Nagel, Willem Hendrik (1910-1983)

 
English | Nederlands

NAGEL, Willem Hendrik (1910-1983)

Nagel, Willem Hendrik, (pseudoniem J.B. Charles), jurist, criminoloog en schrijver (Zwolle 25-8-1910 - Leiden 29-7-1983). Zoon van Hendrik Nagel, handelaar in koffie en thee, en Willemtje Hoogeveen. Gehuwd op 20-6-1940 met Jansje Wouda. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. Na echtscheiding (24-3-1966) gehuwd op 4-4-1966 met Helena Geralda Cornelia Maria van Leeuwen. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Nagel, Willem Hendrik

Toen Willem twee jaar was, verhuisde het tien kinderen tellende gezin Nagel naar Groningen. In deze stad bezocht hij de christelijke lagere school en de christelijke HBS. Na het staatsexamen gymnasium-B begon hij in 1931 aan de Groningse universiteit met een studie rechten, die hij op 19 april 1939 voltooide. Het gereformeerde geloof waarin hij was grootgebracht, had hij toen al verloren. Tijdens zijn studie werd Nagel beïnvloed door de hoogleraar in het strafrecht M.P. Vrij, bij wie hij onderzoek deed naar criminaliteit in het Oostbrabantse Oss, waar het in de jaren dertig tot een reeks spectaculaire misdrijven gekomen was die de landelijke politiek beroerden.

Kort na zijn doctoraal examen werd Nagel op 1 augustus 1939 klerk ten parkette van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de kantongerechten in het arrondissement Groningen en in oktober van dat jaar waarnemend ambtenaar van het Openbaar Ministerie, toentertijd het gebruikelijke begin van een loopbaan bij justitie. In mei 1941 zou hij worden benoemd tot ambtenaar van het Openbaar Ministerie te Middelburg, maar deze aanstelling ging uiteindelijk niet door, toen zijn anti-Duitse gezindheid aan het licht kwam. Nagel ging daarop weg bij justitie en werd ambtenaar voor de Tuchtrechtspraak (prijsbeheersing) van het departement van Landbouw en Visscherij in Groningen, een functie die hij tot 1 november 1945 zou bekleden.

Al in 1939, bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, begon Nagel met zijn verzet tegen de Duitsers. Vanaf dat moment heeft hij met gevaar voor eigen leven informatie doorgegeven over Duitse troepenbewegingen aan de oostgrens van Nederland. In de illegaliteit gebruikte Nagel de namen 'J.B. Charles' en 'Carlo Giuseppe Bandinelli'. Ook in het gewapende verzet heeft hij een belangrijke rol gespeeld. Op 5 mei 1945 had hij in Utrecht een aandeel in het uitschakelen van de Duitse politie. In het noorden van het land vervulde hij vervolgens functies bij de zuivering en bij de berechting van politieke delinquenten. Van 1946 tot 1949 was hij raadsheer in het Bijzonder Gerechtshof te Leeuwarden.

In de jaren direct na de bevrijding voltooide Nagel onder leiding van prof. Vrij zijn proefschrift, De criminaliteit van Oss , waarvoor hij al in de jaren dertig onderzoek had verricht. Op 26 juni 1949 promoveerde hij hierop cum laude in Groningen bij Vrij's opvolger, prof. B.V.A. Röling. Nagels dissertatie trok de aandacht door de originaliteit van de gebezigde onderzoeksmethode. Doordat hij in zijn boek de gesprekken verwerkte die hij met vele betrokkenen - onder wie daders die een lange straf uitzaten - had gevoerd, ontstond een ongemeen indringend beeld, geschreven door een begaafd stilist.

