Mens, Jan (1897-1967)

 
English | Nederlands

MENS, Jan (1897-1967)

Mens, Jan, schrijver (Amsterdam 18-9-1897 - Amsterdam 31-10-1967). Zoon van Jan Mens, diamantslijper, en Helena Elisabeth Falke. Gehuwd op 18-1-1922 met Abeltje Stenhuis. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Mens, Jan

In sommige gevallen slagen Nederlandse schrijvers erin van de pen te leven. Een van hen is Jan Mens geweest, door het grote publiek op handen gedragen, maar vrijwel doodgezwegen door de officiële kritiek. Hij werd geboren in een eenvoudig Amsterdams milieu. Zijn vader was diamantslijper, met een hartstocht voor hengelen. Tijdens een vistocht kwam hij door verdrinking om het leven; Jan was toen negen. De weduwe Mens slaagde er als schoonmaakster in voor zichzelf en haar twee kinderen de kost te verdienen. Later zou zij model staan voor de krachtige vrouwenfiguren die in veel van Mens' boeken de hoofdrol spelen. Jan werd naar de ambachtsschool in de Westerstraat gestuurd om het meubelmakersvak te leren. Hij ging op zijn veertiende aan de slag, kreeg in 1922 een vaste baan bij de bekende biljartfabriek 'Wilhelmina', trouwde en leidde samen met zijn gezin een tamelijk rimpelloos bestaan.

De economische crisis noopte zijn werkgever echter tot inkrimping van het personeel, waardoor Mens in 1933 op straat kwam te staan. Uit arren moede begon hij te lezen, te lezen én te schrijven. Zijn eerste probeersels waren nog tamelijk onbeholpen: hij begon met kinderboeken en wat hij later zelf als 'zwijmelverhalen' betitelde, en onder de schuilnaam J. Rebel verscheen van hem in 1934 bij uitgeverij 'De Vlam' een selectie van zijn sociale schetsen onder de titel Rafels . Deze uitgeverij was in het leven geroepen door de Onafhankelijk Socialistische Partij, waar Mens uit onvrede over de matheid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij lid van was geworden. Heel actief op het politieke vlak zou hij niet zijn: het schrijven bleek hem uiteindelijk meer te boeien.

Mede op aanmoediging van Theo Thijssen waagde Mens zich aan een roman. In 1936/1937 had hij het manuscript gereed van Mensen zonder geld, de historie van een gezin dat aan de crisis ten onder gaat, gezien door de ogen van een twaalfjarig joch. De roman, die hij had getypt op een oude, van de Meubelmakersbond gekregen machine, werd door tal van uitgevers geweigerd. In 1937 kreeg hij echter een advertentie onder ogen waarin beginnende auteurs werden opgeroepen mee te dingen naar de zogeheten Kosmos Eerstelingen Prijs. Mens stuurde zijn manuscript in, en een jaar later kreeg hij van de voorzitter van de jury, Dirk Coster, te horen dat hij de eerste prijs, groot f1000, had gewonnen; zijn schrijversvriend A. den Doolaard had bij Coster een goed woordje voor hem gedaan. Mens' vreugde kende door dit blijk van erkenning - en wegens het geld - geen grenzen. De rest van zijn leven zou hij immer opgetogen blijven vertellen van deze, voor zijn lot als schrijver beslissende gebeurtenis in december 1938. Het boek zelf kreeg een overwegend gunstig onthaal, al noemde Menno ter Braak het een 'epigonistisch uitloopertje' van de 'Jaapje-Kees de Jongen-Merijntje-Flipje-Bartje-traditie' en betreurde Theun de Vries de 'volkomen afwezigheid van enige strijdwil'.

Mens putte er, ruim veertig jaar oud, de moed uit als beroepsschrijver aan het werk te gaan, en vanaf 1939 veranderde hij in een soort eenmansfabriek die met de regelmaat van een klok boeken produceerde. Nagenoeg al zijn romans zouden als plaats van handeling Amsterdam hebben en zich in kringen van het 'gewone volk' afspelen, nu eens in het heden, dan weer in het verleden. Een van zijn geliefdste scheppingen, Griet Manshande, voerde hij voor het eerst ten tonele in De gouden reael uit 1940, terwijl hij voor het een jaar later gepubliceerde Koen , een beschrijving van de jeugd van een meubelmakersleerling in Amsterdam, uitvoerig putte uit eigen herinneringen. Van heel andere aard is Hellend vlak of de misdaad in miniatuur , eveneens in 1941 verschenen, waarin hij verslag deed van de zittingen van de Amsterdamse politierechter die hij had bijgewoond. Van zijn historische belangstelling zou Mens blijk geven in geromantiseerde biografieën als Meester Rembrandt uit 1946 en Elisabeth , over het leven van Betje Wolff, uit 1953.

Stuk voor stuk haalden boeken als deze hoge verkoopcijfers, en op grond hiervan zou Mens een van onze populairste 'volksschrijvers' worden. De NV Uitgevers-Maatschappij 'Kosmos', die hem tijdens de Duitse bezetting van een maandgeld voorzag - Mens werd geen lid van de Kultuurkamer - voer er wel bij. In september 1962 werd burgemeester G. van Hall van Amsterdam tijdens een kleine plechtigheid het miljoenste exemplaar van Mens' werk ter hand gesteld. Bij deze zelfde gelegenheid kreeg de schrijver de zilveren medaille van de stad die hij door en door kende en innig liefhad, getuige zijn in 1947 verschenen Amsterdam, paradijs der herinnering .

