Paap, Willem Anthony (1856-1923)

 
English | Nederlands

PAAP, Willem Anthony (1856-1923)

Paap, Willem Anthony, schrijver en jurist (Winschoten 21-10-1856 - Zeist 6-1-1923). Zoon van Hindrik Pape (bekend onder de naam Paap), molenaarsknecht, en Jacoba Paulina Gravelaar. Gehuwd op 16-6-1897 met Johanna Margaretha Petronella van der Schalk. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Paap, Willem Anthony

'Een prul van het allereerste water' vond Paap achteraf de dorpsschool van Winschoten (D'Oliveira). Maar als jongetje blonk hij er uit door een helder verstand, en op zijn twaalfde mocht hij kwekeling worden. Willem leefde thuis met zijn ouders en twee broers aan de grens van de armoede; het kleine loon dat hij verdiende was daarom meer dan welkom. Ook op catechisatie deed Willem zijn best, de hervormde predikant W. Boekhoudt was er zeer over te spreken. Mede door diens steun slaagde Willem in 1871 voor het vergelijkend examen dat toegang bood tot de Groninger Rijkskweekschool voor Onderwijzers. De eerste sport van de maatschappelijke ladder was beklommen. In Groningen moest hij vier jaar lang ploeteren onder leiding van strikte docenten. Een van hen was Lubbertus Leopold, die Paap de grondslagen van de Nederlandse letterkunde bijbracht. Vooral het werk van Multatuli werd druk bestudeerd. In juni 1875 behaalde Willem zijn akte, en een benoeming als hulponderwijzer in zijn geboorteplaats volgde meteen. Winschoten was Paap echter toch te benauwd. Hij ging elders aan de slag, op scholen in Haarlem, Brummen en Apeldoorn. Een zekere rusteloosheid kenmerkte hem toen al, en niet minder de drang om, door studie, hogerop te komen.

Paap meende dat zijn toekomst in Amsterdam lag. Na het staatsexamen liet hij zich in 1879 - inmiddels 23 jaar oud - inschrijven als student in de letteren aan de gemeentelijke universiteit. In de collegebanken trof hij studiosi die evenals hij een passie voor de schone kunsten hadden. Zo kwam hij in contact met de jonge Jacques Perk en Willem Kloos. Wat hen evenzeer verenigde was minachting voor de hoogleraren bij wie zij college liepen. In hun ogen misten deze verwaande droogstoppels elk gevoel voor esthetiek. Paap zou hen in 1884 op de korrel nemen in de kleine, maar bijtende satire Bombono's , de uitwerking van een voordracht die hij eerder had gehouden voor de literaire vereniging 'Flanor', waarvan hij sinds de oprichting in juni 1881 lid was. Letterkundige beschouwingen van zijn hand waren reeds verschenen in onder andere De Nederlandsche Spectator van Carel Vosmaer. Evenals zijn bentgenoten in 'Flanor' vond Paap de vaderlandse literatuur vreselijk oudbakken en zelfgenoegzaam. Bij het verkondigen van deze mening zaagde hij graag planken van dik hout.

Een van zijn stukken in de Spectator leverde Paap een waarderende brief op van Multatuli, die hem op 20 juli 1881 tevens uitnodigde voor een bezoek aan zijn Duitse 'ballingsoord' Nieder-Ingelheim. Paap deed niets liever, en de week in augustus die hij doorbracht bij Eduard Douwes Dekker thuis - hij zou er nog vaker komen - veranderde hem voorgoed in een onverbiddelijke multatuliaan. Kritiek op de meester zou kritiek op hem zijn; Multatuli werd zijn leidsman. Zelfs nam hij diens gewoonte over om in plaats van een 'ij' een 'y' te schrijven. In 1882 was hij een der initiatiefnemers van het comité dat Douwes Dekker een nationaal huldeblijk wilde aanbieden. (Het werd een lijfrente.)

