Moorman, Henricus Cornelis Willem (1899-1971)

 
English | Nederlands

MOORMAN, Henricus Cornelis Willem (1899-1971)

Moorman, Henricus Cornelis Willem, marineofficier, staatssecretaris van Marine en lid van de Tweede Kamer (Roermond 30-7-1899 - 's-Gravenhage 5-5-1971). Zoon van Johannes Theodorus Moorman, procuratiehouder, en Johanna Margaretha Catharina Weers. Gehuwd op 19-9-1928 met Johanna Carolina Kuipers. In dit huwelijk was 1 dochter. Na echtscheiding (10-11-1928) gehuwd op 4-1-1929 met Antoinette Josephina Wijtenburg. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

Harry Moorman groeide op in Limburg in een Rooms-katholiek milieu. Vanaf 1911 bezocht hij de afdeling HBS met vijfjarige cursus van het klein-seminarie te Rolduc. In navolging van zijn grootvader en ooms van moederszijde, die bij de koopvaardij voeren, wilde Moorman van jongs af aan naar zee. Hij wenste marineofficier te worden en ging daarom, na zijn eindexamen in 1916, naar het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) te Willemsoord.

In 1919 werd Moorman als luitenant-ter-zee der 3e klasse naar Nederlands-Indië uitgezonden. Daar diende hij aan boord van verschillende oorlogsschepen, aanvankelijk vooral kleinere vaartuigen die werden ingezet tegen smokkelaars en Chinese zeerovers. In 1921 kwam hij bij de Onderzeedienst, waar hij zeventien jaar lang zou blijven, afwisselend in Nederlands-Indië (tot 1923, 1929-1933) en in Den Helder (1923-1929, 1933-1938). Sedert 1930 had hij, bevorderd tot luitenant-ter-zee der 1e klasse, het commando over verschillende onderzeeboten.

Vanaf 1938 vervulde Moorman een aantal staffuncties in Nederlands-Indië. Zo was hij in 1939/1940 commandant Maritieme Middelen te Tandjong Priok, de havenstad van Batavia. Eind 1940 werd hij, inmiddels bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee, als stafofficier organisatie en internationale betrekkingen geplaatst bij het Commandement der Zeemacht in Batavia. Tijdens de Japanse invasie van Java, eind februari 1942, was hij verantwoordelijk voor de ontruiming en vernietiging van de haven van Tandjong Priok en nam hij het initiatief voor de de evacuatie van personeel en materieel. Na zich van deze taak te hebben gekweten probeerde Moorman via Tjilatjap uit te wijken naar Australië, maar zijn schip kon niet meer aan de Japanners ontsnappen, en begin maart geraakte hij in krijgsgevangenschap. Aanvankelijk verbleef hij in een kamp op Makassar om begin 1943 te worden overgebracht naar Java, waar hij achtereenvolgens in Batavia en Bandoeng vastzat. In de kampen onderscheidde Moorman zich door zijn beheerste en vastberaden houding. Bij een collectieve bestraffing werd zijn gehoor zo zwaar beschadigd dat hij de rest van zijn leven gedwongen zou zijn een gehoorapparaat te dragen.

Begin 1946 reisde Moorman via de Verenigde Staten naar Nederland terug. Na aankomst werd hij, inmiddels bevorderd tot kapitein-ter-zee, lid van de Indische subcommissie van de Commissie Onderzoek Gedragingen van het Marinepersoneel in oorlogstijd. Het zag ernaar uit dat Moorman wegens zijn beschadigd gehoor zou worden gepensioneerd. Minister van Marine J.J.A. Schagen van Leeuwen - een vriend en jaargenoot van het KIM - benoemde hem echter begin 1947 tot vlagofficier personeel op zijn departement. In deze functie kreeg Moorman - per 1 mei 1947 bevorderd tot schout-bij-nacht - de leiding van het personeelsbeleid bij de marine. Dit was een zware taak in verband met de afwikkeling van de oorlogssituatie en de wederopbouw in Nederland. Als gevolg van de Indonesische kwestie maakte de personeelssterkte bovendien een explosieve groei door.

Zijn organisatorische vaardigheden, zijn kennis van het belangrijke personeelsprobleem, alsmede zijn brede kijk op andere marineaangelegenheden, maakten Moorman een geschikte kandidaat voor het nieuwe ambt van staatssecretaris van Marine in het kabinet-Drees-Van Schaik (1948-1951). Kort na zijn aantreden, op 1 mei 1949, werd Moorman lid van de Katholieke Volkspartij (KVP). Het vermoeden is gerechtvaardigd dat men in die partij niet op de hoogte was van zijn eerste kortstondige huwelijk en echtscheiding. Moorman zou zijn functie onder vijf kabinetten, tot 19 mei 1959, uitoefenen; van oktober 1950 tot maart 1952 trad hij tevens op als staatssecretaris van Oorlog. In verband met zijn benoeming in het kabinet werd Moorman ontheven uit zijn militaire functies. Op 11 oktober 1950 werd hij bevorderd tot vice-admiraal. Vier jaar later zou hij op eigen verzoek eervol ontslag krijgen uit de zeedienst.

