Perk, Christina Elizabeth (1833-1906)

 
English | Nederlands

PERK, Christina Elizabeth (1833-1906)

Perk, Christina Elizabeth, schrijfster en feministe (Delft 26-3-1833 - Nijmegen 30-3-1906). Dochter van Aderiannus (Adrianus) Perk, grutterijkoopman, en Lessina Elizabeth Visser. afbeelding van Perk, Christina Elizabeth

Betsy Perk groeide op in een groot en niet onbemiddeld, burgerlijk gezin. Haar vader, eigenaar van een stoomgrutterij en een meelmolen, trouwde driemaal. Betsy was de derde dochter uit het tweede huwelijk. Zij had drie broers - van wie één de toekomstige vader van de dichter Jacques Perk was -, vijf halfbroers en drie halfzusjes. De zaken van vader Perk gingen zo goed dat de zoons academische studies konden volgen. Voor de dochters bestond deze mogelijkheid nog niet; pas in 1871 zou de eerste vrouw worden ingeschreven aan een Nederlandse universiteit.

Het is aannemelijk dat Betsy Perk door het intellectuele milieu van haar jeugd tot zelfstudie werd gebracht. In ieder geval gaf zij al op negentienjarige leeftijd blijk van literaire aspiraties door de publikatie van enkele verhalen in het blad Nederland . Perks eerste roman, Een kruis met rozen , zou in 1864 verschijnen. Voor het overige lijkt zij het leven van een meisje uit de burgerij te hebben geleefd, waarin naast literatuur ook beeldende kunst een plaats had. Zij zorgde er wel voor dat ze daarin een meer dan gemiddelde kennis en kunde opdeed, onder meer door privé-lessen in schilderen en boetseren te volgen bij de Belgische beeldhouwer Antoine Eugene Lacomble. Kunst en literatuur zouden steeds haar bijzondere belangstelling hebben.

De jaren 1866/1867 waren van cruciale betekenis in het leven van Betsy Perk. In 1866 verbrak haar verloofde hun engagement, en de dood van haar vader, een jaar later, maakte een einde aan de financiële zekerheid van het gezin. Voor Perk persoonlijk vormden deze gebeurtenissen waarschijnlijk de aanleiding voortaan te proberen in het eigen onderhoud te voorzien, terwijl ze er in meer algemene zin toe leidden dat zij zich - geïnspireerd door Elise van Calcar en Anna Storm-van der Chijs, de grondlegsters van het Nederlandse feminisme - ging beijveren voor de uitbreiding van opleidings- en arbeidsmogelijkheden van vrouwen, in het bijzonder die uit haar eigen klasse. In de jaren 1867/1868 hield Perk hiervoor pleidooien, onder meer in het blad De Tijdspiegel . Haar uitgangspunt daarbij was niet de gelijkheid van mannen en vrouwen, maar hun gelijkwaardigheid naast hun natuurlijke verschil: 'Gelijk verschillende planten, uit dezelfde aarde, onderscheiden voedingsdeelen trekken [...] zoo zullen èn mannen èn vrouwen even zeker op verschillende wijze, zich dezelfde studiën ten nutte maken' (De Tijdspiegel (1867) I, 685). Dit zou, naar haar mening, ook het familieleven ten goede komen.

Om haar ideeën te verspreiden nam Betsy Perk in 1869 het initiatief tot de oprichting van Ons Streven , een van de eerste emancipatorische vrouwenbladen in Nederland. Toen de uitgever naast haar echter twee mannelijke mederedacteuren zette, trok zij zich uit de redactie terug, omdat ze haar collega's ervan verdacht de overhand te willen nemen en vreesde dat nu ook anti-emancipatorische stukken zouden worden opgenomen. Als reactie richtte Perk het jaar daarop een nieuw vrouwentijdschrift op: Onze Roeping . Hierin verkondigde zij: 'Voorwaar! Arbeid is vereischte tot geluk, omdat arbeid alleen de macht en kracht bezit om [...] smart te lenigen, die elk leven te zijner tijd heeft te verduren' (Onze Roeping , 20-10-1870). Bovendien zou de arbeid van ongehuwde zowel als gehuwde vrouwen de welvaart van de staat bevorderen.