Belangrijker was dat Multatuli Paap had gewaarschuwd voor 'akademische letterkundery': hij zou er onverstandig aan doen literatuur als beroep te kiezen. 'Om iets uit de sloot te visschen moet men niet in de sloot gaan liggen', schreef Multatuli hem (Meijer, 64). Anderen lieten zich eveneens in deze trant uit, wat tot gevolg had dat Paap in maart 1882 van de letteren naar de rechtenstudie omzwaaide. De keuze lag eigenlijk voor de hand, want ondanks alle liefde voor de muzen was hij toch in de eerste plaats een praktische jongeman met maatschappelijke eerzucht.

Het bewijs ervan legde Paap af bij de oprichting van De Nieuwe Gids in 1885. Dit tijdschrift was het logische uitvloeisel van de onder (Amsterdamse) jongeren heersende onvrede over het sociale en literaire klimaat. Paap deed van harte mee en zou zich in het bijzonder onderscheiden door zijn zakelijk instinct. Hij onderhandelde met uitgever W. Versluys, zocht de papiersoort uit, stelde contracten op, en het was vooral aan zijn inspanningen te danken dat het eerste nummer van De Nieuwe Gids in oktober 1885 ook werkelijk verscheen.

Paaps relatie met het blad zou echter van korte duur zijn. Als penningmeester mocht hij een succes zijn, over de door hem geleverde bijdragen waren mederedacteuren als Frank van der Goes en Frederik van Eeden aanzienlijk minder te spreken. Slechts een - tamelijk vervelend - opstel over het Romeinse recht kreeg hun goedkeuring; andere werden zonder pardon afgewezen. Onvermijdelijk leidde dit tot ergernis. Paap hield de eer aan zich en trad in de tweede jaargang van het tijdschrift uit de redactie. Hij overwoog nog even met de in Den Haag woonachtige literator Frans Netscher een nieuw blad op te zetten, maar verbeet ten slotte zijn teleurstelling door zich energiek op zijn juridische studie toe te leggen. Op 5 april 1887 deed hij zijn doctoraal, en reeds drie maanden erna, op 8 juli 1887, promoveerde hij op een proefschrift, getiteld Artikel 1650 Burg. Wetb.

Paap, klein, gedrongen en voorzien van een stevige knevel, vestigde zich als advocaat aan de Leliegracht in Amsterdam; later, vanaf eind 1887, woonde hij op de Leidsekade. In een vraaggesprek zou hij eens verklaren: 'Toen ik advocaat werd, was ik een idealistisch menschje, dat van de maatschappij helemaal niets wist' (D'Oliveira). Maar noch zijn idealisme noch zijn onwetendheid moet worden overdreven. Hij koesterde enige sympathie voor het socialisme en was actief in de beweging voor het algemeen kiesrecht. Bovendien verdedigde hij kunstbroeders die zich wegens smaad de woede van het gezag op de hals hadden gehaald. Pro deo werkte hij echter niet; zijn cliënten, ook de armlastige, kregen gepeperde rekeningen, en zijn maatschappelijke betrokkenheid kende duidelijk grenzen.

Wel hield Paap zich met hart en ziel bezig met de nalatenschap van Douwes Dekker, die in februari 1887 was overleden, en met het lot van diens tweede vrouw, Mimi. Paap was de ridder in het juridische steekspel omtrent het eigendomsrecht op Multatuli's correspondentie, die uiteindelijk in Mimi's bezit kwam. Bij de latere publikatie van deze Brieven stond hij haar met raad en daad terzijde. Hun relatie was echter meer dan een puur zakelijke, want de veel oudere Mimi Douwes Dekker-Hamminck Schepel zou eind 1887, samen met haar pleegzoon Wouter, bij Paap intrekken en gedurende tien jaar diens leven delen. Willem noemde haar 'Mamaatje'.

