Kruijt, Jakob Pieter (1898-1975)

 
English | Nederlands

KRUIJT, Jakob Pieter (1898-1975)

Kruijt, Jakob Pieter, socioloog (Zaandijk 18-12-1898 - De Bilt 3-12-1975). Zoon van Cornelis Simon Kruijt, fabrieksarbeider, en Guurtje Pondman. Gehuwd op 1-11-1922 met Geertje Benjamin. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Kruijt, Jakob Pieter

Jakob Kruijt groeide op in een Zaans arbeidersgezin dat met de doopsgezinde kerk had gebroken. Zijn ouders waren - sterk onder de indruk van het optreden van de socialistische voorman F. Domela Nieuwenhuis - een syndicalistisch-anarchistische levensovertuiging toegedaan. Kruijt doorliep de ulo in Koog aan de Zaan en volgde daarna, van 1914 tot 1918, een opleiding aan de Haarlemse Rijkskweekschool voor Onderwijzers, een van de broedplaatsen van de linkse intellectuele elite. Hij begon zijn onderwijzerscarrière in Hoofddorp, waar hij geen geheim maakte van de radicale opvattingen die hij van huis uit had meegekregen. Sinds 1918 lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) publiceerde hij een artikel in de Rode Meerbode , het lokale socialistische krantje, dat hem op een gerechtelijke aanklacht van de pastoor van Hoofddorp kwam te staan. Hij werd veroordeeld tot een geldboete en moest zelfs tijdelijk het onderwijs verlaten. Deze gebeurtenis vormde voor hem mede een aanleiding in 1921 naar Amsterdam te verhuizen. Tot 1931 zou hij hier lesgeven aan een ulo.

In 1923 begon Kruijt, inmiddels getrouwd, met een MO-studie aardrijkskunde aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Hij vond hier een stimulerende leermeester in de hoogleraar S.R. Steinmetz, de grondlegger van de sociografische school, die hem ertoe bracht om, na het behalen van de akte in 1927 en het afleggen van het staatsexamen HBS-B een jaar later, zijn studie op academisch niveau voort te zetten. In 1931 behaalde hij het doctoraal examen in de sociale geografie.

Nog dat zelfde jaar werd Kruijt leraar aardrijkskunde aan de gemeentelijke HBS te Arnhem en zeven jaar later ook aan het gemeentelijk gymnasium in die stad. In zijn vrije uren werkte hij intussen aan een dissertatie, getiteld De onkerkelijkheid in Nederland. Haar verbreiding en oorzaken. Proeve eener sociografische verklaring , waarop hij op 4 april 1933 cum laude bij Steinmetz promoveerde. Kruijts belangstelling voor godsdienst als maatschappelijk verschijnsel was gewekt door het werk van de Amsterdamse hoogleraar in de sociologie en criminologie W.A. Bonger. In zijn proefschrift combineerde hij Bongers sociologische invalshoek met de vergelijkende geografie van Steinmetz tot een 'reliografisch' overzicht van de onkerkelijkheid in de verschillende streken van Nederland. Dat Kruijt nog steeds radicaal geëngageerd was, bleek onder meer uit zijn gebruik van de 'socialistische' spelling. Zo schreef hij in zijn dissertatie hardnekkig over 'onkerkelikheid'. Kennelijk was dit de Universiteit van Amsterdam wat al te modern, zodat althans in de officiële titelbeschrijving de gebruikelijke schrijfwijze werd gehandhaafd.

Met dit proefschrift vestigde Kruijt zijn wetenschappelijke reputatie dermate stevig, dat hij in 1933 in aanmerking kwam voor de opvolging van Steinmetz. Hoewel de faculteit hem als eerste op de voordracht had geplaatst, gaf de gemeenteraad van Amsterdam echter de voorkeur aan H.N. ter Veen. Kruijt schijnt deze teleurstelling vrij gemakkelijk te hebben verwerkt. In ieder geval heeft deze kwestie noch zijn werklust noch zijn gedrevenheid voor de bestudering van godsdienst en maatschappij belemmerd.