Ondanks dit voor Nederlandse begrippen spectaculaire verkoopsucces zal men de naam van Jan Mens tevergeefs zoeken in verreweg de meeste literatuurgeschiedenissen. Gevestigde recensenten weigerden hem als volwaardig literator te beschouwen. Op zijn best heette zijn oeuvre vakwerk te zijn, maar vaker gold het als louter maakwerk. Jan Greshoff bijvoorbeeld schreef: 'Men mist alles wat ook maar in de verte op eigen waarneming, een eigen opvatting, een eigen stijl gelijkt'. Hij trof slechts de 'gewoonste oppervlakkigheid' en de 'oppervlakkigste gewoonheid' aan. Iemand als Kees Fens dacht er niet anders over: hij beweerde zijn best te hebben gedaan de boeken van Mens ernstig te nemen, maar daarin toch niet te zijn geslaagd door hun volkomen gebrek aan oorspronkelijkheid.

Aanvankelijk toonde Mens zich buitengewoon geërgerd door dergelijke oordelen en liet hij weten zich miskend te voelen. Op den duur berustte hij en vond hij troost in de wetenschap dat zijn boeken desondanks als warme broodjes verkocht werden. Hij zou een publiek hebben bereikt dat voordien nauwelijks gelezen had. Voor zeer velen vormde de lectuur van zijn werk een aangename tijdpassering; zijn hoofdpersonen waren herkenbaar en net als de auteur realistische optimisten, zoals onder meer werd vastgesteld door een van zijn vrienden, de predikant J.J. Buskes.

Mens wist van zichzelf dat hij dikwijls te omslachtig schreef en dat zijn humor veel weg had van 'stevig hooggesloten ondergoed'; daarom zei hij Willem Elsschot te bewonderen, die immers geen woord te veel gebruikte. In zijn eigen werk is geen sprake van een bepaalde ontwikkeling. Alle romans van Mens zijn min of meer volgens hetzelfde stramien opgezet. Hij was en bleef een verteller pur sang en schreef zoals hij ooit biljarttafels en meubelen had gemaakt: schrijverschap als eerlijk ambacht. De trilogie De kleine waarheid , bestaande uit Marleen (1960), Het heldere uur (1962) en Het kleine verschil (1964) - aan het begin van de jaren zeventig gebruikt als script voor een veelbekeken televisieserie - behoort tot het werk uit zijn nadagen. Kort na het bereiken van zijn zeventigste jaar zou Mens, die was blijven wonen in een eenvoudige woning in Tuindorp Watergraafsmeer ('Betondorp' in Amsterdam-Oost), overlijden. De boeken van deze nuchtere Amsterdamse vakman vinden nog steeds aftrek. Mens schreef ontspanningsliteratuur in de beste zin van het woord. Een vernieuwer of fraai stilist was hij beslist niet, een fenomeen in de kleine wereld van de vaderlandse fictie wèl.

A: Collectie-J. Mens in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Bibliografie in Willem Brandt [e.a.], 65 Jaar Mens onder mensen. Overpeinzingen en ontboezemingen bij de vijfenzestigste verjaardag van Jan Mens (Amsterdam [1962]), 33.

L: 'Kosmos-Eerstelingen-Prijs: Roman Jan Mens bekroond met duizend gulden prijs', in Algemeen Handelsblad , 28-12-1938 (av.); 'Een Amsterdamsche werklooze jongen schrijft een roman', in De Telegraaf , 18-2-1939 (av.); Menno ter Braak, 'Een spruit van de familie der letterkundige knaapjes', in Het Vaderland , 7-3-1939; G. Smit, 'De bekroonde eersteling', in De Gooi- en Eeemlander , 19-3-1939; Theun de Vries, ' ''Mensen zonder geld'' en schrijvers zonder overtuiging', in Het Volksdagblad , 1-4-1939; 'Jan Mens met vacantie te Huisduinen', in Heldersche Courant , 5-8-1939; 'Jan Mens, een naam en een symbool', in De Maasbode , 22-10-1949; R. Bulthuis, 'Schrijvers over zichzelf: Jan Mens. Vlucht in het verleden', in Haagse Post , 14-1-1956; Jan Greshoff, 'Werkelijkheid zonder wezenlijke kern', in Het Vaderland , 14-1-1961; A. Bevers, 'Jan Mens: gouden realen van het ongekunsteld woord', in de Volkskrant , 5-9-1962; 'Stempelaar werd bekend boekenmiljonair', in Algemeen Dagblad , 15-9-1962; Ab. Visser, in De Telegraaf , 2-11-1967; A. den Doolaard, in De Gelderlander , 3-11-1967; J.J. Buskes, in Het Vrije Volk , 4-11-1967; Kees Fens, in De Tijd , 4-11-1967; M. van Rooy, 'Vertellen is geen kunst', in NRC Handelsblad , 27-10-1972 (CS).

I: Eddy en Tessa Posthuma de Boer, 222 schrijvers. Literaire portretten ([Amsterdam] 2005) 140 [Foto: Eddy Posthuma de Boer, 1962].

A. Lammers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013