Lichtenauer, Wilhelm Franz (1900-1987)

 
English | Nederlands

LICHTENAUER, Wilhelm Franz (1900-1987)

Lichtenauer, Wilhelm Franz, secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam en bestuurder (Rotterdam 11-5-1900 - Rotterdam 5-2-1987). Zoon van Johan Christiaan Lichtenauer, handelaar in bladmuziek, en Petronella Johanna Mary Heyblom. Gehuwd op 21-6-1923 met Johanna Petronella van Rhijn. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. afbeelding van Lichtenauer, Wilhelm Franz

Als zoon uit een gegoed middenstandsmilieu bezocht Franz Lichtenauer de Eerste HBS voor Jongens te Rotterdam, waar hij uitblonk in Frans en geschiedenis; in het laatste vak was de stadshistoricus C. te Lintum zijn leraar. Na het afleggen van aanvullende staatsexamens gymnasium-A en -B studeerde hij van 1918 tot 4 oktober 1921 rechten aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Op 22 april 1932 promoveerde hij hier cum laude bij E.M. Meijers, hoogleraar in het burgerlijk recht, op het proefschrift De vernietigende verjaring en aanverwante rechtsfiguren beschouwd naar wezen, begrenzing en onderlinge verhouding . Lichtenauers rechtswetenschappelijke belangstelling concentreerde zich sindsdien voornamelijk op het zeerecht en het handelsrecht. Met de verschijning in 1956 van de Geschiedenis van de wetenschap van het handelsrecht in Nederland tot 1809 was volgens hemzelf de top van zijn kunnen op dit gebied bereikt. Hij zette er een streep onder en verkocht in 1968 zijn juridische bibliotheek.

In 1922 trad Lichtenauer in dienst van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam, waarvan hij in 1924 adjunct-secretaris werd en in 1935 secretaris (in 1942 algemeen secretaris). Vanaf het begin ontpopte hij zich als een intelligente en harde werker. Zo was van zijn hand het adres van de Rotterdamse Kamer van Koophandel aan de Tweede Kamer van 1924 ter voorkoming van financiële steunverlening van rijkswege aan de Amsterdamse Koninklijke Hollandsche Lloyd. Ook het adres aan de Eerste Kamer van 1926, waarin gepleit werd tegen de aanleg van een Antwerpen-Moerdijkkanaal, was door hem opgesteld. Mede op grond van dit stuk zou het ontwerp-tractaat met België in maart 1927 worden verworpen. In de brochure Het vraagstuk der havenschappen. Een bestuursprobleem uit 1927 - geschreven samen met H.J.D. van Lier, maar voornamelijk Lichtenauers werk - suggereerde hij de mogelijkheid om in Rotterdam tot de instelling van een autonoom havenbestuur te komen, een idee waarmee hij in zekere zin vooruit liep op het openbaar lichaam Rijnmond uit de periode 1965-1986. Tijdens de economische depressie van de jaren dertig stelde Lichtenauer adressen en nota's op tegen de protectionistische 'crisiswetgeving'. Als geen ander besefte hij welke schade de Franse 'surtaxes d'entrepôt et d'origine', de Belgische Rijnvaartpremies en de Duitse 'Seehafenausnahmetarife' aan het Rotterdamse bedrijfsleven konden toebrengen. Zo werd hij achter de energieke kamervoorzitters W.A. Engelbrecht (1930-1937) en K.P. van der Mandele (1938-1960) al snel een vrijwel onmisbare, stuwende kracht, op wiens goodwillreizen naar de Elzas en elders krachtig de Rotterdamse trompet werd geblazen.

Belangrijk was tijdens de crisis- en oorlogsjaren Lichtenauers rol in het lenigen der noden van bedrijfsgenoten. Hij was secretaris van de Stichtingen Rotterdam 1939 en 1940, en de ziel van de Stichting Centrale Voorziening (Rotterdam), tot welke oorlogsgedupeerde bedrijven zich tot ver na 1945 om hulp konden wenden. Tijdens de Duitse bezetting bezat de Kamer van Koophandel, dank zij de enorme inzet van Van der Mandele en Lichtenauer, als goed-Nederlandse instelling in feite veel meer gezag dan het 'foute' gemeentebestuur. Er ontstond een hechte samenwerking tussen Lichtenauer en de 'goede' gemeentelijke hoofdambtenaren ten behoeve van de urgente wederopbouw van stad en haven. Zeer intensief was zijn bemoeienis met de totstandkoming van het Groothandelsgebouw, waartoe de grossiers in zijn kantoor en onder zijn voorzitterschap reeds in de eerste dagen van mei 1945 het groene licht gaven. Als secretaris van de raad van beheer, en vanaf 1963 als lid en secretaris van de raad van commissarissen, bleef hij deze unieke schepping van nut.

Op 31 december 1950 nam Lichtenauer afscheid als algemeen secretaris van de Kamer van Koophandel. Wel bleef hij tot 1961 als gezaghebbend lid aan dit college verbonden, en vertegenwoordigde hij het in vele functies. Zijn bijzondere aandacht ging daarbij onder meer uit naar het afbetalingsstelsel, de makelaardij, de statistiek en de waterverbindingen en handelsrelaties van Rotterdam met het Franse Moezelgebied. Het voorzitterschap van de raad van bestuur van de cargadoors- en transportonderneming Kersten Hunik & Co, dat Lichtenauer in januari 1951 op zich nam, gaf hem zo weinig voldoening dat hij deze ondernemersbaan per 1 mei 1956 gaarne inruilde tegen het algemeen voorzitterschap van de havenwerkgeversorganisatie Scheepvaart Vereeniging Zuid, een functie die hem bovendien toeliet in het tweede deel van zijn leven ruim tijd te geven aan 'nevenwerkzaamheden' en hobby's.

