Koekoek, Hendrik (1912-1987)

 
English | Nederlands

KOEKOEK, Hendrik (1912-1987)

Koekoek, Hendrik, politicus (Hollandscheveld (D.) 22-5-1912 - Bennekom (Gld.) 8-2-1987). Zoon van Roelof Koekoek, landbouwer, later pluimveehouder, en Johanna Gort. Gehuwd op 18-9-1942 met Theodora Geertruida van Zetten, botanisch analiste. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Koekoek, Hendrik

Hendrik Koekoek groeide op als de oudste zoon in een orthodox-hervormd gezin van zeven kinderen. Na de lagere school moest hij meehelpen op de pluimveehouderij van zijn vader. Hij las veel, volgde allerlei landbouwcursussen en was actief in het bestuur van het Nederlandsch Jongelings Verbond. Zijn diensttijd in Arnhem ervoer Koekoek als een bevrijding uit de hem steeds meer benauwende omgeving van zijn ouderlijk huis en zijn woonplaats, Hollandscheveld. Om diezelfde reden verkoos hij in de jaren dertig een tijdlang een bestaan als los landarbeider op verschillende boerenbedrijven in Noord-Holland.

De mobilisatie van 1939 haalde Koekoek opnieuw uit zijn Drentse plattelandsomgeving. Ingekwartierd in de buurt van Wageningen - waar hij zijn toekomstige echtgenote leerde kennen - maakte hij in mei 1940 de gevechten bij de Grebbeberg mee. Om niet geheel opgehelderde redenen werd hij in 1943 door de bezetter gearresteerd en verbleef hij gedurende zeven maanden in gevangenschap, onder meer in Scheveningen, Utrecht en Duitsland. Na te zijn vrijgelaten vestigde hij zich op een boerderij van zijn schoonvader in het Betuwse Lienden.

Op 1 november 1946 behoorde Koekoek tot de oprichters van de Landelijke Vereniging voor Bedrijfsvrijheid in de Landbouw; hij werd al spoedig haar voorzitter. Deze organisatie, die onder de naam 'Vrije Boeren' nationale bekendheid kreeg, richtte zich tegen de overheidsbemoeienis met de landbouw, in het bijzonder tegen de ambtelijke wereld, die allerlei regelgeving aan de boeren zou opleggen. Vooral het in februari 1954 ingestelde Landbouwschap moest het ontgelden. Koekoek, voorzitter van de 'Vrije Boeren', meende dat dit bedrijfschap voor de landbouw - waarin leden van een aantal landbouworganisaties zitting hadden - de belangen van de agrariërs niet diende, maar hen door dwangmaatregelen, zoals het opleggen van heffingen, juist in hun bedrijfsvoering dwarsboomde. Vooral onder de kleine boeren, die zich vaak slechts met moeite ten opzichte van de grotere agrarische bedrijven konden handhaven, vonden Koekoeks woorden weerklank.

Toch was de directe invloed van de 'Vrije Boeren' beperkt, zodat Koekoek zijn geluk in de politiek ging beproeven. In 1956 bedankte hij als lid van de Christelijk-Historische Unie, waarvan hij in zijn woonplaats, Bennekom, sinds het begin van de jaren vijftig afdelingssecretaris was geweest, en sloot hij zich aan bij een rechtse splintergroepering: de Nederlandse Oppositie Unie. Toen bleek dat deze nieuwe partij niet erg aansloeg, besloot Koekoek met een eigen politieke partij aan de verkiezingen deel te nemen: in 1958 onstond de Boerenpartij (BP). Bij de gemeenteraadsverkiezingen van dat zelfde jaar slaagde de BP er slechts in twee raadszetels te veroveren: in Zelhem en Valburg. De Tweede-Kamerverkiezingen van 1959 kwamen voor de nieuwe partij echter nog te vroeg, want het lukte Koekoek en de de zijnen niet de kiesdeler te halen.