Voor veel vrouwen van Perks stand was het verrichten van betaalde arbeid evenwel taboe. Om deze opvatting te doorbreken richtte zij in 1871 de Algemeene Nederlandsche Vrouwenvereeniging 'Arbeid Adelt' op, waarvan Onze Roeping het orgaan werd. De vereniging stelde zich ten doel 'op allerlei wijze den arbeidszin onder de vrouwen aan te kweeken [...] zoowel bij de bemiddelde als bij de onbemiddelde vrouw, teneinde der eerste, vooral in ongehuwden staat, langzamerhand een werkkring te ontsluiten overeenkomstig haar aanleg, en de laatste behulpzaam te zijn om in eigen onderhoud te voorzien' (Circulaire, 28-2-1871, Archief 'Arbeid Adelt', nr. 91). Hiertoe zou 'Arbeid Adelt' tentoonstellingen van vrouwelijke handwerken organiseren en industriescholen oprichten.

Al snel werd de vereniging verdeeld door ruzies rond de persoon van Perk - zij werd beschuldigd van financieel wanbeheer - en door principiële tegenstellingen. Een aantal leden was er voorstander van dat vrouwen die op tentoonstellingen hun werk te koop aanboden, anoniem zouden blijven, terwijl Perk daar juist tegen was. De voorstanders van anonimiteit scheidden zich af en richtten onder leiding van Jeltje de Bosch Kemper de Algemeene Nederlandsche Vrouwenvereeniging 'Tesselschade' op. Dat Perk ook binnen 'Arbeid Adelt' aan gezag had verloren, blijkt uit het feit dat de vereniging al snel haar principe afviel en vrouwen eveneens de mogelijkheid ging bieden hun werk anoniem te verkopen. Perk zelf werd op een zijspoor gezet: haar functie, die van directrice, werd opgeheven en zij zelf weggepromoveerd tot erepresidente.

Nog één keer, in 1873, probeerde Perk haar ideeën te verbreiden - èn daarmee tevens haar brood te verdienen - en wel door het geven van lezingen, samen met de feministe Mina Kruseman, met wie zij een bijzondere belangstelling voor kunst deelde. Perk was in deze periode korte tijd verbonden aan het tijdschrift De Kunstbode. Weekblad ter Bevordering van 't Schoone en Aankweeking van den Kunstzin , waarin ook Kruseman publiceerde. Naar aanleiding van hun lezingentournee signaleerde de pers vooral een verschil in optreden en persoonlijkheid tussen de flamboyante Kruseman en de bescheiden Perk. De snelle breuk tussen hen kan echter ook een gevolg zijn van een 'politieke' controverse tussen de in haar emancipatorische denkbeelden radicale Kruseman en Perk, die dienaangaande een gematigder standpunt innam. Met deze lezingentournee kwam er een einde aan Perks feministische activiteiten.

De enerverende ervaringen in de voorafgaande jaren hadden veel van Betsy Perks zwakke gestel gevergd. Om weer op krachten te komen trok zij zich terug in het zuidlimburgse Valkenburg. Zij maakte tochtjes in de omgeving op haar ezeltje en schreef haar autobiografische afrekening met de literaire en feministische wereld, getiteld Mijn ezeltje en ik. Een boek voor vriend en vijand , die in 1874 verscheen. Tussen de regels door is daarin te lezen dat zij weliswaar de feministische wereld de rug had toegekeerd, maar haar ideeën over vrouwenemancipatie allerminst had afgezworen. Zo bleef zij pleiten voor (beperkt) vrouwenkiesrecht.

In de jaren na 1874 besteedde Betsy Perk haar energie - behalve aan het bevorderen van de opbloei van Valkenburg als toeristenplaats - aan het schrijven. Ondanks het feit dat zij nu weinig andere bezigheden had, publiceerde zij in deze jaren niet veel. Wellicht hielden familieomstandigheden haar van het schrijven af: in 1876 overleed haar stiefmoeder, die tot haar dood bij Betsy woonde.

