Koenigs, Franz Wilhelm (1881-1941)

KOENIGS, Franz Wilhelm (1881-1941)

Koenigs, Franz Wilhelm, bankier en kunstverzamelaar (Kierberg (Duitsland) 3-9-1881 - Keulen (Duitsland) 6-5-1941). Zoon van Ernst Friedrich Wilhelm Koenigs, bankier, en Johanna Bunge. Gehuwd op 20-4-1914 met Anna Pauline Luise Eva Elisabeth Gräfin von Kalckreuth. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 3 dochters geboren. Bij Wet 9-2-1939 (Stbl. nr. 1200) genaturaliseerd. afbeelding van Koenigs, Franz Wilhelm

Franz Koenigs kwam uit een welvarende Rooms-katholieke familie van Rijnlandse textielfabrikanten en bankiers. Na een afgebroken studie rechten in München was hij eerst als volontair werkzaam bij een spinnerij in Dülken, daarna bij de wolfirma Bunge in Antwerpen, vervolgens bij het Comptoir National d'Escompte in Parijs en ten slotte bij Malcolm Brothers in Londen, waar hij de linnenhandel op India leerde kennen.

Koenigs bouwde zeer snel een solide zakenreputatie op. In 1907 kreeg hij - 26 jaar oud - de supervisie over de verkoop van de Frans-Duitse olieonderneming Regatul Român aan Astra Românâ, een Roemeense oliemaatschappij waarvan ongeveer drie kwart in Nederlandse handen was. In Roemenië kwam Koenigs in contact met prominenten uit de olie-industrie, in het bijzonder met vertegenwoordigers van de Bataafsche Petroleum Maatschappij/Shell, zoals H.W.A. Deterding, J.B.A. Kessler en C.H. Guépin. Het waren contacten die hem in zijn latere carrière van dienst zouden zijn. In 1911 nam Koenigs afscheid als een van de twee directeuren van de Astra Românâ en maakte hij twee reizen naar Nederlands- en Brits-Indië. In 1913 keerde hij terug naar Duitsland om een vacante directieplaats bij de bank Delbrück, Schickler & Cie. in Berlijn op te vullen, ontstaan door de dood van een oom. Het jaar daarop trouwde hij met Anna, gravin von Kalckreuth, dochter van een symbolistisch schilder. Het echtpaar verhuisde naar Berlijn.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende Koenigs, ver verwijderd van het front, in een bevoorradingsbataljon. In 1918 nam hij zijn oude functie bij Delbrück, Schickler & Cie. weer op, drie jaar later gecombineerd met het directielidmaatschap van Delbrück, Von der Heydt & Cie., waartoe hij naar Keulen verhuisde. In 1920 had Koenigs samen met een Belgische neef in Amsterdam de Rhodius-Koenigs' Handel Maatschappij opgericht. Het neutrale Nederland bleek na de oorlog een aantrekkelijke vestigingsplaats voor Duitse bedrijven en banken: onder Nederlandse vlag konden de handelsbeperkingen die Duitse bedrijven na de vrede van Versailles waren opgelegd, worden ontlopen. Deze dekmantel bood de 'Duitse' bedrijven de mogelijkheid handel te blijven drijven met de Fransen en Britten. Gedurende de eerste jaren in Nederland ging het de Rhodius-Koenigs' Handel Maatschappij voor de wind. Vooral het verstrekken van kredieten aan Britse en Amerikaanse bedrijven die handel op Duitsland dreven, bleek een lucratieve bezigheid.

In 1922 liet Koenigs zijn gezin uit Duitsland overkomen. Aan het Haarlemse Florapark betrok hij een kolossaal huis, dat onderdak kon bieden aan zijn gestaag groeiende kunstverzameling. Uit Koenigs' Parijse jaren (1903/1904) dateerde zijn kennismaking met de Franse impressionisten; vooral Cézanne, Degas en Toulouse-Lautrec oogstten zijn bewondering. Daarnaast ontwikkelde hij een belangstelling voor oude meesters als Rubens, Dürer, Grünewald, Rembrandt, Tintoretto, Tiepolo, Fragonard en Watteau. De collectie-Koenigs groeide uit tot een encyclopedische verzameling van wereldfaam. Naast enkele schilderijen, prenten en sculpturen omvatte zij 2600 tekeningen van de beroemdste Duitse, Hollandse, Franse en Italiaanse meesters uit de periode tussen 1500 en 1900. In zijn hang naar volledigheid was Koenigs een verzamelaar in de ware zin van het woord.