Geruchtmakende affaires op landbouwgebied in het begin van de jaren zestig legden de BP evenwel geen windeieren: in 1962 werd Koekoek bijvoorbeeld gekozen tot lid van Provinciale Staten van Gelderland (tot 1963). Bij acties tegen het Landbouwschap wist Koekoek de betrokken boeren - en ook zijn partij! - in een 'underdog'-postie te manoeuvreren, waardoor hij de sympathie van een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking kreeg. Zo weigerde in maart 1963 een aantal landbouwers in Hollandscheveld de heffingen van het Landbouwschap te voldoen, waarop deze organisatie uiteindelijk tot huisuitzetting van de betrokken gezinnen liet overgaan. Het kwam tot een gewelddadige confrontatie tussen politie en boze boeren, en doordat de BP zei voor de boerenbelangen te strijden, bracht haar dat veel positieve publiciteit. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer, later dat jaar, plukte Koekoek de electorale vruchten van zijn optreden: hij behaalde 2,1 procent van het aantal stemmen, goed voor drie kamerzetels.

Als Tweede-Kamerlid leverde Koekoek - die niet alleen de fractie in Den Haag leidde, maar ook het partijvoorzitterschap bekleedde, de administratie van de partij voerde en bovendien van 1962 tot 1970 zitting had in de gemeenteraad van Ede - nauwelijks een constructieve bijdrage tot de politieke besluitvorming. Zijn spreekbeurten in 's lands vergaderzaal waren vaak een opsomming van klachten tegen zijn collega-politici, die de kiezers allerlei fraais zouden beloven en deze beloften vervolgens niet inlosten. Toch nam Koekoeks populariteit in de daaropvolgende jaren voortdurend toe, een verschijnsel waaraan zijn Drentse tongval en droge humor in niet geringe mate bijdroegen. Maar ook als ze serieus bedoeld waren, konden zijn opmerkingen komisch overkomen. Zo liet hij in november 1965, tijdens het debat over het voorgenomen huwelijk van prinses Beatrix met Claus von Amsberg, weten dat de BP geen bezwaar had tegen de toekomstige prins-gemaal, mits hij niet bij het Landbouwschap ging werken....

Na uiterst succesvol verlopen Staten- en gemeenteraadsverkiezingen in 1966 boekte de BP bij de kamerverkiezingen van 1967 een winst van vier zetels. Onderzoek wees later uit dat de uitgebrachte stemmen op Koekoeks partij niet meer uitsluitend uit landbouwkringen kwamen. Juist in de grote steden in het westen des lands rekruteerde Koekoek veel nieuwe kiezers, die veelal het vertrouwen in de bestaande grote partijen hadden verloren en hun 'protest-stem' op de BP uitbrachten. De maatschappelijke en culturele onrust in de jaren zestig zal op dit stemgedrag zeker van invloed zijn geweest.

Toch begon zich in deze periode ook de zwakte van de BP te openbaren. De partijorganisatie was uiterst gebrekkig, hetgeen tot uiting kwam in het feit dat er bij verkiezingen vaak onvoldoende kandidaten genomineerd waren, waardoor - soms per advertentie - in allerijl nog gegadigden moesten worden benaderd. Ook in eigen gelederen begonnen er twijfel aan Koekoeks capaciteiten en wrevel over diens machtspositie te ontstaan. Bovendien was het oorlogsverleden van een aantal min of meer vooraanstaande BP-leden niet geheel onomstreden, zodat de partij bij velen in een kwaad daglicht kwam te staan. Koekoek zelf zorgde vervolgens voor opschudding door tijdens een kamerrede een aantal parlementariërs met onware beweringen - onder meer over mogelijke NSB-lidmaatschappen - te beschuldigen. Toen bleek dat hij zijn uitspraken niet kon waarmaken en bovendien weigerde zijn beschuldigingen terug te nemen, nam de Kamer op 12 oktober 1966 met 109 tegen 2 stemmen een motie van afkeuring tegen hem aan.

Al deze zaken deden de partij geen goed, en nadat zich daarenboven allerlei afsplitsingen hadden voorgedaan - eerst in 1968, later in 1971 - ging het snel bergafwaarts met Koekoeks geesteskind. Van 1971 tot 1972 zat hij nog als enige voor zijn partij in de Tweede Kamer. Een kleine opleving in 1972 leverde nog eenmaal drie zetels op, maar in zijn laatste parlementaire periode, van 1977 tot 1981, moest Koekoek opnieuw alleen het gedachtengoed van de BP trachten uit te dragen.

Na zijn vertrek uit de Kamer probeerde Koekoek het nog een keer met een nieuwe politieke groepering, de Rechtse Volks Partij, maar toen succes uitbleef, verdween hij definitief van het politieke toneel. Een enkele keer kwam hij nog in het nieuws, omdat de politie hem in verband met de slechte verzorging van zijn dieren had bekeurd. In 1987, veertien dagen nadat hij door een hartaanval was getroffen, overleed Hendrik Koekoek in een ziekenhuis te Bennekom.