Financieel ging het Paap steeds beter, ook al omdat hij juridisch adviseur werd van een aantal Amsterdamse instellingen en verenigingen. Zijn ambitie een groot schrijver te worden gaf hij intussen niet op. Douwes Dekker had hem steeds voorgehouden dat men geen romans vóór het veertigste levensjaar dient te publiceren. Men moest eerst leren begrijpen hoe de wereld in elkaar zit en er pas dan over schrijven. In 1896 werd Paap veertig en prompt liet hij een tweedelige roman het licht zien, Jeanne Collette . Het boek deed nogal wat stof opwaaien, omdat het zou zijn gericht tegen de bekende joodse bankier en filantroop A.C. Wertheim. Paap gaf erin blijk van antisemitisme, schreven ook latere critici, van wie zijn biograaf J. Meijer de bekendste (en subjectiefste) is. Zelf wees hij alle beschuldigingen vierkant van de hand, al erkende hij, misschien onverstandige dingen in het voorwoord van zijn boek te hebben gezegd. Men stuit er inderdaad op deze zinsnede: 'wat de negentiende eeuw, de dollareeuw, voor vuilst heeft gebaard, het is, 't zij jood geboren dan of jood van ziel'.

Tot zijn verdediging kan hoogstens worden opgemerkt dat het voorwoord niet representatief voor de inhoud van Jeanne Collette is, en dat Paap in de loop van zijn leven tirades tegen tal van groepen afstak. Behalve bij vlagen antisemiet, was hij onder meer anti-Amerikaans, anti-rooms en tegen de esthetiek die door de Tachtigers werd belichaamd. Hij zat nu eenmaal vol grieven van allerhande aard en was 'nooit heelemaal in rust, nooit heelemaal in vrede met zich en de wereld' (De Goede, 45). Zijn scherpste pijlen richtte hij op eenieder die het waagde te twijfelen aan Douwes Dekkers groot- en goedheid, iets wat bijvoorbeeld Lodewijk van Deyssel in 1891 deed in een onder het pseudoniem 'A.J.' verschenen polemische brochure.

Paap zag de bevestiging van zijn eigen gelijk in het tamelijk snelle verval van de Beweging van Tachtig en De Nieuwe Gids : de door beroepskunstenaars opgevoerde eredienst van Het Woord was pathetisch geworden. Om dit te onderstrepen publiceerde hij in 1898 Vincent Haman , zijn enige werk van blijvende waarde. Menno ter Braak, die halverwege de jaren dertig de heruitgave ervan stimuleerde, beweerde ter inleiding dat het boek Paap moest zijn 'ontsnapt', zo onvergelijkelijk veel beter dan de rest van zijn oeuvre was het, zo knap geconstrueerd als sleutelroman. Maar ook als men niet precies zou weten wie wie is in Vincent Haman , is het te genieten als een geslaagde, deels spottende, deels sentimentele weergave van het Amsterdamse letterkundige leven in het laatste kwart van de negentiende eeuw, toen de eens opstandige generatie op haar beurt establishment werd en de anderen haar normen probeerde op te leggen. Tevens moest uit het boek worden begrepen dat de titelheld - lees: Lodewijk van Deyssel - artistiek en moreel op een aanzienlijk lager plan stond dan de door Paap aanbeden Multatuli. Als een der weinigen in de Nederlandse letterkunde bewees hij hoe dodelijk trefzeker de satire kan zijn.

Paap beweerde voorts alleen te geloven in romans die 'naar het leven' zijn gemodelleerd; van het l'art pour l'art wilde hij niets meer weten. Ook in zijn latere werk, vooral in De doodsklok van het Damrak uit 1908, waarin hij, goed gedocumenteerd, stelling nam tegen gewetenloze speculanten, is derhalve volop 'straatrumoer' te horen. Paap had er enig succes mee, maar als een belangrijk schrijver zou hij toch niet worden erkend. Dat zat hem buitengewoon dwars en had mede tot gevolg dat hij, nog feller dan voorheen, gevestigde namen in de vaderlandse literatuur ging veroordelen. Zij deugden eigenlijk geen van allen, zéker niet als ze behoorden tot of de invloed hadden ondergaan van de Beweging van Tachtig met haar 'pommade van muskusdieren'. Het gros der literatoren leed volgens hem aan ernstige vormen van komedianterij.

