Laar, Adolf Robbert van de (1871-1959)

 
English | Nederlands

LAAR, Adolf Robbert van de (1871-1959)

Laar, Adolf Robbert van de, politicus en publicist (Gendringen (Gld.) 22-4-1871 - Amersfoort 19-1-1959). Zoon van Jacob Willem van de Laar, burgemeester van Gendringen, en Anna Isabella van Woelderen.

Van de Laar groeide op in een Nederlands hervormd burgemeestersgezin in het overwegend Rooms-katholieke Gendringen. Hij doorliep het gymnasium in Doetinchem, en studeerde sinds 1890 rechten aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Op 6 april 1895 deed Van de Laar cum laude het doctoraal examen, waarna hij drie maanden later, op 10 juli, eveneens cum laude, bij professor J. de Louter tot doctor in de staatswetenschappen promoveerde op het proefschrift Landnationalisatie. Beoordeling van de vóór en tegen landnationalisatie aangevoerde gronden . Dit onderwerp was op dat moment zeer actueel in verband met de toen heersende agrarische depressie. Diezelfde dag promoveerde hij tevens op stellingen tot doctor in de rechten.

Na zijn promotie was Van de Laar van 1895 tot 1901 leraar staathuishoudkunde aan de rijks-HBS in Zaltbommel en van 1896 tot 1903 leraar staatswetenschappen aan de rijks-HBS te Utrecht. In deze laatste stad raakte hij bevriend met de Nederlands hervormde predikant en publicist A.W. Bronsveld, een fel bestrijder van de antirevolutionaire voorman A. Kuyper, vooral om diens opportunistische samenwerking met de katholieken. Deze probeerde Van de Laar in 1897 tevergeefs te betrekken bij de pas opgerichte Christelijk-Historische Kiezersbond. Wel werd hij in dat jaar lid van het hoofdbestuur van de Nationale Christen-Geheelonthoudersvereeniging; tot 1907 zou hij hierin zitting hebben.

In 1903 werd Van de Laar voor het eerst actief op sociaal-politiek terrein. Hij keerde zich toen tegen de spoorwegstakingen en trad op voor het door de christelijke vakorganisaties in het leven geroepen Comité van Verdediging. Kort na het einde van de stakingen werd bij Van de Laar tuberculose geconstateerd, waardoor hij zich gedwongen zag vijf jaar rustend door te brengen op het landgoed 'Engbergen' in Gendringen, dat hij na het overlijden van zijn ouders had geërfd.

Vanaf zijn ziekbed schreef Van de Laar eind 1908 onder het pseudoniem mr. S. van Ruyssevelt een tweetal Politiek-Sociale Vlugschriften . Deze publikaties zette hij vanaf januari 1909 onder eigen naam voort in het door hem opgerichte tijdschrift De Klaroen , vanaf 1910 tevens in het eveneens door hem geredigeerde weekblad De Beukelaar . In deze bladen oefende Van de Laar scherpe kritiek uit op de coalitie. Behalve haar te behoudende sociale politiek en het, in zijn ogen, voor de protestanten nadelige 'samengaan van Dordt en Rome' verweet hij de coalitie dat zij bij haar 'succes-politiek' onbehoorlijke, niet-christelijke middelen gebruikte. Niet de antithese tussen christenen en niet-christenen, maar de tegenstelling tussen sociaal-conservatief en sociaal-progressief zag hij als essentieel.

De kritiek van Van de Laar culmineerde op 18 november 1912 in de oprichting van de Christelijk-Sociale Partij (CSP), waarvan hij de voorzitter werd. Toenaderingspogingen van de Bond van Christen Socialisten tot zijn CSP wees hij af, omdat hij de idee van volledige socialisatie verwierp. Van de Laar voelde meer voor de oplossing van het sociale vraagstuk in bedrijfsmedeëigendom, winstdeling en medezeggenschap voor de arbeiders; in die tijd trouwens even utopisch beschouwd als de socialistische idealen.

Bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1913 kreeg Van de Laars partij onvoldoende stemmen, maar de deelneming daaraan hielp wel stemmen aan de rechtse coalitie te onttrekken en deze een nederlaag te bezorgen. De wijziging van het kiesstelsel en een algemenere wending bij het electoraat naar links bracht Van de Laar in september 1918 via een restzetel in het parlement. Zijn intrede daar ging niet ongemerkt voorbij, want hij bleek een begenadigd spreker. 'Zijn woordenstroom overweldigt de kamer. De leden staan in een kring om hem heen', noteerde de vrijzinnig-democraat P.J. Oud naar aanleiding van zijn eerste optreden, en de vrij-liberaal A.C. Visser van IJzendoorn noemde hem bij die gelegenheid 'iemand die zich zelf dronken praat' (Oud, 32).