Een van de onuitgesproken drijfveren achter Kruijts onderzoek was zijn afkeer van de conservatieve politieke en maatschappelijke rol die de kerk als instituut en de kerkgangers als georganiseerde groep doorgaans speelden. Dat deze maatschappelijke rol in Kruijts ogen los kon worden gezien van de 'echte' geloofsinhoud, bleek uit de conclusie van zijn dissertatie. Daarin vatte hij het proces van ontkerkelijking op als een 'zuiveringsproces', dat het gehalte van het kerkelijk leven, van de geloofsinhoud, ten goede zou komen. Vooral het vrijzinnig protestantisme was volgens hem op deze weg al ver gevorderd, en in een dergelijk milieu konden geloof en links maatschappelijk engagement in beginsel samengaan. Van belang voor Kruijts welwillende beoordeling van het religieus socialisme was het contact met W. Banning, directeur van het centrum van de Nederlandse Woodbrookersvereniging. Deze speelde als predikant in de jaren dertig een belangrijke rol bij het streven de SDAP van een klassepartij om te vormen tot een door brede lagen van de bevolking gedragen ethische beweging. Door hun contact met Banning werden Kruijt en zijn vrouw gewonnen voor het religieuze socialisme. Geregeld bezochten zij dan ook de bijeenkomsten van de Arbeiders-Gemeenschap der Woodbrookers in Bentveld. Tijdens de oorlog werd het echtpaar door Banning gedoopt en bevestigd als lid van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Tegen deze achtergrond moet Kruijts benoeming in 1945 tot directeur van het Sociologisch Instituut van de Nederlandse hervormde kerk (SINHK) te Utrecht worden begrepen. Dit instituut wenste godsdienstige inspiratie en maatschappelijk engagement te grondvesten op sociaal-wetenschappelijke analyses. De 'reliografie' werd tot 'pastorale sociologie'. Kruijt, die tijdens zijn directeurschap tevens optrad als docent op het Nederlands-hervormde opleidingsinstituut 'Kerk en Wereld' te Driebergen, was op alle drie genoemde fronten actief, zoals blijkt uit zijn publicitaire activiteit. Hij leverde bijdragen aan een keur van tijdschriften en had zitting in de redactie van enkele daarvan. Zo schreef hij onder meer in godsdienstig georiënteerde periodieken als Wending en Theologie en Practijk , in 'doorbraaktijdschriften' als Het Gemeenebest en Volkseenheid en bovendien voor sociaal-democratische organen als de Socialistische Gids en Socialisme en Democratie . Daarnaast bleef hij wetenschappelijk actief, getuige zijn artikelen in velerlei vaktijdschriften.

Wat al deze publikaties gemeenschappelijk hadden, was Kruijts bezorgdheid over het gebrek aan sociale cohesie in de moderne, geïndustrialiseerde samenleving. Dit klassiek-sociologische thema diende zijns inziens door wetenschappelijke analyse, godsdienstige bezinning en politiek handelen te worden opgelost. Deze combinatie van wetenschap en wereldbeschouwing viel Kruijt niet altijd gemakkelijk. In zijn geschriften was hij ook minder bevlogen en zweverig dan Banning. Zijn redeneertrant was voor alles nuchter en zakelijk. Vandaar wellicht zijn overstap in 1947 naar het hoogleraarschap in de sociologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht.

Als hoogleraar verloochende Kruijt zijn inspiratiebronnen overigens niet, noch raakte hij zijn engagement kwijt. Hij bleef in alle soorten tijdschriften publiceren over thema's als gemeenschap, stad en land, verzuiling, het bevolkingsvraagstuk en nieuwe sociale verhoudingen; deze laatste waren het onderwerp van zijn oratie Arbeiders en nieuwe middenstand uit 1947.