In de jaren twintig verdiende Koenigs, dank zij zijn scherp zakelijk inzicht en speculatief vermogen, grote sommen geld. Dat moest ook wel, want familiekapitaal alleen was niet toereikend om de enorme uitgaven voor zijn kunstverzameling te dekken. Na de ineenstorting van de beurs op Wall Street, in oktober 1929, ging het Koenigs echter financieel slechter, en toen in de zomer van 1931, ten gevolge van de zogeheten Stillhalte, schuldbetalingen door bedrijven in Duitsland algemeen werden opgeschort, raakte de Rhodius-Koenigs' Handel Maatschappij ernstig in de problemen. Toch had Koenigs zijn financiële perikelen voor een groot deel aan zichzelf te wijten. Als speculatieve handelaar kon hij vaak alleen door heel riskante transacties aan de middelen komen om zijn verzamelpassie te bevredigen. Hij stond voor enorme bedragen in het krijt bij kunsthandelaren in heel Europa, wat hem overigens niet belette kunst te blijven kopen. Wanneer Koenigs op zakenreis was - en dat kwam bij deze 'flying banker' nogal eens voor - ontving hij na afloop van besprekingen steevast de kunsthandelaren uit de stad waar hij op dat moment vertoefde en liet hij zich gemakkelijk tot aankopen verleiden.

In 1933 dreigde faillissement voor Koenigs en zag hij zich gedwongen een lening af te sluiten bij het joodse bankierskantoor Lisser & Rosenkranz, dat geleid werd door de Kramarsky's. Koenigs verpandde zijn collectie op voorwaarde dat deze in bruikleen werd gegeven aan het Rotterdamse Museum Boymans, waar zij toegankelijk zou zijn voor het publiek; in 1935 kreeg deze regeling haar beslag. Ook al zat Koenigs nu financieel aan de grond, hij kon het verzamelen niet laten. In stilte vormde hij een tweede collectie, die weliswaar veel kleiner was dan de eerste, maar altijd nog zo'n 200 tekeningen omvatte van, onder anderen, Dürer, Rembrandt, Veronese, Ingres, Cézanne en Degas.

Toen in 1939 de dreiging van nazi-Duitsland steeds groter werd en de joodse familie Kramarsky besloot naar de Verenigde Staten uit te wijken, stond Museum Boymans voor de keuze: of de collectie-Koenigs kopen of haar in de diaspora voor Nederland verloren zien gaan. Aangezien het museum bij lange na niet over voldoende financiële armslag beschikte, benaderde directeur D. Hannema twee vooraanstaande Rotterdamse verzamelaars, W. van der Vorm en D.G. van Beuningen, met het verzoek de collectie-Koenigs te kopen en aan het museum te schenken. De zaak liep echter niet zoals Hannema had gehoopt. Tot vreugde van het echtpaar Koenigs werd Van Beuningen weliswaar de nieuwe eigenaar van de hele verzameling, maar in plaats van haar af te staan aan Museum Boymans verkocht hij tussen juni 1940 en januari 1941 526 bladen aan H.E. Posse, die voor het door Hitler geplande Führermuseum in Linz overal in bezet Europa kunstvoorwerpen kocht of confisqueerde. De tekeningen uit de collectie-Koenigs werden naar Duitsland overgebracht, waar het terugtrekkende Russische leger de verzameling als oorlogsbuit meenam naar de Sovjetunie.

Begin 1939 liet Koenigs zich tot Nederlander naturaliseren, vanwege zijn afkeer van de nazi's en om te voorkomen dat een van zijn zoons, die net de dienstplichtige leeftijd had bereikt, in het Duitse leger zou moeten vechten. Koenigs werd nooit lid van de nationaal-socialistische partij en stond om die reden slecht bekend bij vurige nazi's. Na de Duitse inval werd hij opgepakt en enkele dagen voor verhoor vastgehouden. H.C.H. Wohltat, de Beauftragter van de Nederlandsche Bank, had weinig vertrouwen in Koenigs en eiste, met succes, dat deze zich uit de directie van de Rhodius-Koenigs' Handel Maatschappij terugtrok. Hij behield echter zijn zetel in de raad van commissarissen.