In 1880 verliet Betsy Perk Nederland om zich samen met een vriendin in België te vestigen: eerst in Brussel, daarna in Spa en vervolgens, tot 1890, in Luik. Sindsdien nam haar literaire produktie weer toe en, naar het schijnt, ook de waardering voor haar werk. Voor haar historische roman De laatste der Bourgondiërs in Gent en Brugge 1477-1481 uit 1885 werd zij in België onderscheiden als 'Femme de lettres'. Uit de inhoud van de werken die Perk in deze periode schreef, blijkt overigens dat zij als 'historie'-schrijfster geen afstand had gedaan van haar feministische denkbeelden. Weliswaar hield zij in haar boeken geen expliciete pleidooien voor vrouwenemancipatie, maar impliciet stelde zij hier dezelfde thema's aan de orde als in haar tijdschriftartikelen. Een verschil was dat in de romans niet zozeer de arbeid(smogelijkheden) van vrouwen uit de burgerij, maar eerder de intellectuele en vooral de politieke capaciteiten van aristocratische dames centraal staan. Voorbeelden daarvan zijn: Mejonkvrouw de Laval onder de keizers Alexander I en Nikolaas van Rusland uit 1883, het tweedelige Yline, prinses Daschkoff-Worenzoff. Uit de geschiedenis van Rusland, in de laatste helft der vorige eeuw uit 1885 en In het paleis der Bourgondiërs te Brussel uit 1889.

Sinds de jaren zeventig had Perk zich regelmatig uitgesproken voor vrouwenkiesrecht. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij lid werd van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, die in 1894 werd opgericht. Zij was, met andere woorden, de vrouwenbeweging niet vergeten, maar omgekeerd leek de vrouwenbeweging haar wel te zijn vergeten, want voor de grote Nationale Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid die in 1898 in Den Haag werd gehouden werd ze niet uitgenodigd. Zij woonde toen inmiddels weer in Nederland: vanaf 1890 in Arnhem en sinds 1903 te Nijmegen. In de laatste jaren van haar leven wijdde Perk zich andermaal aan de ontwikkeling van de kunstzin en artistieke smaak in de door haar in 1897 opgerichte vereniging 'Kunst en Kennis' en in de Toynbee-beweging.

Voor de Nederlandse vrouwenbeweging aan het einde van de 19e eeuw is Betsy Perk vooral van belang geweest als oprichtster van verenigingen en tijdschriften. Opvallend is dat zij nooit lang bij haar projecten betrokken bleef; blijkbaar was samenwerking niet haar fort. Zij was meer een wegbereidster die vasthield aan haar ideeën, zelfs als ze zich daardoor isoleerde.

A: Collectie-C.E. Perk in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: o.a. Wenken voor jonge dames ter bevordering van huiselijk geluk (Arnhem, 1868); Elisabeth van Frankrijk. Historisch-romantische schets (Delft, 1870); Elisabeth de jonkvrouw van 't kasteel te Valkenburg. Drama in voetmaat en vijf bedrijven uit 1355 (Venlo, 1878); De wees van Averilo. Historisch-romantisch verhaal (Arnhem, 1888); Jacques Perk, geschetst voor 't jong Nederland der XXe eeuw... (Amsterdam [etc.], 1902); 'Strijd binnenshuis. Vr[ouwen] kiesrecht-novelle', in Hollandsche novellen 1 (1905/1906) 157-171.

L: Johanna W.A. Naber, Het leven en werken van Jeltje de Bosch Kemper (Haarlem, 1918); Van moeder op dochter. De maatschappelijke positie van de vrouw vanaf de Franse tijd . Onder red. van W.H. Posthumus-van der Goot (3e, herz. dr.; Utrecht [etc.], 1968); Wim Zaal, 'Betsy Perk', in Nooit van gehoord! Twaalf stiefkinderen van de Nederlandse beschaving (Amsterdam, 1969) 77-95; G.W. Kasteleijn-Ekels, 'Betsy Perk (1833-1906)', in Delftse vrouwen van vroeger door Delftse vrouwen van nu . Samengest. door H.M. Bonebakker-Westerman [e.a.] (Delft, 1975) 126-167; Ageeth Scherphuis, 'Betsy Perk', in Vrouwen rond de eeuwwisseling . Onder red. van Aukje Holtrop (Amsterdam, 1979) 49-61; lemma door Margot de Waal, in Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland IV (Amsterdam, 1990) 154-156; Lilian Leunissen, Betsy Perk: feministe en schrijfster. Een onderzoek naar de verbondenheid van haar persoonlijke, feministische en literaire bestaan. [Ongepubliceerde doctoraalscriptie, Vakgroep Geschiedenis, RU Utrecht] (Utrecht, 1992).

I: Delftse vrouwen van vroeger door Delftse vrouwen van nu. Onder red. van A. Meijer-Schaap e.a. (Delft 1996, derde druk) 84.

Fia Dieteren


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013