Toch gingen wetenschap en wereldbeschouwing voor Kruijt niet probleemloos samen. Herhaaldelijk gaf hij er blijk van met deze materie te worstelen. Enerzijds wenste hij als wetenschapsman ernstig genomen te worden, juist ook door 'andersdenkenden', anderzijds was hij niet bereid zijn levensovertuiging uit zijn wetenschappelijk werk te bannen. Deze kwestie was van meer dan louter academisch belang. Godsdienstig geïnspireerd sociaal onderzoek werd in universitaire kring als niet-objectief beschouwd en als onwetenschappelijk gediskwalificeerd. Kruijt verwierp deze tegenstelling en betoogde, in navolging van de Duitse socioloog Max Weber, dat weliswaar elke sociologische analyse een waardebetrokken uitgangspunt kende, maar dat het empirische onderzoek op wetenschappelijke wijze, zonder waardeoordelen, kon worden uitgevoerd. Kruijts toepassing van dit beginsel op het terrein van de godsdienstsociologie leidde inderdaad tot geëngageerde en tegelijkertijd afstandelijke analyses, bijvoorbeeld ten aanzien van het verschijnsel verzuiling. Het bracht hem van tijd tot tijd in aanvaring met meer bevlogen politieke en religieuze medestanders.

Anderzijds bleef Kruijt van mening, dat de wetenschap een weliswaar belangrijke, maar niettemin beperkte rol in het menselijk leven vervulde; de ultieme antwoorden kon zij niet geven. Men mocht, zo schreef hij in 1952 in een artikel over 'De waarde-vrijheid bij Max Weber' (in Mens en Maatschappij (27 (1952) 353-380), de wetenschap niet almachtig maken, men moest erkennen 'dat zij grenzen heeft, dat zij de totale werkelijkheid niet kan omvatten, dat zij bijvoorbeeld de gelding van de laatste waarden, of de waarheden van het geloof, of de diepste beslissingen voor het handelen waarvoor wij geplaatst zijn, niet kan geven' (p. 373). In de periode van Kruijts professoraat, van 1947 tot 1968, werd deze laatste opvatting hem nu juist in de jonge, ambitieuze wetenschap van de sociologie niet in dank afgenomen.

Een vergelijkbare middenpositie heeft Kruijt ingenomen bij de opbouw van de snel groeiende Utrechtse opleiding in de sociologie. Hij stond voor een onderwijsprogramma waarin de sociografische erfenis van Steinmetz gecombineerd werd met de meer abstracte, uit de Verenigde Staten geïmporteerde, zogeheten moderne sociologie. Naast theorie moest in zijn ogen de opleiding tot socioloog een substantiële empirische component blijven bevatten. Waarschijnlijk heeft Kruijt zijn toelating tot de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen in 1953 mede als erkenning van beide standpunten gezien.

Kruijts didactische belangstelling bleef niet beperkt tot de universitaire opleiding in de sociologie. Zij viel ook terug te vinden in de blijvende bemoeienis met zijn oude liefde, het aardrijkskundeonderwijs. Kruijt had een grote naam als auteur van schoolboeken op dit terrein. Ook zijn bemoeienis met het vooroorlogse Instituut voor Arbeidersontwikkeling en zijn activiteiten binnen de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, de Volksuniversiteit en de Volkshogescholen wijzen op een diepgaande betrokkenheid bij de zaak van het openbaar onderwijs en bij de volksontwikkeling. Deze educatieve gedrevenheid bewijst dat Kruijt in hart en nieren altijd onderwijzer is gebleven in de beste zin des woords.

P: G.H. Agterberg, Bibliografie van publikaties van J.P. Kruijt (Utrecht, 1967) [Niet uitgegeven, maar raadpleegbaar bij de afdeling documentatie van de bibliotheek van de afdeling sociologie van de RU Utrecht]. Een 'Beknopte bibliografie' tot 1968 is opgenomen in de afscheidsbundel met verspreide opstellen van Kruijt Zoeklicht en kompas . Onder red. van Sj. Groenman [e.a.] (Assen, 1968) 355-362.

L: Behalve necrologieën o.a. door E.W. Hofstee, in Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1975 (Amsterdam, 1976) 218-222; door A.H.F. Bredemeijer, in Geografisch Tijdschrift 10 (1976) 341; door P.H. Vrijhof, in Sociologische Gids 23 (1976) 4-5: Sj. Groenman, 'Kruijt als humaan socioloog', en P.H. Vrijhof, 'Kruijt en de godsdienstsociologie', in de onder P genoemde bundel Zoeklicht en kompas , 1-13.

I: Zoeklicht en kompas . Onder red. van Sj. Groenman [e.a.] (Assen, 1968) afbeelding tegenover titelblad.

E. Jonker


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013