Leijds, Willem Johannes (1859-1940)

 
English | Nederlands

LEIJDS, Willem Johannes (1859-1940)

Leijds, Willem Johannes, (bekend onder de naam Leyds), ambtenaar en diplomaat in dienst van de Zuid-Afrikaanse Republiek (Magelang (Nederlands-Indië) 1-5-1859 - 's-Gravenhage 14-5-1940). Zoon van Willem Johannes Leijds, gouvernements-onderwijzer in Nederlands-Indië, en Trijntje van Beuningen van Helsdingen. Gehuwd op 10-7-1884 met Louisa Wilhelmina Susanna Roeff, onderwijzeres. Uit dit huwelijk werden, behalve 1 jong overleden zoon, 1 zoon en 1 dochter geboren. Na haar overlijden (14-1-1907) gehuwd op 8-10-1910 met Anna Castens. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Leijds, Willem Johannes

Toen Willem Leyds zes jaar oud was, overleed zijn vader in Batavia. Zijn moeder besloot daarop met haar vier zoons en dochter te repatriëren. Zij vestigden zich in Amsterdam, in weinig riante omstandigheden. Een studiebeurs stelde de jonge Leyds in staat van 1874 tot 1878 de Rijkskweekschool in Haarlem te doorlopen. Vervolgens was hij werkzaam in het onderwijs. Na het toelatingsexamen schreef hij zich in 1880 in als student rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens deze, met het geven van lessen bekostigde studie bleken zijn bijzondere intellectuele gaven: alle examens werden met lof afgelegd en ook zijn promotie op 11 juni 1884 bij prof. G.A. van Hamel op het proefschrift De rechtsgrond der schadevergoeding voor preventieve hechtenis was cum laude. Door zijn leermeesters de hoogleraren J.P. Moltzer en N.G. Pierson in contact gebracht met een Transvaalse deputatie die toen juist, onder leiding van staatspresident S.J.P. Kruger, een rondreis door Europa maakte, aanvaardde hij, na enige aarzeling, het aangeboden ambt van staatsprocureur van de Zuid-Afrikaanse Republiek. Op 6 oktober 1884 trad hij te Pretoria in functie.

Als jeugdig staatsprocureur - bij zijn benoeming was hij slechts 25 jaar oud - stond Leyds aan het hoofd van het openbaar ministerie, de politie en het gevangeniswezen in Transvaal; hij nam deel aan de beraadslaging over justitiële zaken in de Uitvoerende Raad, was regeringsadviseur in juridische kwesties en fungeerde dus feitelijk als minister van Justitie. Leyds spande zich vooral in om de jonge Transvaalse republiek te voorzien van een goed functionerend justitieel apparaat. Hoewel hij naar Zuid-Afrika was gegaan met het vaste voornemen na beëindiging van zijn driejarig dienstverband naar Nederland terug te keren, voelde hij zich in zijn verantwoordelijke functie steeds meer in zijn element en raakte hij allengs nauwer bij zijn tweede vaderland betrokken. Ondanks enkele botsingen en conflicten won de steile, maar efficiënte, jonge staatsprocureur het volle vertrouwen van Kruger, en mede op grond hiervan stemde de Volksraad ermee in dat hij in 1887 opnieuw voor een termijn van drie jaar werd benoemd.

Ook de aanstelling van Leyds tot staatssecretaris, op 26 juni 1888, wijst in die richting. In deze laatste functie kon hij overigens pas op 1 mei 1889, na het bereiken van de voorgeschreven leeftijd van dertig jaar, optreden. Het staatssecretariaat was het administratieve centrum van de Zuid-Afrikaanse Republiek: de verbindende schakel tussen wetgevende en uitvoerende macht, ministerie van Binnen- en Buitenlandse Zaken ineen. Als staatssecretaris had Leyds zitting in de Uitvoerende Raad en was hij - tot in 1892 - Notulen-houder (: griffier) van de Volksraad. Samen met de staatspresident vormde hij de kern van de Transvaalse regering. Leyds, steeds hechter met Kruger verbonden, stemde geheel in met diens politieke doelstellingen.

Leyds werd staatssecretaris op het moment dat de ontwikkeling van de mijnbouw aan de Witwatersrand en de daardoor veroorzaakte bevolkingstoename de tot dan toe overwegend agrarische Transvaalse samenleving voor ingrijpende veranderingen plaatsten. Deze vereisten wetgeving en maatregelen op tal van terreinen, reorganisatie en uitbreiding van de staatsdienst, ontwikkeling van de infrastructuur op het gebied van verkeer, communicatie, onderwijs, financiën en openbare voorzieningen. Leyds' werkkracht en kwaliteiten als bestuurder werden algemeen erkend, ook door de oppositie, die hem overigens wel bevoordeling van Nederlanders en starre hantering van het Transvaalse zelfstandigheidsstreven verweet.

