Nolet, Willem (1885-1965)

 
English | Nederlands

NOLET, Willem (1885-1965)

Nolet, Willem, Rooms-katholiek priester en historicus (Schiedam 28-9-1885 - Amsterdam 31-8-1965). Zoon van Wilhelmus Adrianus Henricus Aloisius Nolet, azijnmaker, later wijnhandelaar, en Agatha Maria Rosa Epiphania van Gent.

Willem Nolet werd geboren als vijfde zoon in een welgesteld ondernemersgezin van twaalf kinderen. Zijn jeugd bracht hij door in Schiedam en vanaf 1894 in Nijmegen, nadat zijn vader daar een nieuw bedrijf was begonnen. Van 1897 tot 1903 volgde hij de opleiding gymnasium-B op het instituut Rolduc. Het aanvullend diploma gymnasium-A behaalde hij aan het klein-seminarie 'Hageveld'. In 1904 vertrok hij naar het groot-seminarie in Warmond om daar zijn priesterstudie te voltooien. In deze jaren werd Nolets belangstelling voor de kerkgeschiedenis gewekt. Op 15 augustus 1909 volgde zijn priesterwijding, waarna hij als kapelaan werkzaam was in Noord-Holland: eerst te Heiloo, na 1911 te Medemblik.

In 1913 benoemde de bisschop hem tot docent in de kerkgeschiedenis aan het klein-seminarie 'Hageveld', ofschoon hij niet voor dit vak was opgeleid. De autodidact Nolet ontwikkelde zich evenwel - in de woorden van de Nijmeegse hoogleraar geschiedenis L.J. Rogier (in, De Tijd , 19-7-1955) - 'met de omzichtige zelfcritiek, die hem voor gangbare autodidactenblunders behoedde', tot een kundig wetenschapsbeoefenaar. In 1915 werd hij dan ook professor in de kerkgeschiedenis aan het groot-seminarie in Warmond. Het lesgeven ging hem hier aanvankelijk niet gemakkelijk af: het was in zijn colleges een 'janboel'. Geleidelijk verbeterde de situatie echter, en gaandeweg raakten de studenten, die hem wegens zijn eigenaardigheden in gedrag en spraak de bijnaam 'de Kwast' gaven, onder de indruk van zijn eruditie en zijn voor die tijd originele en kritische visies op personen en de tijdperken waarin zij leefden. Ook buiten het katholieke onderwijs werd zijn deskundigheid gewaardeerd. Zo was hij vanaf 1920 docent middeleeuwse kerkelijke instellingen aan de Archiefschool. Tevens maakte hij, naast onder meer de algemene rijksarchivaris R. Fruin en de historicus N. Japikse, jarenlang deel uit van de examencommissie voor archivarissen.

Aan het begin van de jaren twintig verschenen Nolets eerste publikaties. Naam maakte hij in 1924 met zijn Beknopt handboek der kerkgeschiedenis , ontstaan uit een cursus voor onderwijzers die het godsdienstdiploma-B moesten behalen; dit werk beleefde verschillende herdrukken. De dictaten van Nolets colleges aan de Archiefschool verschenen in 1939 in een gestencilde uitgave en werden in 1951, in samenwerking met P.C. Boeren, onder de titel Kerkelijke instellingen in de middeleeuwen in boekvorm gepubliceerd.

In de zomer van 1930 verruilde Nolet het professoraat voor het pastoraat, toen hij door de bisschop aan het hoofd werd geplaatst van de kleine binnenstadparochie van Sint Petrus en Paulus in de Amsterdamse Kalverstraat, in de volksmond 'De Papegaai' genoemd. In zijn nieuwe functie ontplooide Nolet, geholpen door zijn twee kapelaans, belangrijke initiatieven. Aan de drukke Heiligeweg stichtte hij in 1935 in een winkel de 'Open Deur', waar belangstellenden informatie konden krijgen over het Rooms-katholicisme. Op werkdagen stond zijn kerk open tijdens het 'kwartier voor God' om iedereen in de lunchpauze een ogenblik van rust en bezinning te bieden. Nolet was een veel gezocht raadsman, niet enkel voor zijn parochianen maar ook voor geloofsgenoten van elders en andersdenkenden. In de tijd dat de oecumenische gedachte in eigen kring nog geen gemeengoed was, zocht hij bijvoorbeeld toenadering tot de oud-katholieken. In 1958 ging hij met emeritaat.

Ook tijdens zijn pastoraat bleef Nolet als historicus actief. Hij schreef boeken, brochures en artikelen in dagbladen en wetenschappelijke tijdschriften. Nolet heeft veel over het katholicisme gepubliceerd. Zo was hij van 1930 tot 1932 eindredacteur van het driedelige overzichtswerk Katholiek Nederland. Encyclopaedie . In 1943 verscheen zijn boek De geschiedenis van de Kerk op honderd bladzijden . Bijzonder opmerkelijk was Nolets bijdrage 'Prins Willem en de nationale gedachte' aan het gedenkboek Wilhelmus van Nassauwe onder redactie van prof. P.C.A. Geyl, bij gelegenheid van de herdenking van de vierhonderste geboortedag van Willem de Zwijger in 1933. Hierin beschreef hij de prins als de nationale kampioen tegen het Spaanse machtsmisbruik en de grondlegger van het Nederlandse vorstenhuis. In een toespraak voor de KRO-radio in april 1933 onderstreepte Nolet dit feit. Hij maakte aan zijn geloofsgenoten duidelijk dat zij, ondanks Oranjes medewerking aan de tenachterstelling van de katholieken bij de stichting van de Republiek der Verenigde Provinciën, als goede Nederlanders deel moesten nemen aan de nationale herdenking.