'Boer Koekoek' is ontegenzeglijk een fenomeen in de Nederlandse parlementaire geschiedenis geweest. Zelden tevoren wist een politicus met zulk een bescheiden partijprogramma een zo omvangrijke electorale aanhang te krijgen. Telkens weer slaagde hij erin als martelaar van de 'kleine man', op wie de overige politici het zouden hebben gemunt, voor het voetlicht te treden en daarmee de BP aan een ongekende populariteit te helpen. Hij maakte slim gebruik van de heersende onvrede van veel burgers over het functioneren van kabinet en parlement en appelleerde met een geheel eigen 'logica' aan hun ongenoegen: 'Het is helemaal niet nodig dat in de Kamer 150 mensen zitten. (...) Nu zit je met 3 man in de bank, als er minder zijn, heb je meer ruimte, zit je met 2. Het scheelt aan geld, dan kan er weer belastingverlaging komen. Ze zijn er toch nooit allemaal, die kamerleden' (Interview door Bibeb). Vaak gaf Koekoek de indruk als nuchtere boer ingewikkelde vraagstukken reeds in een vroeg stadium te hebben doorzien, en zonder twijfel bezat hij het vermogen het soms wollige taalgebruik van ministers en collega-volksvertegenwoordigers tot normale uitdrukkingen te herleiden. Toch werd hij niet erg serieus genomen en, ofschoon eerder antiparlementariër, ook tamelijk ongevaarlijk geacht. Voor sommigen was hij een bron van vermaak, bij anderen, die 'de democratie als een te kostbaar goed beschouwden voor zoveel stupiditeit in haar midden' (Maas, 205), wekte hij irritatie. In de late jaren zeventig werd duidelijk dat Koekoek zichzelf had overleefd en dat zijn partij had afgedaan: hij zelf was niet veranderd, maar tot zijn verbazing had de wereld om hem heen niet stilgestaan.

P: Commentaar van Koekoek op het boekje ... Boer Koekoek [door] K. Baartmans (Bennekom [1966]).

L: Behalve necrologieën op 9-2-1987 o.a. in NRC Handelsblad, Het Parool, Trouw en de Volkskrant: A. Houttuyn Pieper, 'De acties der "vrije boeren" in sociologisch perspectief', in Landbouwkundig Tijdschrift 74 (1962) 449-460; interview door Bibeb, in Vrij Nederland, 26-12-1964; W. Stam, De Boerenpartij. Een politieke verkenning (Amsterdam, 1966); K. Baartmans [pseudoniem voor Ch. Buys], Boer Koekoek (Amsterdam [1966]); Koekoek kan ons nog meer vertell'n. Onder red. van B. van Dienst (Amsterdam, 1966); 'Hendrik Koekoek', in G. Puchinger, Hergroepering der partijen? (Delft, 1968) 329-359; A.Th.J. Nooij, De Boerenpartij. Desoriëntatie en radikalisme onder de boeren (Meppel, 1969); interview door Cherry Duyns, in Haagse Post, 24-11-1971; A.H.M. Dölle, 'De Boerenpartij. Terugblik op een politiek verschijnsel', in Intermediair 15 (1979) 36 (7 sept.) 59-65; Max Pam, 'Partij zonder politici', in NRC Handelsblad, 11-4-1981; P.F. Maas, Kabinetsformaties 1959-1973 ('s-Gravenhage, 1982); Lieselotte Hirl, Der organisierte Rechtsextremismus in den Niederlanden nach 1945 unter besonderer Berücksichtigung seiner Traditionen [Ongepubliceerde dissertatie Universiteit van Wenen; exemplaar bij Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen te Groningen] (Wenen, 1987); Jaap van Donselaar, Fout na de oorlog. Fascistische en racistische organisaties in Nederland 1950-1990 (Amsterdam, 1991) 121-133; lemma door M. Moree, in Drentse biografieën III. Onder red. van Jan Bos en Willem Foorthuis (Meppel [etc.], 1991) 81-86.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: Verhoeff; Collectie ANEFO; Koekoek op 18 november 1976 aan het woord tijdens het kamerdebat i.v.m. de verdwijning van de oorlogsmisdadiger Menten]

W. Slagter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013