Musscher, Johannes Hendricus van (1924-1989)

 
English | Nederlands

MUSSCHER, Johannes Hendricus van (1924-1989)

Musscher, Johannes Hendricus van, (bekend onder de naam Johnny Jordaan), liedjeszanger (Amsterdam 7-2-1924 - Amsterdam 8-1-1989). Zoon van Bastiaan van Musscher, dakbewerker, en Wilhelmina Catharina Verbrugge. Gehuwd op 11-11-1943 met Jannetje de Graaff. Dit huwelijk, waaruit 1 dochter werd geboren, werd op 7-10-1982 door echtscheiding ontbonden. afbeelding van Musscher, Johannes Hendricus van

'We hadden het arm hoor. Als de mieren. We hadden niks' (Wierenga, 54), zo herinnerde Jan van Musscher zich later zijn jeugd in de Jordaan. In deze Amsterdamse volksbuurt groeide hij op als de oudste van twee broers in een Rooms-katholiek arbeidersgezin. Aangezien zijn vader, een dakbewerker, door zijn slechte gezondheid vrijwel altijd thuis zat, zag zijn moeder zich gedwongen hard te werken om het gezin voor de schrijnendste armoede te behoeden. Ondanks de dagelijkse zorgen was zij een blijmoedige Jordanese, en dank zij haar had 'Jantje' in de naargeestige crisisjaren een plezierige jeugd. Tegenslagen bleven hem echter niet bespaard. Zo moest hij al op tienjarige leeftijd, als gevolg van een stoeipartij, een oog missen, en vanaf zijn twaalfde had hij maagklachten, waarvoor hij menigmaal in het ziekenhuis moest worden behandeld.

Toen Jan van Musscher acht was, begon hij met zijn ruim twee jaar jongere neef Carel Verbrugge - die later als zanger bekend zou worden onder de naam Willy Alberti - op straat en in buurtcafés liedjes te zingen. Het met deze 'smartlappen' verdiende geld droeg hij trouw af aan zijn moeder, waardoor het gezin wat ruimer kon leven. Na enkele jaren ambachtsschool stond Jan eerst een tijdlang aan de roerpot bij de chocolade- en suikerwerkfabriek van J.C. Klene & Co. aan de Looiersgracht. Vervolgens werkte hij in een kartonnage- en in een scheerapparatenfabriek.

In zijn vrije tijd bleef Jan van Musscher echter optreden. Vanaf zijn veertiende zong hij met accordeonbegeleiding van zijn trouwe metgezel Jan Hillegers ieder weekeinde in een buurtcafé, en ook oogstte hij succes met humoristische voordrachten. Daarbij gebruikte hij voor het eerst de artiestennaam 'Johnny Jordaan'. Tijdens de Duitse bezetting werd het steeds moeilijker om met dergelijke optredens voldoende geld te verdienen, al kwam zijn zangtalent wel van pas toen hij - inmiddels getrouwd - op hongertocht in Noord-Holland van de boeren eetwaren probeerde los te krijgen. Na de bevrijding, met het weer op gang komen van het uitgaansleven, vond Johnny een betrekking als zingende kelner in een kroeg aan de Oudebrugsteeg. Hier zou hij negen jaar werken. Een diep ingrijpende gebeurtenis in zijn leven was het overlijden van zijn moeder in mei 1952, en het is niet uitgesloten dat de beroerte waardoor hij kort daarna werd getroffen een gevolg was van de ondergane emotie. Ofschoon hij lichamelijk vrijwel geheel herstelde, zou het nog enige jaren duren voordat hij dit verdriet te boven kwam.

De ommekeer in Johnny's leven kwam in 1955. Op 7 februari van dat jaar - zijn 31e verjaardag - nam hij 'voor de grap' deel aan een door een platenmaatschappij georganiseerde talentenjacht. Johnny bereikte de finale, en op 2 maart werd de lyrische volkszanger tot zijn verbazing uitgeroepen tot 'De beste stem van de Jordaan'. Op de tweede plaats eindigde Helena Jansen-Polder, bekend onder de naam 'Tante Leen', met wie hij later veel zou samenwerken. Het succes was overweldigend. Binnen veertien dagen werd zijn eerste grammofoonplaat met 'De Parel van de Jordaan' en 'Bij ons in de Jordaan' uitgebracht. In een jaar tijds zouden meer dan een miljoen platen van hem worden verkocht. Deze populariteit had hij overigens niet te danken aan de radio, want een aantal omroepverenigingen weigerde aanvankelijk zijn als 'ordinair' beschouwde liedjes uit te zenden. Wel trad hij in juli 1955 op voor de televisie, waardoor hij ook buiten Amsterdam bekend werd.

Het was het begin van een bliksemcarrière. Er volgden optredens in het hele land en ook in Vlaanderen, waar Johnny Jordaan eveneens razend populair was. Dank zij een handige impresario, die hem onder zijn hoede had genomen, verdiende hij weldra meer op één dag dan tevoren in een hele week. Soms gaf hij wel drie maal daags een concert, en in veel plaatsen werd hij door een uitzinnige menigte verwelkomd. Het koperen huwelijksfeest van Johnny en zijn vrouw, in april 1956, sloeg wat dit betreft alles. Half Amsterdam was bij die gelegenheid op de been om de gevierde volkszanger tijdens een rijtoer door de Jordaan toe te juichen. Zo groot was het enthousiasme dat de toestand op een gegeven moment uit de hand dreigde te lopen en hij voor een horde bewonderaars de vlucht moest nemen.

