bruine atromentine en uit de vliegenzwam in 1930 het roodgekleurde muscarufine. De eveneens in de vliegenzwam voorkomende farmacologisch interessante gifstof muscarine zou hem zijn leven lang bezighouden. Pas enkele jaren voor zijn dood lukte het hem de chemische structuur van deze stof volledig op te helderen en door synthese te bevestigen.

Sinds 1926 verrichtte Kögl zijn onderzoek als privaatdocent en hoofd van het organisch-chemisch laboratorium van de universiteit van Göttingen. Na vier jaar besloot hij echter deze betrekking èn zijn vaderland te verruilen voor een hoogleraarschap in Nederland. In 1930 werd Kögl namelijk benoemd tot gewoon hoogleraar in de organische en propaedeutische scheikunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, een ambt dat hij op 27 oktober van dat jaar aanvaardde met de oratie: Wege und Ziele der Erforschung von Naturstoffen . Als voorwaarde voor zijn komst naar Utrecht had Kögl bedongen dat voor de organische chemie een nieuw laboratorium zou worden gebouwd; acht jaar later, in november 1938, kon hij dit openen.

Het lag voor de hand dat Kögl bij zijn komst in Utrecht het onderzoek naar de isolatie en structuuropheldering van natuurstoffen zou voortzetten. Hij raakte echter snel geïnteresseerd in het studieobject van zijn collega de botanicus prof. F.A.F.C. Went, namelijk de lengtegroei door celstrekking bij hogere planten, die geregeld wordt door een groeistof. Kögl besloot deze in zeer kleine hoeveelheden in de beschikbare uitgangsmaterialen voorkomende verbindingen, die hij auxinen noemde, te isoleren en te karakteriseren. Met zijn medewerker A.J. Haagen Smit publiceerde hij 'über die Chemie des Wuchsstoffs' (in Proceedings of the section of sciences Koninklijke Akademie van Wetenschappen 34 (1931) 1411-1416). Voor dit onderzoek introduceerde hij een groot aantal geavanceerde analytische technieken en vooral ook synthetische methoden om geschikte vergelijkingsverbindingen te bereiden.

In 1933 isoleerde Kögl - samen met zijn Duitse assistente Hanni Erxleben en een aantal jonge medewerkers - uit menselijke urine en korenolie twee werkzame stoffen, die als groeifactoren werden aangemerkt: auxine-A en -B. Hij legde de resultaten onder meer neer in een tweetal artikelen: 'Chemische und physiologische Untersuchungen über Auxin, einen Wuchsstoff der Pflanzen' (in Angewandte Chemie 46 (1933) 166-167) en 'über Auxin' (ibidem , 469-473). Bij voortzetting van zijn onderzoek ontdekte Kögl in 1934 een stikstofbevattend zuur, dat hij hetero-auxine (indolazijnzuur) noemde. Van deze verbinding werden een reeks plantengroei- en remstoffen bereid die in de land- en tuinbouw op grote schaal toepassing vonden, onder meer bij de selectieve bestrijding van onkruid.

Verder hield Kögl zich bezig met de celdelingsfactoren van plantaardige micro-organismen. In 1936 lukte het hem uit 'bios', een materiaal dat nodig is voor de groei van gist, het biotine in kristallijne vorm te isoleren, waarvan slechts één milligram in 250 kilogram eigeel voorkomt ('über Wuchsstoffe der Auxin- und der Bios-Gruppe', in Berichte der deutschen chemischen Gesellschaft 68 (1935) A 16-28). Deze stof bleek later, zo ontdekte hij in 1940, identiek aan het voor mens en dier onontbeerlijke vitamine H.

De onderzoekingen van Kögl naar auxine en biotine waren meesterstukken van chemische experimenteerkunst. Zijn ontdekking van auxine-A en -B werd aanvankelijk algemeen aanvaard als zijnde de natuurlijke groeistof. Maar niemand, ook Kögl niet, slaagde erin de beschreven experimenten te reproduceren. Er ontstond ernstige twijfel aan de theorie, maar pas na de Tweede Wereldoorlog vond de naar de Verenigde Staten geëmigreerde Haagen Smit dat het in plantenmateriaal voorkomende indolazijnzuur als het natuurlijke auxine moest worden aangemerkt. Kögl hield echter vast aan zijn eigen theorie. Na zijn dood zou blijken dat de experimenten die de Duitse medewerkster in zijn opdracht uitvoerde en rapporteerde, weinig betrouwbare resultaten hadden opgeleverd. Hetzelfde geldt voor Kögls opzienbarende hypothese over het ontstaan van kwaadaardige tumoren, die hij in januari 1939 voor de Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen bekend maakte ('Zur ätiologie der malignen Tumoren', in Verhandelingen der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen . 2e sectie XXXVIII, 1). Kögl verklaarde het ontstaan van kwaadaardig weefselgroei uit de inbouw van afwijkende aminozuren in een organisme. Naast de gewone bouwstenen, die tot de reeks van de 1-aminozuren behoren, bevatten tumoreiwitten ook de D-aminozuren. Deze ontdekking kon evenmin in andere laboratoria worden bevestigd. Kögl wilde dit lange tijd niet geloven, en is het nooit te boven gekomen dat ze gebaseerd waren op jarenlang onjuist wetenschappelijk onderzoek van zijn Duitse medewerkster.

