Milo, Taco Hayo (1906-1960)

 
English | Nederlands

MILO, Taco Hayo (1906-1960)

Milo, Taco Hayo, marineofficier en historicus (Halsteren (N.B.) 1-5-1906 - Leiden 24-11-1960). Zoon van Cornelis Jacobus Milo, ondernemer, en Magdalena van den Honert. Gehuwd op 25-1-1944 met Francisca Eduarda Johanna van Everdingen. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Milo, Taco Hayo

Tex Milo bracht een deel van zijn jeugd door in Nederlands-Indië. Toen hij acht jaar oud was, repatrieerde hij met zijn ouders en jongere zuster. Hij bezocht de driejarige HBS in Den Haag en werd vervolgens van 1923 tot 1927 opgeleid tot zeeofficier aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord. Gedurende tien jaar diende hij als officier afwisselend in Nederland en Nederlands-Indië. Zijn specialisatie was hydrografisch werk, onder andere aan boord van het opnemingsvaartuig Hr. Ms. 'Willebrord Snellius' in Indische wateren in de jaren 1929-1931 en 1936. Op 1 mei 1937 werd Milo als luitenant-ter-zee der tweede klasse 'eervol uit de zeedienst ontslagen wegens ongeschiktheid om in de verkregen rang bij de zeemacht te dienen', onder toekenning van een diensttijdpensioen.

Na een colloquium doctum studeerde Milo vanaf 1938 geschiedenis te Leiden. Op het in november 1941 met lof afgelegde doctoraal examen volgde reeds na acht maanden, op 10 juli 1942, zijn promotie die, omdat de bezetter de Leidse universiteit gesloten had, plaatsvond te Groningen bij prof. P.J. van Winter. Al lang voordien was Milo - samen met zijn vader - begonnen met het verzamelen van archiefmateriaal over de Bataafse marine in Nederland en in Oost- en West-Indië, waarover hij nu en dan in dagbladen en tijdschriften publiceerde. Zijn proefschrift, De geheime onderhandelingen tusschen de Bataafsche en Fransche republieken van 1795 tot 1797 in verband met de expeditie van schout bij nacht E. Lucas naar de Kaap de Goede Hoop , was de bekroning van dit onderzoek; het kreeg het predikaat cum laude en werd in de vakpers goed ontvangen. Gedetailleerd zette hij hierin de politieke en diplomatieke verwikkelingen in binnen- en buitenland uiteen en bracht die in verband met het rampzalige verloop van een vlootexpeditie naar de Oost. Aldus werd nieuw licht geworpen op een affaire die, door manipulatie van het daarop gevolgde proces, sedertdien was toegedekt gebleven. Milo had met deze dissertatie zijn naam als (zee)historicus gevestigd.

Reeds in 1942 had Milo bij het nog functionerende Bureau van de opgeheven Commissie voor Rijks Geschiedkundige Publicatiën een groots twintigjarenplan ingediend voor het samenstellen van een repertorium van marinebescheiden en de uitgave van belangrijke zeehistorische bronnen. Na bijstelling van dit plan werd hem op 1 februari 1944 een gesubsidieerde opdracht verleend voor een driedelige bronnenpublikatie die betrekking zou hebben op de jaren 1568 tot 1609.

Kort na de bevrijding werd Milo in de Leidse letterenfaculteit - samen met P.C.A. Geyl - genoemd als kandidaat voor de leerstoel vaderlandse geschiedenis. Na enige discussies werd hij uiteindelijk in 1946 benoemd tot hoogleraar in de geschiedenis der overzeese gebiedsdelen en van het zeewezen, daarmee in feite een deel van de leeropdracht van prof. N.J. Krom en die van J.C.M. Warnsinck combinerend. In Milo's oratie van 21 juni 1946, getiteld De invloed van de zeemacht op de geschiedenis der Vereenigde Oost-Indische Compagnie , waren beide terreinen te zamen gebracht.

Intussen was de zeehistorische bronnenuitgave nog niet verschenen. Uiteindelijk zou er ook niets van komen en werd de opdracht in 1950 zonder publikatie beëindigd. Niettemin vatte Milo in 1947 een nieuw plan op: het schrijven van een zesdelige geschiedenis van de marine en koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog. In 1949 ontving hij hiertoe een officieuze opdracht van de minister van Marine, die drie jaar later, na langdurige geschillen van financiële aard, werd vastgelegd in een contract met de departementen van Marine en van Verkeer en Waterstaat. Daarbij werd bepaald dat, terwijl de documentalist W.E. van Popta onder Milo's eindredacteurschap de lotgevallen van de koopvaardij zou vastleggen, de Leidse hoogleraar zelf de geschiedenis van de zeemacht voor zijn rekening zou nemen. Maar ook deze werkzaamheden, veelal verricht bij het Bureau Maritieme Historie van de Marine, mondden niet uit in een publikatie, en in december 1958 werd de opdracht ingetrokken.

Verdronk Milo bij beide grote projecten in details, vlotter ging het hem af als gewaardeerd en boeiend spreker in talloze voordrachten en in zijn bijdragen aan de zesde druk van de tussen 1947 en 1954 verschenen delen van de Winkler Prins Encyclopaedie . Milo bereikte een breed, maritiem geïnteresseerd publiek. Verschillende generaties studenten wist hij voor de zeegeschiedenis te enthousiasmeren, ook in persoonlijke contacten. De leeropdracht, die twee vakgebieden omvatte, woog hem echter zwaar. Zonder zijn vele plannen van 1942 en later te hebben verwezenlijkt, stierf hij in 1960, op 54-jarige leeftijd, aan een hartaanval.

A: Collectie-T.H. Milo in de Universiteitsbibliotheek te Leiden.

P: Lijst van belangrijkste publikaties in het onder L vermelde levensbericht van Baudet.

L: A. Chambon, in Onze Marine 13 (1946) 158-159; A.J.C. Rüter, in Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden 1961 (Leiden, 1961) 182-183; H. Baudet, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1961-1962 (Leiden, 1962) 143-147; Ph.M. Bosscher, in Economisch-Historisch Jaarboek 1961/1962 29 (1963) 332-334.

I: Website Universiteit Leiden: http://www.geschiedenis.leidenuniv.nl/index.php3?m=114&c=510 [28-6-2007].

J.R. Bruijn


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013