Ondanks zijn ontslag als directeur bleef Koenigs goede zaken doen met de Duitsers. Hij was uitstekend ingevoerd in het politieke en economische machtspel aan de nazi-top. Koenigs had commissariaten bij Krupp en Bayer, en was bevriend met onder anderen H. Abs, een vroegere volontair bij Rhodius-Koenigs' en later topman van de Deutsche Bank, en A. Miedl, een obscure speculant, kunsthandelaar en vriend van Reichsmarschall H.W. Göring. De Rhodius-Koenigs' Handel Maatschappij zelf voer een dermate bedenkelijke koers dat zij door de Britse regering op de 'black-list' werd geplaatst.

Begin mei 1941 verongelukte Koenigs. Bij het instappen in een rijdende trein op het station in Keulen kwam hij tussen de trein en het perron terecht. Zijn ruggegraat werd verbrijzeld en Koenigs overleed. Direct na het ongeval deden geruchten de ronde dat hij zou zijn vermoord door de nazi's of zelfmoord zou hebben gepleegd vanwege zijn schulden. Bewijzen hiervoor werden nooit gevonden.

Koenigs was in zakelijk opzicht een opportunist, die zich als een kameleon aan de veranderde omstandigheden van zijn tijd aanpaste. Met compromitterende bedrijven liet hij zich niet graag in, maar hij was genoeg realist om de profijtelijke kant van zaken in te zien en te waarderen. Intelligent als hij was, liet hij zijn aandeel in bedenkelijke transacties zoveel mogelijk uit de boeken. In zijn houding tegenover het Derde Rijk was Koenigs een typische representant van die industriëlen en bankiers die commerciële belangen lieten prevaleren en ertoe neigden de kwalijke aspecten van het Hitler-regime als toevallige uitspattingen te zien. In geen geval mochten deze excessen een obstakel vormen voor winstgevende handelsrelaties.

In familie- en vriendenkring was Koenigs een hoffelijk en beminnelijk mens, een grand seigneur met een grote en oprechte liefde voor kunst, sprankelend in zijn conversatie, ruimdenkend en zeer beschaafd. Het is dit contrast tussen het privé- en het zakelijk leven dat zo schril naar voren treedt. Het is deze gespletenheid die Koenigs' persoon zo complex maakt.

A: Consolidated Interrogation Report nr. 2, 15-9-1945 (The Goering Collection) en Consolidated Interrogation Report nr. 4, 5-12-1945 (Linz: Hitler's museum and library), supplement 1-5-1946 bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam (Doc. II 685b); Dossier-A. Flesche (inv. nr. 2.09.10, doos 16, map 104) in het archief van het Directoraat-Generaal voor de bijzondere rechtspleging, Bureau coördinatie economische delicten bij het ministerie van Justitie te 's-Gravenhage (niet openbaar).

L: Frits Lugt, Les Marques de collections de dessins & d'estampes... . Supplément ('s-Gravenhage, 1956) 149-150; J.C. Ebbinge Wubben, 'De tekeningen-verzameling in het Museum Boymans', in E. Haverkamp Begemann, Vijf eeuwen tekenkunst. Tekeningen van Europese meesters in het Museum Boymans te Rotterdam (Rotterdam, 1957) iii-vi; D. Hannema, Flitsen uit mijn leven als verzamelaar en museumdirecteur (Rotterdam, 1973); J.C. Ebbinge Wubben, 'Van Museum Boymans tot Museum Boymans-van Beuningen: herinneringen aan enkele verzamelaars', in Essays in northern European art, presented to Egbert Haverkamp Begemann ... (Doornspijk, 1983) 76-82; Adriaan Venema, Kunsthandel in Nederland 1940-1945 (Amsterdam, 1986) 286-287, 521-522; A.F.W.M. Meij en Jurriaan A. Poot, Nineteenth-century French drawings from the Museum Boymans-van Beuningen [Tentoonstellingcatalogus Museum Boymans-van Beuningen te Rotterdam, 1987] (Rotterdam, 1987) 9-11; Albert J. Elen, Missing old master drawings from the Franz Koenigs collection, claimed by the State of the Netherlands ('s-Gravenhage, 1989); Ger Luijten, 'Geschiedenis van de Rotterdamse tekeningenverzameling', in Van Pisanello tot Cézanne. Keuze uit de verzameling tekeningen in het Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam [Tentoonstellingscatalogus Museum Boymans-van Beuningen te Rotterdam, 1990] (Rotterdam, 1990) 9-12; Lucette ter Borg, 'Het leven van verzamelaar Franz Wilhelm Koenigs', NRC Handelsblad , 16-11-1990.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 825.

Lucette ter Borg


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013