In deze gloriejaren bracht Johnny Jordaan zijn succesnummers ook ten gehore voor de vele na de oorlog geëmigreerde Nederlanders, zowel via de microfoon van Radio Nederland Wereldomroep als in levenden lijve op overzeese tournees. In 1957 vierde hij in Venetië triomfen tijdens een songfestival op het San Marcoplein, en in 1959 zong hij in Londen zijn Jordaanlied in een televisieshow met Nederlandse artiesten onder leiding van Wim Sonneveld. Aangezien Johnny goedhartig en sentimenteel van aard was, heeft hij talloze malen belangeloos voor allerlei goede doelen optredens gegeven. Geregeld werd zijn repertoire uitgebreid met nieuwe, door Harry de Groot en Pi Vériss geschreven liedjes.

Het succes duurde niet lang. Het vele geld dat Johnny Jordaan verdiende, liet hij door zijn vingers glippen, mede door zijn naïeve goedhartigheid en ook doordat handige zakenlui er steeds weer in slaagden hem in hun eigen voordeel te misleiden. Toen de fiscus hem na enige jaren navorderingen oplegde, zat hij volkomen aan de grond en moest hij hals over kop zijn bezittingen verkopen. Reeds in 1958 was Johnny's populariteit tanende: het teruglopende theaterbezoek door de opkomst van de televisie en de groeiende belangstelling voor popmuziek deden zijn ster snel verbleken. Doordat hij roofbouw had gepleegd op zijn zwakke lichaam, was bovendien zijn gezondheid zienderogen achteruit gegaan. Een maagzweer ontaardde in een ernstige maagbloeding, en tevens openbaarde zich suikerziekte. Na een zware depressie liet hij zich overhalen deelgenoot te worden van een Jordaancabaret in Scheveningen. Daar knoopte hij zijn eerste homoseksuele relatie aan. De hierdoor ontstane spanningen met zijn vrouw en kwaadaardige lasterpraatjes leidden tot een mislukte zelfmoordpoging.

In 1962 begon Johnny Jordaan als zingende kastelein een kroeg in Rotterdam, die aanvankelijk druk werd bezocht, maar na verloop van tijd minder goed liep. Mede door voortdurende belastingschulden geplaagd, week hij uit naar Antwerpen, waar hij opnieuw een café kocht. Ook daar verliep de klandizie na enige jaren, terwijl hij gekweld werd door heimwee. Door toedoen van Tante Leen kon hij in 1968 naar Nederland terugkeren. Zijn platenmaatschappij vereffende de belastingschulden, en Harry de Groot schreef een nieuw liedje, ''n Pikketanussie', dat onmiddellijk een tophit werd. Johnny's oude succesnummers werden toen opnieuw op langspeelplaten uitgebracht. Ook maakte hij nieuwe lp's, onder andere met operettemelodieën (1977). In deze periode trad Johnny vrijwel altijd op met Tante Leen, die als een moeder over hem waakte. Samen maakten zij tournees naar de Verenigde Staten en Canada. In 1969 werd hij acteur. Hij vertolkte de rol van 'De Mop' in De Jantjes bij het Amsterdams Volkstoneel van Beppie Nooy. Tijdens een voorstelling te Apeldoorn, in november 1970, werd hij getroffen door een hersenbloeding, in het ziekenhuis gevolgd door vijf hartaanvallen. Toen hij enigszins was hersteld, kreeg hij in november 1972 een luisterrijke benefietavond aangeboden, die via de televisie werd uitgezonden. Mede hierdoor werd hij in staat gesteld in zijn woning in Beverwijk een rustig leven te leiden.

Maar rust kon Johnny daar niet vinden, en in mei 1977 ging hij zijn geluk beproeven met het exploiteren van een hotel in de Spaanse badplaats Benidorm. Al na een jaar keerde hij terug in Amsterdam. Zijn laatste levensjaren was Johnny lichamelijk aan het eind van zijn latijn. Slechts omringd door de zorgen van zijn vriend Ton Slierendrecht - met wie hij 31 jaar een vaste relatie onderhield - en een paar goede kennissen, leefde hij tamelijk vereenzaamd, ook doordat hij door een bloedvatenvernauwing aan een rolstoel was gekluisterd. Nog zelden trad hij voor het voetlicht. Eind 1988 volgde opnieuw een hersenbloeding, waaraan hij enkele weken later op 64-jarige leeftijd overleed.

Hiermee kwam een einde aan het leven van de beroemdste volkszanger uit de tweede helft van de jaren vijftig, wiens - kortstondige - succes voor die tijd ongekend was, en die uiteindelijk aan dat succes ten onder ging. Zelf zei hij daarover: 'Ik heb zoveel rottigheid en ellende meegemaakt. En - de Lieve Heer is m'n getuige - ik doe nooit een mens kwaad. Waar heb ik het aan te danken?' (Het Parool , 9-1-1989).

A: Persdocumentatie betreffende Johnny Jordaan bij het Theater Instituut Nederland te Amsterdam

L: Behalve artikelen en necrologieën o.a in De Telegraaf , 26-3-1955, 3-12-1966, 10-11-1983 en 9-1-1989; Het Parool , 27-4-1956, 9-12-1972 en 9-1-1989; Gooi- en Eemlander , 23-8-1977, NRC Handelsblad , 9-1-1989: Hans Wierenga, Johnny Jordaan. Ze kunnen van me zeggen wat ze willen (Utrecht [etc.], 1972): Bert Hiddema, De zon schijnt voor iedereen. Een biografie van Johnny Jordaan (Amsterdam 1994)

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 53191 [Johnny Jordaan in april 1970] [Foto: Ton Schutz].

A.W.J. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013