Door aanleg en overtuiging was Lichtenauer reeds lang lid van de Christelijk-Historische Unie. Na twintig jaar voor deze partij op de kandidatenlijst voor de Eerste Kamer te hebben gestaan, werd hij tot zijn verrassing in 1956 plotseling tot lid gekozen. Van 3 juli van dat jaar tot 30 september 1961 had Lichtenauer hier zitting, met als specialismen verkeer en waterstaat en handel en scheepvaart. Hij raakte er onder de indruk van de waarde van de Eerste Kamer en verdedigde dit college met verve toen het bestaansrecht werd aangevochten.

Reeds vóór de Tweede Wereldoorlog lid van de Permanente Economische Nederlandsch-Belgisch-Luxemburgsche Commissie, werd Lichtenauer in 1947 voorzitter van de Nederlandse sectie van de door het Benelux-Comité ingestelde Economische Studiecommissie. Hierdoor kon hij bijdragen aan de verbetering van de economische betrekkingen tussen de Beneluxlanden, die naar zijn gevoelen mede door zijn toedoen, in 1927 ernstig verstoord waren geraakt. Als parlementariër in 1956 benoemd tot lid van de Beneluxraad droeg Lichtenauer bij tot de totstandkoming van een zo breed mogelijk samenwerkingsverband: de Benelux-Unie van 1958. Nadien trad hij van 1961 tot 1965 op als voorzitter van het Nederlandse Benelux-Comité. In Europees verband had hij van 1956 tot 1958 zitting in de Raad van Europa en van 1958 tot 1961 in het Europees Parlement. Als overtuigd Europeaan was Lichtenauer in zijn geliefde Straatsburg in zijn element, en hij werd er algemeen gewaardeerd om zijn kennis - vooral van de haven- en verkeersproblematiek - en zijn overige kwaliteiten.

Een hem door J. Algera, minister van Verkeer en Waterstaat, in 1957 aangeboden staatssecretariaat ambieerde Lichtenauer niet, en in 1959 ontging hem om formatietechnische redenen een ministerschap in het kabinet-De Quay. Ook aan het voorzitterschap van het Europees Parlement kwam hij net niet toe. Wel werd Lichtenauer op 1 oktober 1961 lid van de Raad van State, een functie die hij tot 1 februari 1973 zou uitoefenen.

Lichtenauer compenseerde zijn beroeps- en ambtshalve verrichte werk met kerkelijke, en een groeiend aantal culturele activiteiten. Van 1924 tot 1956 diende hij de Evangelisch-Lutherse gemeente in Rotterdam als diaken en voorzitter van de diaconie; van 1936 tot 1956 was hij lid van de synode en ondervoorzitter van de synodale commissie van de Evangelisch-Lutherse Kerk.

Lichtenauers grote hobby was evenwel de geschiedbeoefening. Hij was uitermate belezen en had een ijzersterk geheugen. Reeds in 1928 had hij in ijltempo het overgrote deel van het lijvige Gedenkboek Kamer van Koophandel en Fabrieken Rotterdam, 1803-1928 geschreven. Stimulerend voor zijn activiteiten als historicus was zijn lidmaatschap van de plaatselijke historische genootschappen 'De Maze' en 'Roterodamum', waarvan hij respectievelijk van 1948 tot 1973 en van 1947 tot 1973 de bezielende voorzitter was. Lichtenauers bijzondere belangstelling ging uit naar de Franse tijd, waaraan hij in de loop der jaren drie, op uitvoerig en nauwkeurig archiefonderzoek gebaseerde studies wijdde: Het bezoek van Napoleon aan Rotterdam, 25-27 oktober 1811 uit 1963, Rotterdam in november en december 1813 tussen Den Haag en Gorcum uit 1964 en het in 1971 verschenen De Nederlanders in Napoleons Garde d'Honneur . Daarnaast publiceerde hij een groot aantal artikelen in verschillende bundels en tijdschriften. Economische, economisch-statistische en juridische studies werden geleidelijk aan vervangen door zuiver historische. In Rotterdam bekleedde Lichtenauer ten slotte verschillende bestuursfuncties in culturele verenigingen en organisaties. Van 1956 tot 1965 was hij de eerste voorzitter van de Culturele Raad van Zuid-Holland.

De erudiet Lichtenauer eiste veel van zichzelf, cijferde zichzelf niet weg en was vaak scherp in zijn oordeel over anderen. In wezen was hij echter een bescheiden en hulpvaardige man, vol zin voor humor, aimabel en attent, en wars van uiterlijk vertoon. Tot het laatst toe actief, woekerde hij met de vele talenten die hij bezat.

A: Familiearchief Lichtenauer in het Gemeentearchief te Rotterdam.

P: Bibliografie in de onder L genoemde bundel Mr W.F. Lichtenauer, een Rotterdammer van allure , 124-149. Hierin is ook een 'Selectie uit het werk van mr W.F. Lichtenauer' opgenomen (pp. 151-291).

L: R.A.D. Renting, in Rotterdams Jaarboekje 1987 (Rotterdam, 1987) 132-163; G.W. Huygens, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1987-1988 (Leiden, 1989) 168-179; Mr W.F. Lichtenauer, een Rotterdammer van allure. Een bundel artikelen over en door mr W.F. Lichtenauer 1900-1987 . Onder red. van R.A.D. Renting (Rotterdam, 1991) 11-123.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 923.

R.A.D. Renting


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013