Dit proefschrift markeerde de verschuiving in Nagels belangstelling van de beoefening van het recht naar de beoefening van de criminologie. In 1949 stapte hij daarom over van de praktijk naar de wetenschap en aanvaardde hij een functie als hoofdassistent aan de Leidse universiteit bij J.M. van Bemmelen, de hoogleraar in het strafrecht en de criminologie. Een jaar later werd hij hier tevens toegelaten als privaatdocent in de strafrechtssociologie, een toentertijd in Nederland vrijwel onontgonnen terrein. Gedurende korte tijd was Nagel ook hoofd van het pas opgerichte Studie- en Documentatie Centrum Gevangeniswezen van het departement van Justitie.

In 1951 verving Nagel enige tijd Van Bemmelen, en in 1953 kreeg hij een leeropdracht voor strafrecht, strafprocesrecht en criminologie. Drie jaar later volgde zijn benoeming tot buitengewoon hoogleraar in de penologie en criminele sociologie, in 1959 omgezet in een ordinariaat in beide vakgebieden. In 1968 werd deze leeropdracht veranderd in 'criminologie en penologie', want de opvolgers van Van Bemmelen beperkten zich tot straf- en strafprocesrecht. Nagel zou zijn ambt tot 1976 bekleden.

De boeiendste criminologische studies van Nagel hebben een antropologische inslag, zoals De meineed uit 1951 en zijn inaugurele rede, Het strafrecht en de onmens , uit 1956. Van historische kennis op penologisch gebied geeft zijn in 1977 verschenen hoofdwerk, De funkties van de vrijheidstraf , blijk, alsmede levendige beschrijvingen, in tal van artikelen, van de verschillende 'scholen' binnen de Nederlandse criminologie. Nagel was een van de eersten hier te lande die wetenschappelijk onderzoek deden naar slachtoffers van delinquent gedrag en hier de victomologie introduceerden: 'Victomologie', in Tijdschrift voor Strafrecht 68 (1959) 1-26.

Ook in het buitenland gold Nagel als een gezaghebbend criminoloog. Hij doceerde aan de Menninger Foundation in Kansas in de Verenigde Staten en in Suriname. In 1966 en 1967 verrichtte hij criminologisch onderzoek in Thailand. In 1965 werd hem door het Deutsche Kriminologische Gesellschaft de Beccariamedaille toegekend. In dat zelfde jaar werd hij fellow van de American Society of Criminology, die hem in 1981 te Washington onderscheidde met de Selling Glueck Award. In 1977 werd hij erelid van de Nederlandse Vereniging voor Kriminologie. Aan verschillende tijdschriften verleende Nagel zijn medewerking. Vooral voor de Exerpta Criminologica - later: Abstracts on Criminology and Penology - en het International Journal of Criminology heeft hij veel werk verzet.

Naast zijn wetenschappelijke publikaties als criminoloog staat Nagels literaire werk, dat hij schreef onder het pseudoniem J.B. Charles. Tussen 1944 en 1982 zagen twaalf dichtbundels van zijn hand het licht. In 1950 ontving hij de Hendrik de Vries-prijs en drie jaar later de prijs van de Jan Campert-stichting. Bij het grote publiek werd Nagel echter bekend door twee prozawerken, in min of meer essayistische vorm geschreven: Volg het spoor terug uit 1953 en Van het kleine koude front uit 1962. Deze baarden veel opzien en wekten veel discussie, omdat hierin de wijze waarop na de bevrijding met verzet en collaborateurs was omgegaan in felle, vaak persoonsgerichte bewoordingen werd gekritiseerd. Het eerste boek kreeg in 1954 de prozaprijs van de gemeente Amsterdam.

Nagel, gedurende enkele jaren lid van de Partij van de Arbeid, was toen al partijloos. Hij was verontwaardigd en verontrust over het naoorlogse herstel in West-Europa - zeker in de Duitse Bondsrepubliek -, waarbij mensen die onder het nazi-bewind hadden gecollaboreerd en misdrijven hadden begaan, weer een leidende positie konden innemen, zonder voor hun misdrijven te hebben geboet. Meeslepend geschreven, sterk persoonlijk en hier en daar zeer scherp, waren Nagels boeken eerder boetepredikend en moraliserend-kritisch van aard dan politiek. Voor hem zelf dienden zij mogelijk als de kreet van een roepende in de woestijn.

