Onderwijzer, Abraham [Samson] (1862-1934)

ONDERWIJZER, Abraham [Samson] (1862-1934)

Onderwijzer, Abraham [Samson], opperrabbijn (Muiden 24-7-1862 - Amsterdam 17-11-1934). Zoon van Samson Abraham Onderwijzer, koopman, en Elisabeth Mozes van Gelder. Gehuwd op 12-6-1889 met Lea Wagenaar. Uit dit huwelijk werden 6 zoons en 3 dochters geboren. afbeelding van Onderwijzer, Abraham [Samson]

Abraham Onderwijzer was een telg uit een familie van talmoedgeleerden en voorzangers. Overeenkomstig de wens van zijn vader begon hij op elfjarige leeftijd te studeren aan het Nederlandsch-Israëlietisch Seminarium in Amsterdam, dat toen onder leiding stond van de vooraanstaande talmoedkenner J.H. Dünner. In 1884 deed hij het voor kandidaten voor de hoogste graad verplichte kandidaatsexamen in de klassieke letteren aan de Universiteit van Amsterdam. Twee jaar later, op 19 september 1886, verwierf hij de aan die hoogste graad verbonden moré-titel, wat hem de rabbinale bevoegdheid verleende.

Intussen was Onderwijzer sinds 1882 werkzaam op een der joodse godsdienstscholen in de hoofdstad, een functie die hij tot 1888 uitoefende. Op 26 juli van dat jaar werd hij namelijk door Dünner, inmiddels tevens opperrabbijn van Noord-Holland, bevestigd als rabbijn van de Nederlandsch-Israëlietische Hoofdsynagoge van Amsterdam. In de bij die gelegenheid gehouden rede hield zijn oude leermeester hem voor niet alleen de godsdienstige zorg voor zijn gemeente te bevorderen, maar zich ook in te spannen voor de sociale arbeid onder de gemeenteleden.

Hoewel Onderwijzer weinig heeft gepubliceerd, verwierf hij een grote reputatie door zijn Nederlandsche vertaling van den Pentateuch benevens eene Nederlandsche verklarende vertaling van Rashie's Pentateuch-commentaar . In dit vijfdelig werk, dat tussen 1895 en 1901 verscheen, beoogde hij een zo getrouw mogelijke, voor de leek begrijpelijke vertaling van het bijbelwoord te geven. Dit nog altijd gebruikte werk is wel het 'belangrijkste monument' van de Nederlands-joodse wetenschap vóór 1940 genoemd en voorzag in een grote behoefte.

Onderwijzer was echter in de eerste plaats een man van de praktijk en van de actualiteit, getuige bijvoorbeeld zijn antwoorden op vraagstukken betreffende loonuitbetaling, stakingsrecht en sectie. Als reactie op de oprichting van de socialistische en antiklerikale Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond in 1894 werd een jaar later op zijn initiatief de Vereeniging van Israëlietische Werklieden en Handelsbedienden 'Betsalel' in het leven geroepen. Deze had tot doel de belangen van haar leden te bevorderen op grondslag van de godsdienstcodex. Zelf trad hij op als geestelijk adviseur. Onderwijzer poogde zo de joodse arbeiders te organiseren, daarmee tevens gevolg gevend aan zijn afkeer van de sociaal-democratische beweging.

Toen Dünner in oktober 1911 overleed, werden zijn opperrabbinale taken waargenomen door zijn leerlingen Onderwijzer en de Amsterdamse rabbijn J. Vredenburg. Dit duurde tot 1917, toen Onderwijzer op 3 juni werd geïnstalleerd als opperrabbijn van het synagogaal ressort Noord-Holland. Ook in dit hoge ambt probeerde hij praktische oplossingen te vinden voor de problemen van zijn tijd. Zo was hij erevoorzitter van 'Beis Jisroeil', de in 1919, als reactie op de christelijke zending onder joodse jongeren opgerichte vereniging, die trachtte de jeugd vermaak te bieden uitgaande van de joodse godsdienstregels. In 1925 was Onderwijzer de oprichter van 'Israël', de Nederlandsche Centrale Vereeniging tot Steun aan Noodlijdende Joden in het Buitenland. Verder was hij bestuurslid van het Tora-genootschap 'Resith Gogma', van de Vereeniging tot Steun aan het Nederlandsch-Israëlietisch Seminarium, van de Nederlandse afdeling van de Alliance Israélite Universelle, en van de Pekidim en Amarcalim der Israëlietische Gemeenten van het Heilige Land.

