Ouwehand [Azn.], Cornelis Willem (1892-1951)

 
English | Nederlands

OUWEHAND [AZN.], Cornelis Willem (1892-1951)

Ouwehand [Azn.], Cornelis Willem, dierentuindirecteur (Rotterdam 31-7-1892 - Rhenen 7-5-1951). Zoon van Abraham Cornelis Ouwehand, sigarenfabrikant, en Pieternella Dirkje Gijsberta Verhoeff. Gehuwd op 23-4-1914 met Jacoba Hollaar. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Ouwehand [Azn.], Cornelis Willem

Kees Ouwehand was de oudste zoon van een Rotterdamse sigarenfabrikant. Na de Gemeentelijke Handelsschool in zijn geboorteplaats met goed gevolg te hebben doorlopen, ging hij, zeventienjaar oud, in de leer bij een tabaksmakelaar. Vervolgens werkte hij enige tijd in de sigarenfabriek van zijn vader om in 1913 samen met zijn broer Ben de leiding op zich te nemen van een nieuw filiaal van het familiebedrijf in Rhenen. De landelijke omgeving hier sprak hem bijzonder aan. Al op de lagere school had Ouwehand, op het platte dak van het ouderlijk huis, konijnen gefokt, en deze hobby zette hij in Rhenen voort. Behalve met konijnen ging hij zich nu ook met kippen bezighouden. Dit werd zo'n succes, dat hij in 1919 aan zijn broer meedeelde het sigarenbedrijf te verlaten om zich te specialiseren in de konijnen- en kippenfokkerij.

Ouwehand kocht een stuk grond op de Grebbeberg, bouwde een huis en ging er in 1920 met zijn gezin wonen. Pensiongasten zorgden voor de noodzakelijke inkomsten. Ouwehand pronkte op allerlei tentoonstellingen met zijn bijzondere kippen en hoenders en was lid van de zogeheten Rhode Island Red-Club, een vereniging van pluimveehouders. Het goed toegeruste Hoenderpark Ouwehand maakte spoedig naam; tot in Nederlands-Indië vond hij klanten. In 1922 begon Ouwehand, met twee compagnons, een eigen bedrijf: Ouwehand's Veevoederfabriek en Handelmaatschappij. Ook het door hem samengestelde voedermengsel raakte bekend, en de onderneming groeide snel uit tot een van de grootste op dit gebied in Nederland.

De kennis van zaken die Ouwehand zich gaandeweg had eigen gemaakt, hield hij niet voor zich alleen. Zo gaf hij ten behoeve van zijn zakenrelaties een door hem zelf volgeschreven maandblad uit, getiteld Wetenschap en Practijk . Tevens organiseerde Ouwehand voorlichtingsbijeenkomsten voor boeren, waarbij hij iedereen uitnodigde zijn modelbedrijf te komen bezichtigen. De meeste bezoekers bleken echter vooral geïnteresseerd in de exotische dieren, zoals een papegaai en een wasbeer, die Ouwehand er uit liefhebberij op na hield. Toen aan het begin van de jaren dertig de economische crisis leidde tot dalende eierprijzen en een verminderde export, deed Ouwehand de veevoederfabriek over aan een compagnon en besloot hij van zijn hoenderpark een dierentuin te maken.

Ook deze nieuwe onderneming zette Ouwehand op professionele wijze op. Om zich te oriënteren bezocht hij tussen 1929 en 1931 verschillende Europese dierenparken. Vooral in Stellingen bij Hamburg stak hij veel op. Hier waren de beesten door Carl Hagenbeck, de geestelijke vader van de moderne dierentuin, in een zo natuurlijk mogelijke omgeving ondergebracht. Terug in Rhenen gaf Ouwehand een tuinarchitect opdracht zijn hoendertuin om te bouwen tot een dieren- en wandelpark. Op 18 juni 1932 verrichtte de burgemeester van Rhenen de opening.

Begonnen met een bescheiden aantal dieren werd de verzameling van jaar tot jaar verder uitgebreid. Er kwam een olifantenverblijf en een aquarium, evenals een door Ouwehand zelf gebouwde leeuwenrots. Door de opzienbarende reclamemethoden waarvan deze zakenman pur sang gebruik maakte, kreeg het dierenpark spoedig nationale bekendheid. Zo liet hij op alle Nederlandse stations borden aanbrengen met de slagzin: 'Heel het land naar Ouwehand' en was hij een van de eersten die reclame maakten met een luchtballon. Toen Ouwehand in 1935 in Hannover duizend krokodillen kocht, die eerder in Berlijn en Parijs te zien waren geweest, liet hij door het hele land een reclameauto rondrijden met een reusachtige afbeelding van deze reptielen en daaronder de woorden: '1000 krokodillen op de Grebbeberg'. Voor het toestromende publiek maakte hij dit schouwspel extra attractief door stukjes vlees te verkopen die aan de krokodillen mochten worden gevoerd.