Maatschappelijk hoefde Paap zich al lang geen zorgen te maken. Zijn praktijk floreerde, en na zijn verstandshuwelijk in 1897 met Johanna van der Schalk, de dochter van een gefortuneerde Schiedamse industrieel en Mimi's achternicht, kon hij de advocatuur zelfs vaarwel zeggen om zich volledig op leven en letterkunde te concentreren. Het echtpaar zou vanaf 1901 elf jaar op verschillende plaatsen in Duitsland verblijven, en Paap bleef de pen hanteren. Behalve De doodsklok van het Damrak produceerde hij nog de, oorspronkelijk in het Duits geschreven, roman Max Dannenberg (1906) en De kapelaan van Liestermonde (1910), waarin hij zijn antipapisme de vrije teugel liet. Maar net zo min als zijn twee toneelspelen, Koningsrecht (1900) en Een gracht-idylle (1908), waren ze van behoorlijk niveau.

Na zijn definitieve terugkeer naar Nederland in 1912 - hij zou telkenmale verhuizen, van Den Haag naar Amsterdam en ten slotte naar 't Gooi - vernam men nog slechts weinig van Paap. Hij was uitgeschreven en werd, zo al niet geheel vergeten, in de literatuurgeschiedenis bijgezet als een weerbarstig talent, wiens Vincent Haman een uitschieter was geweest. Als geen ander ridiculiseerde hij de uitwassen van Tachtig. Tegelijk dacht hij voortdurend te worden dwarsgezeten door lieden die zich niet, evenals hij, uit de diepte van Winschoten omhoog hadden moeten werken naar naamsbekendheid. In Vervlogen jaren (247) memoreert Frans Erens dat Paap 'iets schuchters en brutaals tegelijk' had; de kenmerken van een eerzuchtige provinciaal die zowel maatschappelijk als artistiek hoopte te slagen, maar in het een noch het ander vrede vond. Paap leek eeuwig in de contramine, een satiricus die zichzelf te ernstig nam.

A: Handschriften en een kleine collectie brieven van Paap bevinden zich in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: De belangrijkste werken van Paap zijn in de tekst genoemd.

L: Interview door E. d'Oliveira jr., in De Telegraaf , 18-12-1908 (av. bl.). Als bijlage opgenomen in het hierna genoemde werk van Meijer, 401-411; Menno ter Braak, 'Paapsche sympathieën', in Forum 2 (1933) 743-756, ook in idem, Verzameld werk III (Amsterdam, 1949) 429-441; Frans Erens, Vervlogen jaren [1938]. Bezorgd en van aant. voorzien door Harry G.M. Prick (Amsterdam, 1989) 243-249; Barend de Goede, Willem Paap. Het paard van Troje (Utrecht [1946]); De geschiedenis van De Nieuwe Gids . Brieven en documenten bijeengebracht door G.H. 's-Gravesande (Arnhem, 1955), Supplement (Arnhem, 1961); J. Meijer, Willem Anthony Paap, 1856-1923. Zeventiger onder de Tachtigers. Het levensverhaal van een vergetene (Amsterdam, 1959); Garmt Stuiveling, 'De derde Paap', in idem, Vakwerk. Twaalf studies in literatuur (Zwolle, 1967) 270-277; Max Pam, 'Vincent Haman van Willem Paap', in NRC Handelsblad , 14-10-1983; J. Meijer, '''Als een vriendenkring bij elkander...''. Het verschijnen van Vincent Haman in 1898', in Het Oog in 't Zeil 2 (1985) 6 (aug.) 1-10; Lisette Lewin, ''Je zaagt kurk'', in de Volkskrant , 7-9-1985; Michell Boll, 'Waarom Willem Paap geen Tachtiger was', in Bzzlletin 14 (1985) 129 (okt.) 71-82; Atte Jongstra, De multatulianen: 125 jaar Multatuli-verering en Multatuli-hulde (Amsterdam, 1985).

I: J. Meijer, Willem Anthony Paap, 1856-1923. Zeventiger onder de Tachtigers. Het levensverhaal van een vergetene (Amsterdam, 1959) afbeelding tegenover pagina 192. [Paap omstreeks 1900].

A. Lammers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013