In de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog heeft Nolet herhaaldelijk in woord en geschrift gewaarschuwd tegen fascisme en nationaal-socialisme. In de bezettingstijd heeft hij mensen in nood geholpen, onder wie ook joodse medeburgers. In deze jaren was hij een belangrijk adviseur van aartsbisschop J. de Jong.

Nolet heeft een groot aantal nevenfuncties bekleed. Van 1929 tot 1953 - met onderbreking van de jaren 1941-1944, toen de Duitse bezetter deze instelling had opgeheven - was hij lid van de Radioraad, het adviesorgaan van de regering inzake de omroep. Binnen de raad was hij ook lid van de Algemene Programma Commissie, die erop moest toezien dat de omroeporganisaties de voorschriften met betrekking tot de niet-ideologische programma's, die zij bij toerbeurt eenmaal in de week via de twee zenders moesten verzorgen, nakwamen. Nolet verwierp de mening dat zo'n programma dan ook maar 'kleurloos' moest zijn. Naar aanleiding van gerezen moeilijkheden betoogde hij in 1931 in een memorandum aan zijn medeleden, dat het voor de Nederlandse natie van het allergrootste belang was dat de verschillende bevolkingsgroepen elkaar niet alleen verdroegen, maar veeleer elkaar leerden begrijpen en daardoor waarderen. Pas dan zou blijken dat er, ondanks verschillen, ook veel punten van overeenstemming waren. Dit nationale 'credo' heeft Nolet als historicus en als pastor in praktijk gebracht.

Nolet was bestuurslid en adviseur van talrijke katholieke organisaties, zoals het Thijmgenootschap, de St. Adelbert-Vereniging, de Katholiek Academische Kring, de R.K. Nederlandse Boekhandelaren- en Uitgevers Vereniging 'St. Jan' en de Apologetische Vereniging 'Petrus Canisius'; van deze laatste was hij voorzitter. In 1950 werd hij pauselijk onderscheiden met de benoeming tot geheim kamerheer, een eretitel op grond waarvan hij zich 'monseigneur' mocht noemen en de daarbij behorende paarse insignia mocht dragen.

Willem Nolet was een markante figuur, een man van aristocratische allure. Voor wie hem niet van nabij kende, leek hij ongenaakbaar en afstandelijk. Hij hield van conventie en goede smaak. Bij het regelen van zaken, hetzij voor anderen hetzij voor zichzelf, koos hij steeds voor de kortste weg; aan bureaucratische regels had hij een hekel. Zijn historische en pastorale opvattingen druisten nogal eens in tegen die van zijn collega-clerici, die hem daarvan ook niet onkundig lieten. Rogier tekende hem als een onafhankelijke kritische denker, die uitmuntte in 'helderheid, evenwicht, voorzichtigheid, objectiviteit [en] eerbied voor andermans mening' ( De Tijd , 19-7-1955). Geen wereldvreemde geleerde was hij, maar een uitmuntend gastheer, een geestig causeur met veel gevoel voor humor, die ook het goede der aarde naar waarde wist te genieten. Tragisch waren Nolets laatste jaren. Er openbaarde zich toen een slopende kwaal, die uiteindelijk leidde tot een totaal geheugenverlies, waaronder hij zeer heeft geleden. Hij stierf als een vereenzaamd mens.

A: Dossier-W. Nolet berust bij de Afdeling Documentatie van de Katholieke Radio Omroep te Hilversum.

P: 'Lijst van geschriften' in het onder L genoemde levensbericht van W.A. Nolet, 105-106.

L: Behalve herdenkingsartikelen o.a. door Anton van Duinkerken, in De Tijd, 13-8-1949; door G.O., in De Maasbode, 16-7-1955; door L.J. Rogier, in De Tijd, 19-7-1955; door F.J.G. van Voorst tot Voorst, in Adelbert (1957); door Anton van Duinkerken, in De Tijd, 1-9-1965; door Jan Rogier in, de Volkskrant, 2-9-1965; door F.J.G. van Voorst tot Voorst, in Adelbert (1965) 177: L.A. Abma, Geschiedenis van de Schiedamse familie Nolet (S.l., 1954) 217-220, 225; H.W.F. Aukes, Kardinaal De Jong (Utrecht [etc.], 1956); levensbericht door W.A. Nolet, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1967-1968 (Leiden, 1969) 102-106; N. Greitemann, Op zoek naar de tweede onschuld (Baarn, 1981) 83-85; A.F. Manning, Zestig jaar KRO. Uit de geschiedenis van een omroep (Baarn, 1985).

H.W.A. Joosten


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013