De gestage toeneming van het aantal joden in Amsterdam aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw, alsmede de economische en sociale ontwikkelingen in de hoofdstad hadden ertoe geleid dat velen zich buiten het centrum vestigden. Onderwijzer gaf daarom in 1921 de aanzet tot het stichten van wijkverenigingen en later de bouw van synagoges buiten het oude stadshart. Al eerder had hij samen met rabbijn Vredenburg een oplossing gevonden voor het probleem van de afsluiting van het draaggebied, het gebied waarbinnen joden op sjabbat voorwerpen of mensen mogen meedragen. In plaats van kettingen werden op de uitvalswegen bussen geplaatst met uitrolbaar ijzeren gaas waarmee de weg geblokkeerd kon worden. Dan was er nog de kwestie van de toenemende onkerkelijkheid en de groeiende assimilatie tussen joden en niet-joden, die een toeneming van het aantal gemengde huwelijken tot gevolg had. De Nederlandse opperrabbijnen verboden in 1927 gemengd gehuwden functies binnen de gemeente te vervullen. Toen de Amsterdamse kerkeraad hieraan niet wilde toegeven, dreigde Onderwijzer zich uit zijn ambt terug te trekken. De kerkeraad gaf niet toe, maar suste de zaak. De kwestie geeft aan dat, hoe orthodox-zuiver Onderwijzer ook in de leer wilde zijn - en daardoor soms star en ouderwets werd gevonden - hij door de realiteit gedwongen werd een compromis te zoeken.

Gedurende zijn gehele leven heeft Onderwijzer - in tegenstelling tot zijn leermeester en voorbeeld Dünner, maar in overeenstemming met de opvattingen van vele van zijn ambtgenoten - het zionisme bestreden. In zijn ogen was deze stroming utopisch en bovendien koren op de molen van antisemieten. Niettemin beklemtoonde hij, in een toespraak tijdens de zogeheten Congresdemonstratie voor de rechten van de joden in februari 1918, dat het volk van Israël een nationale eenheid vormde op basis van de religie en een beroep kon doen op rechtsbescherming. Ch. Weizmann, de voorzitter van de World Zionist Organization, probeerde Onderwijzer in 1921 tevergeefs over te halen met de zionisten samen te werken. Ook diens toezegging dat er in Palestina niets zou gebeuren dat niet strookte met de joodse godsdienstcodex, bracht geen verandering in zijn standpunt. Onderwijzers afkeer bleek onder meer uit zijn lidmaatschap van 'Agoedas Jisroeil', de vereniging van antizionistische, orthodoxe joden. In 1929 keerde hij zich fel, doch tevergeefs, tegen de toetreding van het Nederlandsch-Israëlietisch Kerkgenootschap tot de Jewish Agency van de World Zionist Organization, waarin zionisten en niet-zionisten zouden samenwerken.

De betekenis van Abraham Onderwijzer voor de joodse orthodoxie was groot, hoewel hij te weinig heeft kunnen of willen doen om de voortgaande verwereldlijking een halt toe te roepen. Door voor- en tegenstanders werd hij geëerd en geacht om zijn kennis en persoonlijkheid. Zijn toenemende doofheid belette hem de laatste jaren van zijn leven wel in zijn werk, maar niet in hartelijkheid en goedmoedigheid. Onderwijzer geldt als de leider van het Nederlandse orthodoxe jodendom tussen de twee wereldoorlogen.

A: Gegevens betreffende Onderwijzer berusten in de Bibliotheca Rosenthaliana van de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam en in de collectie-Onderwijzer in het Institute for Research on Dutch Jewry te Jeruzalem (Israël).

P: Behalve de in de tekst genoemde publikatie o.a.: Rashie's leven en werken (Amsterdam, 1901); 'De emancipatie der joden', in De joodsche eisen bij den komenden vrede (Amsterdam, 1918); 'Eenige opmerkingen omtrent ', in Bijdragen en Mededeelingen van het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap in Nederland ... 3 (1925) 45-57.

L: Behalve necrologieën op 17-11-1934 in o.a. Algemeen Handelsblad , Nieuwe Rotterdamsche Courant en De Telegraaf : L.H. Sarlouis, 'A.S. Onderwijzer', in Bijdragen en Mededeelingen van het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap in Nederland ... 6 (1940) xvii-xix; Opperrabbijn A.S. Onderwijzer 1862-1934. Zijn persoon, zijn tijd . Samenst. J. Michman en J. Ilan-Onderwijzer (Amsterdam, 1984); M.H. Gans, Memorboek. Platenatlas van het leven der joden in Nederland ... (6e, bijgew. dr.; Baarn, 1988); Om een verstaanbare bijbel. Nederlandse bijbelvertalingen na de Statenbijbel . Onder red. van A.W.G. Jaakke en E.W. Tuinstra (Haarlem [etc.], 1990) 190-192.

I: Opperrabbijn A.S. Onderwijzer 1862-1934. Zijn persoon, zijn tijd. Samenst. J. Michman en J. Ilan-Onderwijzer (Amsterdam, 1984) afbeelding tegenover titelblad.

J. Hagedoorn


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013