Inderdaad had Leyds een belangrijk aandeel in de verlening van de spoorwegconcessie aan de Nederlandsche Zuid-Afrikaansche Spoorweg-Maatschappij in 1887 en de benoeming van ambtenaren en onderwijzers van Nederlandse afkomst. Evenals Kruger zag Leyds hierin echter een middel ter versterking en ontwikkeling van de culturele en politieke zelfstandigheid van de Boerenvrijstaat. Iedere vorm van Britse inmenging wees hij af als strijdig met de bij het Londense Tractaat van 1884 erkende onafhankelijkheid van Transvaal. Ten tijde van de Jameson Raid, in januari 1896, vertoefde Leyds om gezondheidsredenen in Europa. Een onderhoud dat hij kort daarna had met de Britse minister van Koloniën, Joseph Chamberlain, overtuigde hem van de ernstige dreiging die het Britse imperialisme inhield.

Een keelaandoening die hem in toenemende mate hinderde bij de uitoefening van zijn functie, alsmede gezinsoverwegingen brachten Leyds er in mei 1898 toe het zware ambt van staatssecretaris neer te leggen. Bovendien kwam hij zo tegemoet aan de toenemende kritiek en politieke druk tot verafrikaansing van de hoge bestuursambten in het land.

Vervolgens werd Leyds benoemd tot gezant van de Zuid-Afrikaanse Republiek in Europa, met als standplaats Brussel. Toen de spanningen tussen Groot-Brittannië en de Zuid-Afrikaanse Republiek opliepen, waarschuwde hij niet te rekenen op steun van de Europese mogendheden. Nadat op 11 oktober 1899 de Anglo-Boerenoorlog was uitgebroken, werd het Leyds' voornaamste taak de pro-Boer gezindheid in Europa te stimuleren en de hulpverlening te coördineren. Zijn Brusselse gezantschap werd het centrum van een wijdvertakte propagandacampagne, uitgangspunt van geheime contacten met de strijdende Boeren in Zuid-Afrika en van diplomatieke acties, die er onder meer op waren gericht erkenning van de Britse annexatie van de Zuid-Afrikaanse Republiek en de Oranje Vrijstaat in 1900 te voorkomen. Uiteraard was Leyds verantwoordelijk voor de rondreis van de deputatie Wessels-Wolmarans-Fischer, die in het voorjaar van 1900 vergeefs hulp en steun kwam zoeken voor de reeds verloren zaak van de Boerenrepublieken, en de tocht door Europa van de in november van dat jaar in ballingschap gegane president Kruger.

De beëindiging van de oorlog op 31 mei 1902 betekende voor Leyds het verlies van zijn diplomatieke ambt. Hoewel slechts 43 jaar oud zocht hij geen nieuwe werkkring; sedert 1905 woonde hij als ambteloos burger in Den Haag. Pas in 1926 zou hem - ook met terugwerkende kracht - door de Zuidafrikaanse regering een pensioen worden uitgekeerd. Krachtens een afspraak met de generaals L. Botha, J.H. de la Rey en C.R. de Wet bleef hij in beheer van de gezantschapsarchieven en het restant van de financiële middelen, hem in juli 1900 door de Transvaalse regering toevertrouwd. Gedurende een aantal jaren kon hij daarmee verscheidene activiteiten ondersteunen, gericht op de versterking van het Afrikaner volksdeel en zijn cultuur. Leyds was ook de opsteller van Paul Krugers 'politieke testament' en vergezelde in 1904 diens stoffelijk overschot tot aan Kaapstad. Pas in 1909 bracht hij weer een bezoek van enkele maanden aan Zuid-Afrika.

Teruggetrokken levend in Den Haag legde Leyds zich vooral toe op de bezorging van de door hem beheerde archieven - na 1930 in gevolge een overeenkomst met minister D.F. Malan naar Pretoria verscheept -, en de geschiedschrijving van de zaak waarvoor hij met zoveel volharding had gestreden. Reeds in 1906 verscheen De eerste annexatie van de Transvaal . Het vervolg in twee delen, Het insluiten van de Boeren-Republieken , kwam in 1914 gereed, maar Leyds stelde publikatie uit tot 1919, omdat hij enerzijds wars was van iedere Duitse poging hem voor anti-Britse propaganda te gebruiken, terwijl hij anderzijds zijn aanklacht tegen het Britse imperialisme niet wilde matigen. Zijn beschrijvingen, die tevens waren bedoeld als rechtvaardiging van zijn vroegere beleid, legden alle schuld voor de twee Boerenoorlogen op de schouders van de Britse bewindslieden en politici; dezen zouden van begin af aan de verovering van de Boerenrepublieken hebben voorgestaan. Vervolgens publiceerde Leyds een brede selectie van zijn ambtelijke Correspondentie uit de jaren 1899-1902, gedeeltelijk ook ter weerlegging van de aantijging als zou hij zijn regering tot oorlog hebben aangespoord door haar Duitse hulp voor te spiegelen. Ook gaf hij een bundel persoonlijke correspondentie uit zijn eerste jaren in de Transvaal uit, alsmede enkele kortere herinneringen, die onder meer zijn grote waardering voor Kruger tonen. Hoezeer Leyds inmiddels door de Afrikaners werd geëerd, bleek uit de hem daar verleende eredoctoraten: in 1934 door de Universiteit van Pretoria en in 1939 door de Universiteit van Stellenbosch.