Hoewel Kögl tot Nederlander was genaturaliseerd, werd hij gedurende de Tweede Wereldoorlog door de bezetters als 'Volksdeutscher' beschouwd. Hij verafschuwde het nazisme en stelde de kruipgangen onder zijn laboratorium beschikbaar voor de opslag van 'verboden' goederen en als schuilplaats voor onderduikers. Een hem tijdens de oorlog aangeboden hoogleraarschap aan de Universiteit van Berlijn wees hij af.

Gedurende de laatste jaren van zijn leven hield Kögl zich bezig met onderzoek naar de chemische achtergrond van suikerziekte, het metabolisme van eiwitten en aminozuren en het probleem van de celstofwisseling, dat hij bestudeerde via de scheikundige samenstelling van de celmembranen. Kögl was een uitstekend docent en een autoritaire hoogleraar met een enorme werkkracht. Zijn onderzoekingen brachten de organische chemie aan de Utrechtse universiteit op een zeer hoog niveau. Een zestigtal dissertaties kwam onder zijn leiding tot stand. In 1949 kreeg Utrecht als eerste organisch-chemisch laboratorium in Nederland, dank zij Kögls inspanningen, de beschikking over een uit de Verenigde Staten geïmporteerde massaspectrometer.

Het onderzoek van Kögl bevond zich op het grensvlak van scheikunde en biologie; vanaf het begin van de jaren vijftig doceerde hij tevens de biochemie. Hoewel de bloeiende onderzoeksgroep van Kögl in wetenschappelijk opzicht niet altijd heeft gebracht wat hij ervan verwachtte, is zijn werk voor de ontwikkeling van de biochemie in Nederland van grote betekenis geweest. Van 1939 tot 1941 en van 1957 tot 1959 was hij bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Biochemie. Zijn verdiensten werden geëerd met talrijke lidmaatschappen van binnen- en buitenlandse wetenschappelijke verenigingen, waaronder in 1938 zijn benoeming tot gewoon lid van de afdeling wis- en natuurkunde van de Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen. In de zomer van 1959 overleed Kögl na een ziekte van meer dan twee jaren, gedurende welke tijd hij zoveel mogelijk zijn werkzaamheden had voortgezet.

A: Verspreide stukken betreffende Kögl bevinden zich in de archieven van de Utrechtse Universiteit, het archief van het ministerie van Onderwijs (afdeling Rijkspersoneel) en het archief van het ministerie van Justitie (Dossier Wetten 1939, nr. 132).

P: Bibliografie in J.C. Poggendorff, Biografisch-literarisches Handwörterbuch für Mathematik, Astronomie, Physik mit Geophysik, Chemie, Kristallographie und verwandte Wissensgebiete (Berlijn, 1937, 1958) VI, 1349 en VIIa (2) 828-829.

L: Chemisch Weekblad 51 (1955) 851-852 en 55 (1959) 493-494; Jaarboek der Rijksuniversiteit te Utrecht 1958-1959 (Utrecht, s.a.) 27-32; Nature 184 (1959) 1609-1610; Feodor Lynen, in Jahrbuch Bayerische Akademie der Wissenschaften 1959 (München, 1959) 187-188; E. Havinga, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1959-1960 (Amsterdam, 1960) 311-316; J.M.M. Kessels, 'De subfaculteit der Scheikunde', in Tussen ivoren toren & grootbedrijf. De Utrechtse Universiteit, 1936-1986 . Onder red. van H.W. von der Dunk [e.a.] (Maarssen, 1986) 408-410; Frank van Kolfschooten, Valse vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap (Amsterdam [etc.], 1993) 113-122.

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1959-1960 (Amsterdam 1960) afbeelding tegenover pagina 311.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013