Van de Laar richtte zich in de Tweede Kamer vooral op zaken als handhaving van het processieverbod, afschaffing van het gezantschap bij het Vaticaan en verbetering van de positie van lagere ambtenaren. Opmerkelijk was het standpunt van Van de Laar inzake het onderwijsvraagstuk: als enige vertegenwoordiger van een der christelijke partijen stemde hij tegen de financiële gelijkstelling van het bijzonder met het openbaar onderwijs, omdat deze gelijkstelling zijns inziens tot een godsdienstloze openbare school zou leiden en daarom in strijd zou zijn met de antirevolutionaire beginselen van Groen van Prinsterer. Verder gaf hij, waarschijnlijk onder invloed van de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, vanaf 1920 in de Kamer blijk van een sterk antimilitarisme.

Het ontbreken van enige samenhang tussen de belangrijkste strijdpunten van de CSP was er in belangrijke mate voor verantwoordelijk dat Van de Laar in 1922 niet werd herkozen en op 25 juli zijn kamerlidmaatschap moest opgeven. Hij zag zich gedwongen zich vooral bezig te houden met de fruitkwekerij die tot zijn landgoed behoorde, alsmede met de NV Nationale Spaar- en Beleggingskas, waarvan hij hoofddirecteur was.

Een eind 1924 ondernomen poging om voor de Tweede-Kamerverkiezingen van 1925 tot een bundeling van de progressief-protestantse groeperingen te komen mislukte door meningsverschillen tussen Van de Laar en A.P. Staalman, de leider van de Christen-Democratische Partij. Op aandrang van Van de Laar besloot de CSP in februari 1925, met het oog op de komende verkiezingen, haar naam te wijzigen in Protestantsche Volkspartij (PVP), ten dele om de indruk van 'socialisme' weg te nemen, maar vooral om meer dan tevoren de nadruk te leggen op het antipapistisch streven. Toch wist de PVP ook hiermee geen kamerzetel te behalen.

In de zomer van 1926 besloot Van de Laar plotseling zich volledig uit de politiek terug te trekken. Hij bedankte voor het lidmaatschap van de gemeenteraad van Gendringen - waar hij al die tijd was blijven wonen - en van de Provinciale Staten van Gelderland. Van beide colleges was hij sinds 1919 lid geweest. Terzelfder tijd noopte een enorme schuld, die vooral was ontstaan door het financieren van veel partijactiviteiten, Van de Laar tot de verkoop van zijn landgoed. Ten slotte zegde hij die zomer ook het lidmaatschap van de Nederlandsche hervormde kerk op, waarna hij met stille trom uit Gendringen vertrok. Dit alles had te maken met de beschuldiging dat Van de Laar de goede zeden zou hebben overtreden. Volgens mondelinge overlevering zou namelijk in de zomer van 1926 zijn uitgelekt dat hij homoseksueel was.

Na zijn vertrek uit Gendringen vestigde Van de Laar zich in Turnhout in België. Daar verdiende hij de kost met tal van baantjes, meestentijds als vertegenwoordiger. In 1929 keerde hij naar Nederland terug en begon in Hilversum een makelaardij in hypotheken en gronden. Na de oorlogsjaren in Baarn te hebben doorgebracht, verhuisde Van de Laar in 1945 naar Amersfoort, waar hij de rest van zijn leven zou blijven wonen. Politiek werd hij nimmer meer actief.

Van de Laar was in het kleine protestants-progressieve wereldje van het eerste kwart van de 20e eeuw een opvallend politicus. Hij beschikte over een groot redenaarstalent, hoewel hij soms iets te fel en te breedsprakig was, wat zich dan tegen hem keerde. Ook zijn ongestructureerde manier van werken en het feit dat hij te veel taken op zich nam, had een negatieve invloed op zijn politieke optreden. Van de Laar paarde een diep gefundeerde christelijke overtuiging aan een grote sociale bewogenheid. Dit kwam niet alleen tot uiting in de aandacht die hij in het parlement en in zijn artikelen steeds aan de sociale kwestie besteedde, maar ook in zijn handelen. Zo was hij voor het personeel van zijn fruitkwekerij een voortreffelijk werkgever en verleende hij financiële steun aan sociaal zwakkeren.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties vele honderden artikelen in o.a.: De Klaroen , De Beukelaar , De Volkseenheid en Protestantsche Volkspartij .

L: P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1918-1940 I: 1918-1922 (2e dr.; Assen, 1968); H.J. Langeveld, Protestants en progressief. De Christelijk-Democratische Unie 1926-1946 ('s-Gravenhage, 1988); J.M. Nieuwenhuisen, De Christelijk Sociale Partij 1912-1925 (Ongepubliceerde doctoraalscriptie geschiedenis Vrije Universiteit; Amsterdam, 1989); idem, 'De Christelijke-Sociale Partij en het sociale vraagstuk', in Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging nr. 25 (mrt. 1992) 15-37.

J.M. Nieuwenhuisen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013