Moorman was als staatssecretaris belast met de dagelijkse leiding van het departement van Marine. Door de ruime taakomschrijving en door de zwakke positie van zijn minister, W.F. Schokking, in het eerste kabinet-Drees kreeg hij in de jaren 1949/1950 politiek een grote armslag. Dit stelde hem in staat een belangrijke rol te spelen in de discussie in de ministerraad over de toekomst van de Koninklijke Marine: het voortbestaan van de vloot stond daarbij op het spel. Met de dekolonisatie van Indonesië verdween het traditionele bestaansrecht van een omvangrijke marine. Bovendien werd in de eerste plannen van de Noordatlantische Verdragsorganisatie (NAVO) voor de opbouw van een gemeenschappelijke defensie van Nederland slechts een bescheiden maritieme bijdrage gevraagd: mijnenvegen en havenbescherming. Aangezien Nederland wèl een aanzienlijke taak in de geallieerde defensie te land en in de lucht kreeg, pleitte de meerderheid van het kabinet-Drees daarom voor drastische bezuinigingen op de marine.

Alvorens de discussie in het kabinet te kunnen aangaan, moest Moorman intern orde op zaken stellen. De voornemens van de marineleiding voor de wederopbouw van de vloot waren financieel, personeel en materieel onhaalbaar. Kort na zijn aantreden slaagde de staatssecretaris erin de marinestaf een realistischer plan te laten accepteren, dat hij in 1949 en 1950 op even tactvolle als vastberaden wijze in de ministerraad zou verdedigen. Niet alleen aanvaardde het kabinet eind 1950 het vlootplan, het onderschreef tevens de eis dat de marine in NAVO-verband een belangrijke taak op de Atlantische oceaan zou krijgen. Eind 1950 ging het bondgenootschap hiermee akkoord.

Het vlootplan werd in mei 1951 in de defensienota officieel aangekondigd en vervolgens door de Staten-Generaal goedgekeurd. In financieel opzicht werd de toekomst van de marine veiliggesteld door de instelling van een vaste verdeelsleutel, volgens welke het defensiebudget over de drie krijgsmachtdelen zou worden verdeeld. Onder minister C. Staf (1951-1959) werkte Moorman aan de uitvoering van het vlootplan. Blijvende steun in het parlement maakte het hem mogelijk vast te houden aan de grote lijn daarvan. Praktische resultaten in de opbouw van de zeemacht waren daarbij eveneens essentieel, vooral ook die op het financiële vlak: de staatssecretaris zag erop toe dat het departement de begrotingsafspraken met de minister van Financiën zorgvuldig naleefde. Bij Moormans aftreden in 1959 was de naoorlogse wederopbouw van de marine voltooid.

Van 20 maart 1959 tot 23 februari 1967 was Moorman lid van de Tweede Kamer op de kwaliteitszetel van de KVP voor de marine. Als kamerlid heeft hij zich vooral ingespannen voor het behoud van de zelfstandigheid van de marine binnen het geheel van de krijgsmacht, hoewel hij niet kon verhinderen dat enkele maanden na zijn toetreden tot de Kamer de departementen van Oorlog en Marine in één ministerie van Defensie werden samengevoegd. Stemmen gingen op om ook de hoogste regionen van de marine, land- en luchtmacht in een 'horizontale' structuur te integreren. In 1963 werd echter, met steun van Moormans KVP, een 'verticaal' organisatiemodel ingevoerd, waarin de zelfstandigheid van de drie krijgsmachtdelen - en dus ook van de marine - structureel werd verankerd.

Behalve over marineaangelegenheden sprak Moorman in de Tweede Kamer ook over andere veiligheidszaken. Hij pleitte voor een sterke defensie tegen de dreiging van het communistische Oostblok en toonde zich een fervent voorstander van nauwe samenwerking met de Verenigde Staten. In de tweede helft van de jaren zestig kwam hij op voor het regime in Zuid-Afrika, tegen de groeiende kritiek in Nederland op de apartheidspolitiek. Moorman toonde zich een conservatief, strijdbaar en onafhankelijk parlementariër. Hij gruwde van de toenemende fractiediscipline die steeds minder ruimte liet voor individueel optreden. In zijn stemgedrag week hij nogal eens af van zijn partijgenoten. Met zijn vertrek uit de Kamer in 1967 verdween een kleurrijke figuur van het Binnenhof.

Moorman gold als scherpzinnig en oprecht. Zijn optreden, eerst als marineofficier, later als politicus werd gekenmerkt door zelfverzekerdheid en doortastendheid. Al bij al heeft Moorman in de politiek voor de Koninklijke Marine belangrijke resultaten geboekt. Zelf zei hij eens als politicus meer voor de marine te hebben kunnen bereiken dan hij ooit in de hoogste officiersrang had kunnen doen.

P: Verschillende artikelen over militaire en politieke onderwerpen o.a. in Marineblad en de Volkskrant .

L: Behalve necrologieën o.a. door F.C. van Oosten, in Marineblad 81 (1971) 447 en door M.A. C[ageling], in Zeewezen 60 (1971) nr. 6, 15: korte biografie in Onze Vloot 5 (1949) 87; interview in De Gelderlander , 9-3-1959; Ph.M. Bosscher, De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog II (Franeker, 1986); H.A. Groeneveld, De staatssecretaris in Nederland 1948-1988 (Deventer, 1989); J.W.L. Brouwer, '''De stem van de marine in de ministerraad''. Schout-bij-nacht H.C.W. Moorman als staatssecretaris in het kabinet Drees-Van Schaik, 1949-1951', in Politiek(e) Opstellen 9 (1989) 29-55. Een overzicht van Moormans carrière als marineofficier in: Gedenkboek honderdjarig bestaan der adelborsten-opleiding te Willemsoord 1854-1954 . Samengesteld door P.S. van 't Haaff en M.J.C. Klaassen (Bussum [, 1954]) 248.

J.W.L. Brouwer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013