De ligging op de bosrijke Grebbeberg was een van de aantrekkelijkheden van Ouwehand's Dierenpark. Dat die ligging in militair-strategisch opzicht ook nadelen had, werd door de dreiging van de Tweede Wereldoorlog steeds duidelijker. Reeds in 1938 had de overheid een rampenplan opgesteld. De leiding bij eventuele calamiteiten rondom de Grebbeberg werd toen opgedragen aan Ouwehand. Deze maakte hier handig gebruik van door met succes de bouw van een schuilkelder in het dierenpark te bepleiten. Op 10 mei 1940, de dag van de Duitse inval, kreeg Ouwehand van Nederlandse officieren de opdracht onmiddellijk alle roofdieren af te maken. Bij een bombardement zouden deze immers kunnen losbreken en een gevaar betekenen voor de eigen manschappen. Het aanbod hiervoor een aantal soldaten met mitrailleurs te sturen, wees Ouwehand af; deze onaangename taak verrichtte hij liever zelf.

Hoewel er een evacuatiebevel werd afgekondigd en alle burgers Rhenen moesten verlaten, bleef Ouwehand met enkele van zijn personeelsleden de overgebleven dieren verzorgen, totdat de plaatselijke bevelhebber zich gedwongen zag de schuilkelder als commandopost te vorderen. Nadat de strijd om de Grebbeberg was beslecht, keerden Ouwehand en zijn medewerkers naar het park terug. De gebouwen lagen in puin, maar het grootste gedeelte van de dieren bleek nog in leven. De dierentuin werd hersteld en de verzameling zo goed en zo kwaad als mogelijk aangevuld. Op 18 juni 1942, bij de viering van het tienjarig bestaan, kon Ouwehand's Dierenpark zijn poorten weer openen.

Ruim twee jaar later, in oktober 1944, moesten Rhenen en omgeving opnieuw worden geëvacueerd, ditmaal op bevel van de Duitsers. Ouwehand vertrok met zijn vrouw naar Doorn; een zestal personeelsleden kreeg vergunning bij de dieren te blijven. Een maand later kwamen Duitse soldaten onverwachts alle roofdieren doodschieten. Ouwehand en zijn medewerkers hadden dit echter voorzien en waren er enkele dagen eerder in geslaagd een vervoermiddel te vinden om daarmee althans enkele leeuwen en poema's over te brengen naar de dierentuinen van Amsterdam en Rotterdam. Medio februari 1945 moesten ook de achtergebleven verzorgers op bevel van de Duitsers het park verlaten. Met medeneming van zoveel mogelijk dieren begonnen dezen vervolgens aan een moeilijke tocht - enkele beesten ontsnapten onderweg - via Veenendaal naar Doorn, waar uiteindelijk op het landgoed Hydepark een onderkomen werd gevonden. Hier voegde Ouwehand zich bij zijn medewerkers en dieren.

Na de capitulatie kon voor de tweede keer met de wederopbouw van het dierenpark worden begonnen. In de zomer van 1946 kreeg Ouwehand toestemming van de Nederlandse regering om als officier in civiele dienst naar Duitsland te reizen. De geallieerde bezettingsautoriteiten wilden hier de dierenparken sluiten en de levende have afmaken in verband met de heersende hongersnood. Ouwehand vond het redelijk een gedeelte van deze dieren op te eisen als compensatie voor de hem door de Duitsers toegebrachte schade. Het bezoek aan Duitsland liep echter op niets uit, en uiteindelijk vulde Ouwehand zijn collectie aan met schenkingen van Artis en Blijdorp. Spoedig floreerde het dierenpark weer. Met Ouwehands gezondheid ging het minder goed. In 1950 werd hij vanwege een hartkwaal opgenomen in een Amsterdams ziekenhuis. Enkele maanden later overleed hij, 58 jaar oud, in zijn huis op de Grebbeberg aan een acuut hartinfarct.

Ouwehand was een energieke ondernemer die van zijn hobby zijn werk wist te maken. Zijn dierenpark kwam voor hem op de eerste plaats; hij was er altijd mee bezig. Vrienden had hij nauwelijks, en voor zijn personeel was hij streng, maar rechtvaardig. Ouwehand bleef bovenal de zakenman die, hoewel het verzorgen van dieren geen schoon beroep was, altijd onberispelijk gekleed ging, als oud-sigarenfabrikant steeds met een sigaar in de mond. Hij was inventief, stond open voor vernieuwingen en liet zich niet door problemen of tegenslagen uit het veld slaan. 'Alles wat niet kan, lukt hem', werd er van Ouwehand gezegd.

A: Archief-C.W. Ouwehand in particulier bezit.

P: Moeilijke dagen (Rhenen, 1945); 'Dieren op een vulkaan', in Het vaderland spreekt tot de jeugd. Onder red. van J. Nieskens en A. Schreurs (Utrecht [etc.], 1946) 98-105.

L: [Frans J. Engelsma,] 'Ouwehands Dierenpark... Historie', in Ouwehand Zebranieuws 3 (1982) nr. 1, pp. 2-5; Jaap Balk, 'Leed en glorie op de Grebbeberg', in idem, Shell-journaal van Nederlandse dierentuinen (Epe, 1982) 85-89; 'Ouwehands Dierenpark in Rhenen tijdens de Tweede Wereldoorlog', in Terugblik. Maandblad van de Documentatiegroep '40-'45 24 (1986) 108-109; A.F. Kerbert, in Algemeen Dagblad, 20-6-1992.

I: Robert Jan de Boer, Ouwehands. Een dierenpark in oorlogstijd (Amsterdam 2004) 117.

Rianne Schuurman


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013