Leyds was een sterke persoonlijkheid, een scherpzinnig en bekwaam bestuurder en harde werker, niet vrij van ijdelheid en niet altijd gelukkig in de keuze van zijn medewerkers, aan wie hij bovendien weinig handelingsvrijheid liet. Als gezant toonde hij groot inzicht in het belang van de publieke opinie. Een man van intellect en kunstzinnige aanleg, was Leyds een goed musicus en verdienstelijk tekenaar. Zijn levensbeschouwing was vrijzinnig-liberaal. Hij bewaarde in verscheidene opzichten afstand tot de Afrikaners en hun cultuur, bezigde bijvoorbeeld nooit de Afrikaanse taal, maar vereenzelvigde zich zozeer met het Republikeinse streven naar ontwikkeling van de eigen nationale identiteit en onafhankelijkheid, dat hij ook na 1902 zijn leven daaraan dienstbaar maakte.

A: Collectie-W.J. Leyds in de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. W.J. Leyds-Argief in het Staatsargief te Pretoria (Zuid-Afrika).

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties o.a.: 'Herinneringen aan President Krüger', in Dietsche Stemmen 3 (1918) 201-208; Eenige correspondentie uit 1899 ('s-Gravenhage, 1919); Tweede verzameling (Correspondentie 1899-1900 ) (2 dln.; 's-Gravenhage, 1930); Derde verzameling (Correspondentie 1900 ) (2 dln.; 's-Gravenhage, 1931); Vierde verzameling (Correspondentie 1900-1902) (2 dln.; 's-Gravenhage, 1934); Onze eerste jaren in Zuid-Afrika 1884-1889. Intieme correspondentie van mevrouw Louise W.S. Leyds-Roeff en dr. Willem J. Leyds (Dordrecht, 1938).

L: Behalve herdenkingsartikelen en necrologieën o.a in Het Vaderland , 30-4-1934; door [P.J.] d[e] K[anter], in Neerlandia. Maandblad van het Algemeen Nederlandsch Verbond 5 (1939) 65-66; door P.J. van Winter, in Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1941-1942 (Leiden, 1942) 108-112: Frans Netscher, 'Dr. W.J. Leijds', in idem, Karakters (Haarlem, 1899) 113-138; 'De archieven der Zuid-Afrikaansche Boerenrepublieken. Een onderhoud met dr. W.J. Leyds', in Nieuwe Rotterdamsche Courant , 17-7-1930; P.J. van Winter, Onder Krugers Hollanders. Geschiedenis van de Nederlandsche Zuid-Afrikaansche Spoorweg-Maatschappij (2 dln.; Amsterdam, 1937-1938); Kees van Hoek, Kruger days. Reminiscences of dr. W.J. Leyds (Londen, 1939); P.J. van Winter, 'Dr. Leyds en Zuid-Afrika', in Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1941-1942 (Leiden, 1942) 13-36; F.A. van Jaarsveld, 'Tyd en geskiedsbeeld. 'n Metodologies-kritiese ondersoek na die werk van dr. W.J. Leyds', in idem, Lewende verlede (Johannesburg, 1962) 101-112; G.J. Schutte, 'Mijn president. Herinneringen van dr. W.J. Leyds aan president S.J.P. Kruger', in Historia. Amptelike Orgaan van die Historiese Genootskap van Suid-Afrika 13 (1968) 161-174; idem, 'Nogmaals dr. W.J. Leyds over president Kruger en Zuid-Afrika', ibidem 14 (1969) 185-197; lemma door W.J. de Kock, in Standard Encyclopaedia of Southern Africa VI (Kaapstad, 1972) 612-614; lemma door D.W. Krüger, in Suid-Afrikaanse Biografiese Woordeboek III (Kaapstad, 1977) 529-533; L.E. van Niekerk, 'Dr. W.J. Leyds as gesant van die Zuid-Afrikaansche Republiek', in Argiefjaarboek vir Suid-Afrikaanse Geskiedenis 43 (1980) I, 1-375; idem, Kruger se regterhand. 'n Biografie van dr. W.J. Leyds (Pretoria, 1985).

I: Website Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren: http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=leyd008 [11-7-2007] [Portret: Jan Veth].

G.J. Schutte


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013