Uit talrijke andere losse publikaties bleek Nagel bovendien - uit afkeer van het zich herbewapenende West-Duitsland - steeds meer de zijde te kiezen van de zogeheten Derde-Weggers, een kleine politieke groepering die aan Europa tussen de twee grote mogendheden, de Sovjetunie en de Verenigde Staten, een eigen, enigszins bemiddelende en vredezoekende rol toedacht. Het was een van de redenen waarom hij als de schrijver Charles, onder anderen door zijn literaire bentgenoot W.F. Hermans in diens Mandarijnen op zwavelzuur uit 1963, in felle polemische stukken werd aangevallen. Nagel zelf zat onder zijn nom de plume niet om een antwoord verlegen en verweerde zich in even scherpe bewoordingen. Zijn latere felle uitvallen tegen de staat Israël, die hij van fascistische agressie tegen de Palestijnen beschuldigde, zouden in de eigen kring van collega's en literatoren veel weerstand wekken.

In het persoonlijke contact domineerde bij Nagel de innemende hartelijkheid, al kon hij door een zekere lichtgeraaktheid een gekoesterde vriendschap laten verschalen. Door zijn aard sprak hem in het begrip 'rechtsorde' de component 'recht' meer aan dan de component 'orde', en op de ordehandhavers als type had hij het niet begrepen. Wat hij als symptomen van herlevend fascisme zag, verfoeide hij als de incorporatie van het kwaad in de mens. Nagels literaire werk wordt gekenmerkt door oorspronkelijkheid, eruditie en speelse inventiviteit.

A: Collectie-W.H. Nagel en knipselverzameling bij het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Bibliografie in het onder L genoemde Kritisch lexicon... . Autobiografische notities in: In Frankrijk dacht ik aan mijn vader (Amsterdam, 1986). Verzamelde gedichten in: De groene zee is mijn vriendin. Gedichten 1944-1982 (Amsterdam, 1987).

L: Behalve necrologieën in o.a. NRC Handelsblad , 2-8-1983, de Volkskrant , 3-8-1983, Vrij Nederland , 6-8-1983, Tijdschrift voor Criminologie 25 (1983) 161-172 en In de Waagschaal , nwe. jrg. 12 (1983/1984) 351-352: A. Marja, 'De christelijke dichter: J.B. Charles', in idem, Poëzieproeven ('s-Gravenhage, 1963) 111-117; Willem Frederik Hermans, 'Het geweten van De Groene Amsterdammer of volg het spoor omhoog', in idem, Mandarijnen op zwavelzuur (2e, herz. en uitgebr. dr.; Amsterdam, 1967) 162-178; Jan J.M. van Dijk, 'Telganger uit roeping. Over de verzetshouding van J.B. Charles', in Hollands Maandblad 17 (okt. 1975) 13-19; M. van Amerongen, 'Tussen de waanzin en de wetenschap loopt Willem Nagel met bedaarde stap' (1976), in idem, De muichelmoordenaar. Artikelen en polemieken (Amsterdam, 1978) 250-265; Willem Maas, 'J.B. Charles', in Kritisch lexicon van de Nederlandstalige literatuur na 1945 (Alphen aan den Rijn [etc.], 1980-); interview door Max Pam, in Haagse Post , 12-6-1982; Lisette Lewin, Het clandestiene boek 1940-1945 (Amsterdam, 1983); 'Volg het spoor terug. Over J.B. Charles/Willem Nagel', in Literama 19 (mei 1984) 2-13; Koos van Weringh, 'Het spoor van J.B. Charles', in Het Oog in 't Zeil 2 (1985) 6 (aug.) 21-26; Nienke Begemann, Victorine [Hefting] (Amsterdam, 1988) 304-314.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: Bert Verhoeff; Collectie ANEFO; Nagel in september 1974].

Th.W. van Veen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013